Review

De dikke boer is niet meer

De Groninger boer is een rijke akkerbouwer die luxueus woont, een hoge positie bekleedt in de maatschappij en die zijn arbeiders afknijpt. Het verhaal ligt wat genuanceerder. Historicus IJntke Botke zocht in zijn proefschift naar de ware herenboer in Groningen.

De dikke boeren van de klei, heten ze in Groningen, de herenboeren met hun grote landerijen die al enkele eeuwen het beeld lijken te bepalen in de noordelijke provincie. De Groninger boer is altijd een begrip geweest dat zelfs ver buiten de provinciegrenzen bekend was. Maar niet elke boer in Groningen was een 'Groninger boer', hij behoorde tot een minderheid, de meerderheid had een klein boerenbedrijf. Dit schrijft de historicus IJntke Botke die vandaag aan de Rijksuniversiteit Groningen hoopt te promoveren op dit onderwerp.

In de laatste twee eeuwen is er een stereotype ontstaan van deze 'dikke boeren', die, rijk als ze waren in hun luxueus aangeklede woning achteroverleunend hun bedrijf bestierden, terwijl de landarbeiders voor een armzalig loontje in de klei ploeterden. 'Heur voader was 'n rieke boer. Het geld waas nummer ain', schreef de in 1878 in Uithuizen geboren schoolmeester Evert Marema al.

Tot ver over de grenzen was de mythe van deze akkerbouwers met hun grote weelde bekend. In de statige 'landhoeves' hadden de bewoners 'dikwijls twee of drie salons, evenzoveele piano's, overvloed van zilverwerk en Japansch porcelein', schreef de Fransman Henry Havard in 1875 na een bezoek aan het Oldambt met enige fantasie. En de Italiaanse journalist Edmondo de Amicis repte in 1874 in Olanda, zijn wat overdreven reisboek over Nederland, van boeren die een edel beroep uitoefenden dat de hoogste gaven des geestes vereist. In de trein naar Groningen ontmoette hij zowaar een boer die niet alleen Frans sprak, maar ook de beginregels van Dante's Inferno citeerde. Hij zag in Groningen een soort republiek die door een klasse van ontwikkelde boeren werd bestuurd. De boerinnen bezochten op marktdagen de musea der Groninger Hogeschool om zich daar te ontwikkelen. Geld in overvloed hadden deze boerendames. Een winkelier noemde een stadse vrouw de prijs van een zijden kleed. 'Dat is mij te duur', antwoordde de vrouw volgens de Italiaanse journalist. Daarop zei de boerendame die naast haar stond: 'Ik neem het'.

Dit soort beschrijvingen hebben bijgedragen aan de nu nog steeds levende beeldvorming over de Groninger boer. De opkomst van het socialisme vorige eeuw heeft dit beeld van een rijke boerenpatser nog eens versterkt. Vooral de slechte verhouding tussen boer en personeel werd aangedikt: hij was een zakelijke ondernemer met weinig tot geen sociaal besef. De stakingen van landarbeiders in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, zoals die van 1929 in het Oldambt, droegen daaraan bij. Van de boerenleider Derk Tonko Barlagen gaat het verhaal dat hij, toen de vakbonden loonsverhoging vroegen voor de landarbeiders, een dubbeltje op tafel gooide en sprak: 'Jongens vecht er maar om'. Volgens de arbeiders heersten de boeren als tsaren over het graan. In een lied klonk het: De boeren van het Oldambt / Die geven lage lonen / Terwijl ze welgedaan /In hun dure villa wonen/

'Bloedzuigers' waren het volgen de communistische Echo van het Noorden. En in het blad Nieuw Christelijk Leven (1929) schreef de hervormde predikant Albert Nicolaas Tonsbeek uit Appingedam dat de liberale economie de harten van de boeren had vergiftigd. De arbeider werd volgens de dominee behandeld 'minder dan een dier'.

En in 1987 nog verschenen interviews met landarbeidsters die tussen 1940 en 1950 in het Oldambt werkten, waarin zij hun afkeer van de herenboeren uitten. 'We zaten net als een hond in een hondenhok. Zo hebben ze ons behandeld, de boeren.' En: 'Het waren geen beste mensen hoor. Dieren. Drie boeren, drie beesten'.

Historicus IJntke Botke geeft talloze voorbeelden van de beeldvorming rond de Groninger boer in zijn uitgebreide proefschrift. Hij schrijft over de landbouwers met bedrijven van minstens veertig tot vijftig hectare, die op grote schaal gebruik- maakten van loonarbeid. Deze boeren zijn nu uitgestorven, hun monumentale boerderijen zijn de laatste vijftig jaren in verval geraakt en worden in sommige gevallen bewoond door randstedelingen die de noordelijke rust opzoeken. De huidige landbouwers in Groningen, ook al hebben ze meer dan veertig hectare grond, hebben weinig te maken met het klassieke begrip Groninger boer. Zijn aanwezigheid en invloed in het plaatselijke of provinciale bestuur zijn zo goed als verdwenen en hij speelt nauwelijks meer een rol in het dorpsleven.

Maar nog steeds bestaan er die gevoeligheden uit het verleden, de mythe leeft voort in streekromans, vertellingen en geschiedschrijving. IJntke Botke beschrijft in zijn boek de hele opkomst van die boer tussen 1760 en 1880 tot de ondergang na de Tweede Wereldoorlog. In 1755 waren er 332 landbouwers met bedrijven van veertig tot vijftig hectare, in 1816 waren het er 386. De boeren namen arbeiders in dienst en konden daardoor zelf over meer vrije tijd beschikken. Zelf gingen ze 'voor' wonen, het personeel, voorzover het op het bedrijf sliep, verbleef 'achter'.

De afstand groeide tussen landbouwer en personeel. Door zijn vrije tijd ging de boer zich meer met cultuur bezighouden. Een opvallende rol daarbij speelde de predikant van Eenrum, Uilkens, die een befaamd natuurkundige was en lesgaf aan boeren, predikanten en onderwijzers uit de wijde omgeving. Volgens IJntke Botke was een onbedoeld maar verstrekkend neveneffect van de intellectuele ontwikkeling van de landbouwers dat de afstand met de minder geletterde arbeiders nog groter werd.

In die tijd, tussen 1870 en 1880, had de Groninger boer volgens Botke als type een vaste plaats gekregen in de literatuur. Hij noemt als voorbeeld de eerste streekroman waarin de boer in alle facetten wordt uitgebeeld: De golden kette van de schrijfster Wiepke Bouman-Gerritse uit Beerta. Zij plaatste twee herenboeren tegenover elkaar. Een met positieve kanten: een redelijk en leergierig man die openstaat voor nieuwe ideeën, belangstelling heeft voor maatschappelijke vraagstukken en de politiek, in de gemeenteraad en het Nut zit, zijn zoons naar de hbs stuurt en zich verantwoordelijk voelt voor het personeel. En de ander: de rijkere, grove, materialistische en standsbewuste boer die het aan enig sociaal gevoel ontbreekt.

Maar volgens Botke zijn al die markante eigenschappen van deze romanfiguren onlosmakelijk met elkaar verbonden en bij de echte boeren in verschillende mate aanwezig. Na 1880 was die bloeitijd voor de Groninger boer voorbij, schrijft Botke, er was slechts nog een lange nabloei die driekwart eeuw zou aanhouden en aan het eind van de jaren vijftig afliep.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden