Review

De donkere kant van een getalenteerd man

Hij heeft parels geschreven, maar van zijn persoonlijk leven maakte Conrad Busken Huet een puinhoop. In de indrukwekkende biografie van Olf Praamstra komt de schaduwkant van deze uitzonderlijke man uitvoerig aan bod.

Jan Kuijk

’Het gaat te ver hem een oplichter te noemen’, verzekert Olf Praamstra ons over Conrad Busken Huet (1826-1886). Niet passend, zo’n oordeel dus. Maar ondertussen is het beladen woord gevallen en uit de uitputtende biografie, waarin Praamstra een jarenlang onderzoek naar leven en werk van deze schrijver heeft vastgelegd, rijst in elk geval het beeld op van een uitzonderlijke man, die achter een façade van materiële welvaart en aanzien een imperium van schulden en een financiële puinhoop moest beheren en zich met streken staande hield.

Het zou te ver gaan als ik op mijn beurt Praamstra’s studie een schelmenroman noem, maar liefhebbers van dat genre mogen zich in elk geval deze ruim 900 pagina’s niet laten ontgaan. Hetzelfde advies geldt voor liefhebbers van de negentiende eeuwse cultuurgeschiedenis, want daarin staat Busken Huets naam en werk als een indrukwekkend monument. Wij mogen ons als cynische buitenstaanders overigens gelukkig prijzen met dat voortdurende geldgebrek en die niet te stuiten geldingsdrang. Die hebben tenslotte dat kolossale oeuvre opgeleverd op het gebied van literatuur, geschiedenis, theologie, politiek, journalistiek en wat al niet.

Hij had in Leiden theologie gestudeerd; waarschijnlijk om zich daarmee te kunnen voegen in een familietraditie, maar vooral ook omdat er voor Waals-hervormde theologiestudenten als hij een beurs beschikbaar was, want zijn ouders hadden het niet breed. Zijn vader had de predikantentraditie doorbroken door ambtenaar op het ministerie van financiën te worden en was vroeg overleden. Praamstra heeft het over ‘een deftige armoede thuis’ en in die richting zoekt hij een verklaring voor Huets dubbele levenshouding: enerzijds een grote staat voeren en tegelijk het daarmee samenhangende voortdurend getob om de eindjes aan elkaar te knopen.

Na zijn kandidaatsexamen wordt hem de keuze gelaten door te gaan voor een promotie of een jaar studie in Lausanne om zijn Frans te perfectioneren – altijd handig voor een Waals predikant. Hij kiest het laatste want hij had toen al laten weten beter thuis te zijn in de gedichten van De Musset dan in het Nieuwe Testament.

Dat blijkt ook uit zijn verdere leven, al heeft hij tien jaar lang zijn ambt als predikant in de kleine deftige Waalse gemeente van Haarlem serieus genomen. Maar hij komt daar steeds meer onder de invloed van de in de negentiende eeuw opkomende Bijbelkritiek en hij kan het niet nalaten deze inzichten ook in zijn preken te laten doorklinken. Maar als hij dan ook nog deze opvattingen populariseert in zijn boek ‘Brieven over de Bijbel’, waarover David Bos vorige week in de bijlage Letter en Geest uitvoerig berichtte, heeft hij het bij de trouwe kerkgangers verkorven.

In 1862 trekt hij de consequentie, legt zijn ambt neer en begint een journalistieke loopbaan als redacteur van de Opregte Haarlemsche Courant. Een uitweg uit deze als diensthuis ervaren baan biedt het schrijven, in zijn schaarse vrije tijd, van kritieken voor bladen en tijdschriften. En als Potgieter hem, eerst als medewerker en dan als redacteur, aan het gezaghebbende maandblad De Gids verbindt, lijkt het ideaal onder handbereik: persoonlijk leiding te kunnen geven aan het literaire en openbare leven in Nederland.

Het duurt maar even. Hij overspeelt zijn hand als hij in 1865 in een recensie van een aan koningin Sophie opgedragen almanak zijn scherpe kritiek in de mond van de koningin en haar hofdames legt. Dat is nog tot daaraan toe (al is het Hof ontsticht), maar erger vinden zijn liberale mederedacteuren dat Huet buiten hen om in een politieke beschouwing kritiek uitoefent op Thorbecke en het dan vigerende parlementaire systeem met zijn beperkte stemrecht. Hij moet aftreden als redacteur. Dat Potgieter zijn kant kiest en ook opstapt, is wel troostend maar betekent in de praktijk niets. Hij is in alle opzichten vastgelopen.

Een bizarre episode in zijn leven begint in de loop van de jaren zestig als hij in contact komt met Multatuli, die in de hoop op genoegdoening over diens misgelopen carrière in het Indische bestuur staatsgreepachtige plannen koestert. Dat loopt allemaal op niets uit, maar Huet komt zo wel in aanraking met de conservatieve minister van koloniën Hasselman. Hij krijgt van hem in het geheim uit de staatskas een voorschot van drieduizend gulden (een gigantisch bedrag in die tijd) om met zijn gezin naar Indië te gaan.

Hij kan daar de leiding op zich nemen van de Java-bode. Maar het voorschot betekende ook dat hij de politieke lijn van dat liberale blad in conservatieve richting zou ombuigen en bovendien rapporteren hoe het bewind in Batavia de hele Indische pers een beetje naar zijn hand zou kunnen zetten – ‘zou breidelen’, zoals het genoemd werd toen het voor ieder geheime plan dank zij een meer liberaal denkende gouverneur-generaal uitlekte.

Een blamage voor Huet, maar die had in de loop van zijn leven al zoveel eelt op zijn ziel gekregen dat hij pal tegen de wind in bleef varen. „Ik zie niet in waarom ik gehouden zou zijn een onafgebroken reeks van bewonderenswaardige daden te verrichten”, verdedigde hij zich met zijn rug tegen de muur tegenover zijn gechoqueerde vrienden in Nederland en hij ging op zijn manier door met zijn krant – niet zonder succes zelfs. Alleen het door de minister gewenste rapport kwam er niet, want de liberalen hadden inmiddels in Den Haag de wacht overgenomen en de gouverneur-generaal in Batavia weigerde Huet zijn medewerking. En toen de nieuwe minister dat voorschot van drieduizend gulden terug wilde hebben, beriep Huet zich op zijn onmacht. Tja, wat moet je met een niet meewerkende gouverneur-generaal? Dat hem dat laatste goed uitkwam, was een ander verhaal. Het geld is niet terug betaald.

Het is een ontluisterend beeld dat Praamstra van dit leven schetst, maar er is geen ontkomen aan: er zit onmiskenbaar een donkere kant aan deze met zoveel talenten gezegende man. Het wijze advies van Slauerhoff aan zijn erfgenaam: ’Geniet van schone strofen/maar schuw het leeg gezelschap van hun dichters’ slaat dan ook alleen maar op Huets donkere kant.

Blijf vooral genieten van ’Het land van Rembrand’. Wetenschappelijk mag het achterhaald heten, maar deze kritische liefdesverklaring aan het Nederland van de Gouden Eeuw laat ons een andere man zien dan degene die eerder verklaard had te betreuren in Nederland geboren te zijn. Hij schreef zijn meesterwerk, na zijn terugkeer uit Indië, in Parijs (zijn ’bomvrije kazemat’) waar hij op 59-jarige leeftijd overleed, zittend aan zijn schrijftafel waar hij net met een nieuw stuk begonnen was. Een echt schrijversleven.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden