Review

De dood draagt rode lippenstift

In 1941 bestuurden twee SS'ers dagelijks een speciaal daartoe uitgeruste vrachtwagen waarin per rit honderd Servische joden werden vergast. Wat waren die bestuurders voor mensen? In de roman 'Götz en Meyer', van de Servische schrijver David Albahari, leren we hen kennen als heel gewone mannen, die zich zonder probleem lieten inschakelen voor een gruwelijke taak: ,,Ontroostbaar zijn de twee SS'ers pas, wanneer een van de assen van de vrachtwagen het begeeft.''

Nergens in het Europa van Hitler werden de joden zo vroeg vernietigd als in Servië. In mei 1941 droegen Servische joden nog geen ster, een jaar later waren ze al van de aardbodem verdwenen. Daarmee was Servië, zo rapporteerde een Duitse bevelhebber in de zomer van 1942 geestdriftig, het enige land waar de Judenfrage definitief was opgelost. De meerderheid der mannen had men gefusilleerd. Vervolgens had men vrouwen en kinderen, voor zover die tenminste nog niet spontaan waren verhongerd, gedood door vergassing. Dat gebeurde in een speciaal voor dit doel ontworpen vrachtwagen, in het gesloten achterdeel waarvan honderd joden kon worden vervoerd. Onderweg werd de uitlaat van de motor verbonden met de carrosserie, zodat tijdens het rijden koolmonoxide naar binnen werd gepompt en de 'lading' door verstikking om het leven kwam.

'Götz en Meyer', de zopas in het Nederlands verschenen roman van David Albahari, gaat over twee SS'ers die de gaswagen destijds bestuurden, of, juister gezegd, zouden kunnen hebben bestuurd: Götz, die de chauffeur had kunnen zijn, en Meyer, de mogelijke bijrijder. Of waren hun rollen omgekeerd?

Daarover bestaat geen zekerheid, want Götz en Meyer zijn denkbeeldige personen, in het leven geroepen door de verteller van het verhaal. Hij is een jood in het na-oorlogse Belgrado, die als kleuter aan de Endlösung is ontsnapt en die wil weten hoe zijn familieleden in 1942 aan hun eind zijn gekomen.

Tijdens zijn speurwerk in de archieven stuit hij op de gaswagen, waarin volgens de documenten vijfduizend bejaarden, vrouwen en kinderen zijn vermoord, onder wie een aantal neefjes en nichtjes van de verteller.

Wat begint als nieuwsgierigheid naar zijn familiegeschiedenis wordt gaandeweg een obsessie met de sinistere vrachtwagen en de bestuurders van de vrachtwagen, die hij aan de anonimiteit onttrekt door ze een naam te geven. ,,Götz en Meyer. Ik heb hen nooit gezien, ik kan me alleen een voorstelling van hen maken. Een van hen beiden, beweren getuigen, ging altijd het kamp binnen, speelde met de kinderen en nam ze op zijn arm, hij gaf ze zelfs chocoladesnoepjes.''

Dagelijks vervoeren Götz en Meyer een lading joden van een verzamelkamp nabij Belgrado naar Jacinci. ,,Het was hun taak te rijden, en zij reden, altijd lachend, zelfs wanneer de wind hun stof in het gezicht blies, en het maakte hun helemaal niets uit wat er zich in het achterste deel van de wagen bevond, een vracht joden of een berg suikerbieten.''

In Jacinci wordt de wagen opgewacht door Servische krijgsgevangenen die, onder het oog van Duitse bewakers, een vers massagraf hebben gedolven. Als de deuren van de wagen worden geopend, tuimelen de lijken naar buiten. De doden zien niet blauw, zoals gewoonlijk na verstikking het geval is. Koolmonoxidevergiftiging kleurt het slachtoffer roze, met een kersenrode mond.

Zo komt het dat ,,de Servische gevangenen aan lippenstift dachten toen ze zich over de eerste hoop lijken bogen. Die konden ze nog verklaren op de lippen van de vrouwen, maar ze slaagden er niet in de aanwezigheid ervan op de lippen van kinderen en oude mannen te duiden.'' Pas nadat de hele lading is ondergespit, keren Götz en Meyer naar Belgrado terug. ,,Achter hen lag het vers gedichte graf er rustig bij, maar morgen al zou de aarde opbollen, overdekt worden met blaren. Daar was niets aan te doen, zouden Götz en Meyer kunnen denken, ieder werk brengt zijn risico's mee.

Later, 's avonds, zou een van hen een boek lezen, een ander zou een wandeling gaan maken. Ze waren goedgeluimd, ze hadden eetlust, geen spoor van sombere gedachten, zelfs geen heimwee naar hun geboortestreek.'' Ontroostbaar zijn de twee SS'ers pas, wanneer een van de assen van de vrachtwagen het begeeft. Want de wagen heeft, in tegenstelling tot de joden die erin worden vervoerd, een ziel. ,,Hoe vaak hadden ze hem niet schoongemaakt en gepoetst, de koplampen afgeveegd, de voorruit en de binnenkant van de carrosserie gewassen! Ook een hardere man dan Götz en Meyer zou een traantje wegpinken.'' Overigens heeft hun taak er niet onder te lijden: alle vijfduizend vrouwen en kinderen zijn inmiddels vergast. Dat is maar goed ook, want ,,soms vormen zulke kleine werkzaamheden als de hunne de ware grondslag van een enorm bouwwerk; van de stevigheid ervan hangt de veiligheid van het hele gebouw af.''

Er is dikwijls geschreven over de gespletenheid van SS'ers, die met de ene hand moorden terwijl ze met de andere luchtig bladeren in het verzamelde werk van Goethe. 'Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust'? Nee, Albahari maakt zich er niet af met clichés. In de loop van zijn roman worden de chauffeur en de bijrijder almaar waarachtiger. Het is alsof ze na elke rit, en dus met elke vracht joden die ze de dood injagen, aan levendigheid winnen. ,,Iedereen kon Götz zijn. Iedereen kon Meyer zijn. En toch waren Götz en Meyer alleen maar Götz en Meyer.'' Om hen te begrijpen gaat de verteller zich met de twee vereenzelvigen. ,,'s Morgens, wanneer ik me aankleedde, was ik Götz en Meyer. Ik keek bijvoorbeeld in de spiegel en zei: Vandaag scheert Götz zich, of: Nu kamt Meyer zijn haar, en dan vroeg Götz Meyer wat hij zou nemen bij het ontbijt.''

Op den duur verwart hij niet alleen zichzelf met Götz en Meyer, maar ook Götz en Meyer met hun slachtoffers. Dat is niet zonder gevaar, noch voor de verteller, noch voor de lezer, die gezamenlijk dreigen te 'verdwalen in de woestijn van andermans geest'. Kunnen ze zich nog ooit ontworstelen aan de gaswagen die, gevuld met kreunende joden, door hun hoofd spookt? En wat te doen met Götz en Meyer, met wie ze intussen op griezelig vertrouwelijke voet verkeren?

De ontknoping van de roman is niet minder verrassend dan alles wat eraan voorafgaat. David Albahari slaagt erin over een zo veelbeschreven onderwerp als de holocaust een nieuw verhaal te vertellen. Maar het is de verdienste van Reina Dokter dat de Nederlandse lezer aan dat verhaal, in heel zijn betoverende verscheidenheid, kan deelhebben. Haar vertaling van het Servische proza is een meesterstuk op zich.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden