Review

De dans der eenvoudigen

H. N. Werkman, Chassidische Legenden. De map met 20 druksels en het bijgesloten tekstboek is te bestellen/verkrijgbaar bij de boekhandel onder ISBN 90 6243 048 1. Uitg. Wolters-Noordhoff, Groningen, f 250,-. “Wat treft in dit verhaal is niet alleen de onversleten intieme vreugde van het oude bruidspaar, de bewarende en herstellende kracht van het oeroude ritueel, maar ook de praktische en nuchtere zin van de vrouw die weet dat het huishouden moet lopen. Dat er een oplossing gevonden moet worden en dat die er moet zijn.” Vijftig jaar geleden voltooide H. N. Werkman zijn twintig druksels bij de Chassidische Legenden, hoog in het pakhuis aan de Lage der Aa. Politicus Herman Verbeek over 'de Chagall van Groningen'.

HERMAN VERBEEK

In november 1940 was op een late namiddag een onbekende man de vele trappen omhoog naar zijn atelier gekomen. Werkman en zijn enige medewerker die hij nog had, Bos, keken op van hun arbeid. De begroeting was schuchter. De man was ds. August Henkels uit Winschoten. Hij zei dat hij van 'De Blauwe Schuit' kwam en dat daar drie mensen toe behoorden die met elkaar hadden afgesproken dat zij iets moesten doen. Het waren de onderwijzeres Adri Buning, de chemicus Ate Zuithoff (later hoogleraar in Delft, de enige van de groep die nog in leven is) en hijzelf, de hervormde dominee. In Polen was Hitler met zijn pogroms begonnen, ook in Nederland waren de eerste maatregelen tegen de joden afgekondigd. Of Werkman voor 'De Blauwe Schuit' iets wilde drukken? De predikant had Het Jaar 1572 van Nijhoff bij zich. Daar lag het begin van Nederlands Onafhankelijkheid, “de tyrannie verdrijven, die mij 't herte wondt”.

Ds. Henkels heeft in het Logboek van de Blauwe Schuit heel precies beschreven wat de intenties waren van deze kleine Winschoter werkgemeenschap. Ze wilden het wapen van de eenvoudige kunst inzetten tegen de demonie. Zo wilden zij hun vrienden en zichzelf rechtop, 'fit' houden in de leegte van het beschavingsverval dat hen de adem ontnam. Het Logboek werd na de oorlog uitgegeven, tegen kerst 1946, toen alle veertig opdrachten die Werkman, tot 't laatst, tot Pinksteren 1944, voor 'De Blauwe Schuit' had uitgevoerd, door Willem Sandberg in het Stedelijk in Amsterdam werden geexposeerd. Het Logboek werd opnieuw gedrukt, door toedoen van de stichting Folkingestraat Synagoge, die 'De Blauwe Schuit' in de Groninger sjoel exposeerde ter herdenking van Werkmans honderdste geboortedag, 29 april 1982.

'En masse' werd vanaf eind-1940 door Nederlanders de Arier-verklaring getekend, schrijft Henkels in zijn Logboek. Zij waren maar met zijn drieen, wat konden ze doen? Adri Buning had in haar kast het gedicht van Nijhoff gevonden, uit een krant van 1934. Dat wilden ze laten drukken. Henkels herinnerde zich de naam Werkman, dat was een drukker in Groningen “die mooie dingen maakte”. En Henkels herinnerde zich ook 'die blau scute', het doek van Jeroen Bosch dat hij in 1936 in Boymans had gezien; dat was het gilde van degenen die bij geen gilde hoorden, in hun geest was de zotheid gevaren zoals Erasmus die heeft gehuldigd, de onafhankelijke onaangepastheid die zij ook bij Hendrik Werkman zouden vinden, met wie daarom zo'n diepe verstandhouding en vriendschap ontstond.

Zo kwam de eerste drukopdracht tot stand, die “lege november-namiddag” daar boven in het pakhuis aan de mistige Lage der Aa. August Henkels kwam al gauw bij Werkman thuis en was, na Sandberg in 1938, een der eersten die de “collectie onder de divan” kreeg te zien en er onmiddellijk de ongekende rijkdom van zag.

Een jaar na hun eerste ontmoeting kwam Henkels aanzetten met een klein boekje, Die Legende des Baalschem van Martin Buber. Of Hendrik dit eens wilde lezen, misschien dat het hem op ideeen zou brengen, hij was helemaal vrij. Zo ontstond de veertiende en grootste opdracht van 'De Blauwe Schuit'.

Diezelfde avond nog begon Werkman thuis te lezen en het liet hem niet meer los. De beelden kwamen vanzelf. Hij maakte al schetsjes, vaak op de achterkant van agenda-blaadjes, zoals zijn dochter Fie ze onlangs heeft ondergebracht bij het Groninger Museum. En hij schreef de ene brief na de andere aan Henkels. Ze zijn uitgegeven door Jan Martinet, conservator van het Stedelijk, die ook met zo grote precisie het Werkmanarchief zou inrichten.

Martinet overleed dit jaar, op 8 september, en liet een bijkans volledige en volmaakt beheerde documentatie achter. Brieven van H. N. Werkman, 1940-1945, (Prive Domein, Arbeiderspers 1968, 2e druk 1982) is de mooiste briefliteratuur over beeldende kunst die men zich denken kan. Een oud-journalist (zo is Werkman begonnen), die drukker werd, bericht minutieus en met een heetrode pen welke nieuwe mogelijkheden en middelen hem dit metier, het maken van de 'druksels', dag na dag in de schoot werpt. En hoe hij door de Baalschem een ander mens geworden is.

Toen Werkman voor het eerst in de krant las - zijn vrouw Greet vertelde het mij nog kort voor haar dood - dat joden een ster moesten dragen, had hij de krant op de grond gesmeten en geweend. Toen de joden niet meer in het zwembad mochten komen, ging ook hij niet meer naar het Open Bad aan de Badstraat, tussen het NS-station en Niemeyer's tabaksfabriek.

Maar de Baalschem rechtte hem de rug en gaf hem kracht zich met alle inzet en verplichting aan het werk te zetten. In de maanden juni-juli en augustus '41 maakte hij alle ontwerpen gereed; in de zomer van '42 drukte hij de eerste suite van tien bladen, in november en december van 1943 de tweede suite van tien.

Martin Buber, in 1878 in Wenen geboren, had zich in de beslotenheid van de schrijfkamer gewijd aan het redden en restaureren van restanten Chassidische overlevering, die in het hart van het inktzwart geworden Europa nog uit levende verhalen, schriftjes, boekjes te vinden moesten zijn. Buber was 26 jaar toen hij met zijn jong-gevoelige en oud-gewortelde geest reisde over het platteland van Polen, door Galicie, langs de oostrand van de Karpaten. Hij vond een bedorven spoor, maar hij ging de weg terug naar de lichttijd van het Chassidisme.

Sinds de zestiende eeuw waren veel joden uit het roomse Habsburgs-Bourgondische Westeuropese wereldrijk naar Polen getrokken. Het was in dezelfde periode dat Oranje de Nederlanden verenigde. In Polen nam koning Sigismund (15481572) de joden ruimhartig op, hij dankte aan hen ambachtelijkheid en koopmanschap met relaties overal in Europa en daarbuiten. Het welkome verblijf duurde niet lang. De kozakken onder hetman Chmielnicki richtten nog voor het eind van de eeuw bloedbaden aan onder de joden, een kwart van hen werd omgebracht.

De pogroms zijn de geboorte en voedingsbodem van het Chassidisme geweest. In de donkere, verpauperde, weggedrukte dorpen en getto's leefden nog kleine jiddische gemeenschappen. Hun isolement, teruggetrokkenheid en verborgenheid waren hun altijd onzekere veiligheid. De paupers werden bijeengehouden door enkele grote rebbes. Zo bleef de band, de samenhang, het innerlijk vuur voorlopig nog enigzins in leven, bij alle ontreddering. Onder de rebbes was Israel ben Elieser, bijgenaamd de Ba'al Sjem Tov, hij die Gods Naam op de goede wijze gebruikt. De Baalschem (1698-1760) leefde van de chochma, de flits van goddelijk vuur, in de verbijstering om de barbarij, in de vervoering om alle dagelijkse grote en vooral kleine wonderen en vreugden. Tot in elk boomblad is de goddelijke ziel. Dat besef en die beleving droeg hij over.

In 1904 begon Martin Buber de nog in omloop zijnde verhalen van de Baalschem op te tekenen, in 1907 verscheen de bundel legenden. Toen Werkman ze las, vloeiden twee werelden ineen. De getto's van de zeventiende en van de twintigste eeuw, Werkman zelf wist zich geestelijk deel van het getto, in de eenzaamheid van zijn eigen kunstenaarschap dat een strijd was om het overleven van beschaving. In zijn afzondering wekte hij de legenden tot leven, die ook zijn Endlosung tot gevolg zouden hebben - op 10 april 1945 werd hij gefusilleerd, met nog 9 gegijzelden, in de bossen van Bakkeveen in Friesland. Zijn graf is er onder de rechtopstaande steen (joodse gewoonte) met het rozeboompje dat zijn dochter plantte. De Canadezen en Polen stonden al voor de poorten van Groningen, dat op 10 mei zou worden bevrijd.

Werkman was door de SD op het 'Scholtenshuis' aan de Grote Markt opgepakt omdat hij een “bolsjewist” was, hij had Dostojevski in huis, die was al in 1934 in de Sovjet-Unie verboden. Hij was een “Surrealistisch Schwein”, want hij schilderde een paard groen met bruine stippen. En, 't ergst, hij was gevaarlijk om zijn “Judenfreundliche” werk.

Tot in zijn cel, tussen de arrestatie op 13 maart en de fusillade op 10 april, bleef hij de Chassidische verhalen bij zich dragen en doorvertellen aan zijn celgenoten, onder wie de Groningse fietsenmaker Glaudee, die zijn winkel tot op hoge leeftijd had bij het viaduct over het spoor. Men kan het nalezen in de biografie van Hans van Straten, Hendrik Nicolaas Werkman, de drukker van het paradijs (1963, 3e druk 1980). Werkman en de Nederlandse literatuur hadden zich geen beter biograaf kunnen wensen. En men heeft het kunnen zien in de door de NOS uitgezonden film Ik ga naar Tahiti van Gerard Verhage, naar een script van Ger Beukenkamp.

Het Chassidische leven was geen idylle en de oorlogsjaren waren geen romantiek. Wie vandaag zijn beleving ervan daartoe reduceert begaat de eeuwig herhaalde en onvergefelijke reductie die historie en kunst verkleinen tot de maat van de eigen gevoelsbegeerten. Waarom vonden de Chassidische Legenden en 'De Blauwe Schuit' elkaar en waarom versmolten de Baalschem en Werkman haast tot een symbiose? Omdat in zo brutale barbarij, in zulk meedogenloos kwaad, in zo'n totale onmacht en uitzichtloosheid elke straal licht legitiem en geboden is. Elke fantasie, elke projectie van de eigen ziel, al die toverlantaarnplaatjes van restanten onvernietigde droom en visioen in mensen mogen en moeten dan tot uitdrukking worden gebracht. Schoonheid als wapen tegen angst. Zoals men kinderen in de schuilkelder verhaaltjes vertelt, toen en nu, in Bosnie. Werkman schreef, op 15 juli 1942, aan Henkels' vrouw Julia, dat hij zijn paradijselijke druksels maakte “omdat het op deze wereld haast niet meer uit te houden is”.

Het drukken van de 'Chassidische Legenden' was voor Werkman zijn manier om te overleven en precies daarom de oorzaak waarom hij zou worden omgebracht. Om geen andere reden zijn de druksels wereldwijd beroemd geworden en erkend als klassieken van de moderne kunst.

Werkman had, zoals de Baalschem al heel vroeg vaderloos was geworden, op negenjarige leeftijd zijn vader verloren, de veearts in Leens bij Ulrum. Zijn geboortedorp op het Hogeland en de Lage der Aa en de Turftorenstraat in het intieme stadshart van Groningen, dat waren voor Werkman wat voor Chagall het stadje van zijn jeugd, Vitebsk in Wit-Rusland is geweest. De ingezakte huisjes, de troosteloze steegjes, daar zweefden de vioolspelers, de acrobaten en de verliefde paartjes boven de grauwe alledaagsheid uit, in het donkerwarme kleurenpallet van de kunstenaar.

Zoals Chagall schilderde, zo drukte Werkman. Zijn drukkunst was een schilderen geworden. Toen Martin Buber, die in 1965 in Jeruzalem overleed, na de oorlog in Amsterdam de Chassidische druksels van Werkman nog van August Henkels te zien kreeg, vroeg hij hem: “War er Jude?” Ja, in de geest van zijn vereenzelviging.

Werkman illustreerde niet zozeer de verhalen die hij las, hij koos er een paar regels uit, zoals een predikant die twee of drie verzen uit de Schrift kiest voor zijn preek. De druksels vertellen zo een eigen volledig en voor de beschouwer zelfstandig 'leesbaar' verhaal. Henkels heeft er wel commentarierende samenvattingen bij geschreven en zo heeft Werkman het zelf ook uitdrukkelijk gewild, omdat het hem juist te doen was om de symbiose waaraan hij zijn vervoering en nieuwe scheppingskracht te danken had. Zonder de Chassidische Legenden was de ongekende ontwikkeling van de drukkunst, beoefend door Werkman, nooit tot zo grote voltooiing gekomen.

Wat was dat levenwekkende dat als een kolenvuur brandde in het koude zolderatelier van de drukker? Het is met een woord gezegd: het worden opgericht. Van ieder van de twintig bladen is die levenskracht af te lezen. Hier volgen twee van de aangrijpendste voorbeelden.

Het tweede blad van de eerste cyclus heet Vaders en Zonen. Het verhaal zelf heet De Weerwolf. Als de latere Baalschem twaalf jaar geworden is, de leeftijd waarop de jood bar-mitswa wordt, in de sjoel Tora mag lezen, omdat hij er verantwoordelijkheid voor op zich kan nemen, verzamelt de jonge Israel ben Eliezer, die alleen op de wereld is komen te staan, de kinderen van het stadje en brengt ze naar het bos waar hij hun de bomen en de dieren openbaart. De kinderen raken bevrijd uit het ineen gedrukt zijn in het getto, zij worden buiten weer springlevend. Het is geen retour a la nature, maar de doodscultuur van mensen wordt even verdreven door de beginnatuur van het voorjaar. De Weerwolf was voor de Baalschem de Kozak, voor Werkman is het Hitler. Hij kiest voor zijn prent de regels van de legende waar de kinderen weer gelijken op hun vaders en gebogen naar het getto teruglopen. Het was in het voorbijgaan, een flits die hen had opgericht. De barbarij is niet uitgewoed. Later pas in het verhaal zal de jonge Baalschem de Weerwolf het hart uitrukken, waardoor deze dood neerstort. De Weerwolf is de Fuhrer, de Baalschem is de weerloze knaap, later de oude man die teruggekeerd is naar de onschuld van zijn jeugd. 'In principe' en 'op termijn' wordt het kwaad verslagen, eenvoudig door het onbevangen, onschuldig, ongerept zijn, zo zal het goede zich weer oprichten en zullen de rechtvaardigen leven.

Vervolg van pagina 17

Het tweede voorbeeld is de achttiende prent: Sjabbat der Eenvoudigen, de betreffende legende heet Das dreimalige Lachen. Waarom, vroegen op een sabbatavond zijn toehoorders aan tafel, lachte de Baalschem driemaal zo luid? Toen vertelde hij van een oude jood die vroeger in goede doen was geweest, maar nu geen zloty meer in huis had waarvan zijn vrouw de inkopen kon doen voor het sabbatmaal. Hij verbood haar bij anderen hulp te vragen.

Verslagen ging hij naar de synagoge voor het vrijdagavondgebed. Toen hij thuiskwam zag hij de vensters helder verlicht, op tafel stonden spijs en drank, de sabbatluchter brandde. Hij meende dat zijn vrouw zijn gebod had genegeerd, maar hij hield zijn woede in vanwege de komst van de sabbat. Hij sprak de zegen over brood en wijn. Toen zij aten vertelde zijn vrouw hoe zij zich plotseling had gerealiseerd dat op zolder in de kist nog haar bruidsjapon bewaard lag met de gouden en zilveren filigraanknopen. Ze had ze gauw bij de goudsmid te gelde gemaakt. Toen stond de vrouw op en leidde haar man langzaam dansend rond de sabbattafel. Na het eten van de soep nogmaals.

En bij de toespijs ten derden male. Daarom moest de Baalschem bij het terugdenken aan deze geschiedenis driemaal lachen. Wat treft in dit verhaal is niet alleen de onversleten intieme vreugde van het oude bruidspaar, de bewarende en herstellende kracht van het oeroude ritueel dat alle historie heeft overleefd en mensen blijft samenhouden, maar daarin ook de praktische en nuchtere zin van de vrouw die weet dat het huishouden moet lopen. Dat er een oplossing gevonden moet worden en dat die er moet zijn. Werkman tekent met uiterst eenvoudige lijnen, in zwarten, groenen en gelen, de dans van de twee gekromde mensen. Zo zal hij, intens liefhebber van jazz en klassiek en onversleten minnaar, in de kleine huiskamer aan de Groningse Prinsesseweg, waar joden verborgen werden gehouden, bij de koffergrammofoon met zijn Greet een dansje hebben gemaakt.

De 'Chassidische Legenden' werden in 1967 opnieuw gedrukt en uitgegeven, als jubileum-uitgave van Henkes Grafische Bedrijven in Haarlem. In 1986 zijn ze opnieuw gedrukt door Wolters-Noordhoff in Groningen, met uiterst geslaagde zorg voor de imitatie van het 'primitieve' procede en de middelen waarmee Werkman moest werken. Zo is dit grote Werkman-monument, dat door zijn hand een Chassidisch en daarmee een monument uit het diepst van het Europese geestesgoed werd, tot op vandaag beschikbaar.

Wat een financiele waarde nooit kan uitdrukken, dat is de geestelijke waarde van het kunstwerk. Een waardenbeleving die het opportunisme, het meelopen, het afglijden naar oude en nieuwe barbarij weerstaat. Zonder heldendom van verzet, alleen de vonk van de geest blijft werken, voor wie daar aanstekelijk ontvankelijk voor is. De chassid is de laatste der rechtvaardigen, degene die waarheid, waardigheid en waarden, en daarom rechtschapenheid, gerechtigheid en recht niet inlevert voor een bord linzen, een zak zilverlingen.

Werkman is inderdaad een monument van Europese identiteit en formaat. Hij die Groningen alleen een keer heeft verlaten voor Keulen, Parijs en Amsterdam. Toen het Verdrag van Maastricht onlangs in werking moest treden, met al zijn haperingen en leemtes, riep Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie in Brussel: “Geef Europa een ziel.” Europa heeft een ziel. Europa is duizend zielen, de Chassidische ziel is er een van en de Groningse.

In het Europese Huis zullen vele woningen moeten kunnen zijn. Europa zal altijd een meerderheid van minderheden zijn, die ook niet door een grote supermarkt is te uniformeren. Het is te vrezen dat de ziel van Europa juist door de brutale technocraten en gulzige geldwolven wordt vermorzeld. De Chassidische Legenden zijn in hun zachtmoedige overlevingskracht een oproep tegen de nieuwe verwildering, de duistere instincten die Europa niet hebben verlaten. We zijn met deze eeuw nog niet klaar.

In Groningen zal het oeuvre van Werkman, samen met het werk van 'De Ploeg', de groep die dit jaar 75 jaar bestaat en waarvan Werkman in 1920 lid werd, volgend jaar permanent worden geexposeerd in het oostelijke paviljoen van de nieuwbouw van het Groninger Museum. Het is de bange vraag of dit teruggetrokken en ingetogen werk, bij alle expressionistische kleuren-extase, daar onder die spetter-cultuur niet verpletterd wordt. Hij die zo wars was van snobisme, commercialiteit en waan van de dag, wat zouden zijn glinsterogen zien in deze tempel van de 'deconstructivisten', van de business-art, van de snelle moderne jongens met hun merchandising en entertainment? Zal Hendrik Werkman, zullen zijn druksels zich niet opnieuw terugtrekken?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden