Review

De dageraad, zei ik, beleef je ook al geloof je er niet in

Blanke Surinamer, jood, kannonier, auditeur-militair, rechter, dichter, Trouw-criticus Hugo Pos wordt zondag 80 jaar - een onbeduidend voorval als je de turbulentie van zijn leven overziet: “ik ben geen jaardagenman”. Vandaag verschijnt zijn kwatrijnenbundel 'Voordat ik afreis'. “Als je 25 bent schrijf je zoiets niet, tenzij je een heel somber iemand bent. En dat ben ik niet.” Hugo Pos, 'Voordat ik afreis, nestoriaanse kwatrijnen', uitg. In de Knipscheer, 77 blz. - f 27,50; Jos de Roo, 'Oost en West en Nederland, episodes uit het leven van Hugo Pos', uitg. In de Knipscheer, 170 blz. - f 25,.

AREND EVENHUIS

De ergste straf die hij zich uit die dagen herinnert was het verbod om zijn vier jaar oudere broer uit te zwaaien toen die per KWIM-schip (Koninklijke WestIndische Mail) naar Suriname terugging. “Laten we aannemen dat ik iets verschrikkelijks had gedaan, God mag weten wat, maar ik mocht 'm niet wegbrengen. Zo'n KWIM-schip vertrok eens in de drie weken en deed er 18, 19, 20 dagen over. Daarmee ging ook de post naar mijn ouders mee, de briefwisselingen voltrokken zich dus langzaam, het schip was de verbinding met mijn ouderlijk land.”

De straf leverde nog iets ten goede op: hij maakte zijn eerste gedicht, al weet hij niet meer waarom dat nou in het engels moest. (My brother is going to Surinam / but I have to stay at home.)

In Leiden, waar hij rechten studeerde, schreef 'de student-poeet bij uitstek' een vers op NSB-leider Mussert. 'We hebben slechts in brute macht geloofd, / Orbo Orbini, jij was onze hoop, / jij temde leeuwen en je lachte luid, / nu ben je dood en ook jouw lied is uit.' Een NSB-blaadje typeerde het als voorbeeld van decadent salon-communisme.

De nacht na de capitulatie fietste hij naar Wassenaar om afscheid van een vriendin te nemen. Op de Wassenaarseweg kwam iemand naast hem fietsen, een metaalarbeider of bootwerker, Pos kende hem niet. Al fietsend kwamen ze tot de conclusie dat ze - met en zonder joodse achtergrond - weg uit Nederland en naar Engeland moesten, en wel zo snel mogelijk. Ze ontmoetten nog iemand, die in Rotterdam een NSB-er in elkaar had geslagen, met wie ze een marinesloep kaapten. Nederlandse soldaten hielpen hen met het zeeklaar maken, en vulden zelfs een emmer met water, het enige voedsel. Het besluit om te vertrekken zou een van zijn stelregels worden: als er een catastofe dreigt moet je meteen handelen.

Engeland haalden ze niet. Ze hadden geen kompas, na 24 uur was de olie op, vier dagen zwalkten ze op de Noordzee om ten slotte bij het Belgische Nieuwpoort aan te spoelen. Onderweg had Pos nog geprobeerd de Gazelle van de metaalwerker overboord te gooien omdat het nogal krap aan boord was, maar de fiets moest en zou mee naar Engeland. Om de tijd te doden draaien ze om beurten maar wat aan de pedalen. Het was koud, ze waren 'in die prachtige meimaand' licht gekleed vertrokken.

In Belgie probeerden ze zich tevergeefs bij de hals over kop terugtrekkende Engelse soldaten te voegen. Ze bivakkeerden vier dagen in een wijnkelder, laafden zich aan de aanwezige wijnen en artisjokken, terwijl boven hun hoofden Duinkerken in puin werd gegooid. Ze gingen uiteen, Pos heeft de andere twee nooit meer ontmoet. “We waren geen vrienden, het lot had ons bijeengegooid.”

Terug in Nederland monsterde hij in Delfzijl als kok aan op de kustvaarder 'Mascotte'. De weg naar Engeland voerde eerst naar Finland, waar hij schip en bemanning in de steek liet. Het kostte nogal wat moeite om daar een visum voor de Sowjet-Unie te krijgen. 'Zo, jij komt uit Nederland', zei de consul, maar jullie hebben Rusland niet erkend'. 'Dat is waar', soebatte Pos, 'maar wat kan ik daar aan doen?' Hij kreeg zijn visum en kocht een kaartje voor de Trans Siberie Expres naar Vladivostok. De Russen legden hem geen haarbreed in de weg maar namen hem in Leningrad zijn in Helsinki gekochte mes af. Op miraculeuze wijze reisde dat Finse mes hem de hele Sovjet-Unie achterna, want in Vladivostok kreeg het van de douane terug.

Samen met gevluchte Noren en orthodoxe joden uit Litouwen scheepte hij in op een Japanse vrachtvaarder naar Tokio. Het was een soort slavenschip, ze werden in het ruim gepropt en kregen amper voer. In Tokio - Japan had het pact met Duitsland en Italie maar was nog niet in oorlog - belde hij de Nederlandse consul. Het kostte nogal wat moeite om uit te leggen waar hij vandaan kwam en naar toe wilde (Engeland, nog steeds) maar toen de consul, die met een Surinaamse getrouwd was, hoorde dat hij uit Suriname kwam en bovendien de ouders van zijn ega bleek te kennen, draaide de wind als bij toverslag: 'blijf even wachten, ik kom je met de auto halen'.

In Nederland was hij voor militaire dienst afgekeurd maar in tijd van oorlog gelden andere maatstaven. Hij diende zich als vrijwilliger aan bij de Irenebrigade in Canada, vanwaar hij nou eindelijk wel eens in Engeland zou belanden. Voor zijn vertrek naar Engeland bezocht hij zijn ouders. Suriname was zeer proNederlands, pro-Oranje, met pro-geallieerde bewegingen als 'Suriname Waakt'. Pos moest voor afgeladen bioscopen uitleggen hoe de toestand in bezet Nederland was, hij kreeg het voor elkaar om zo'n 500 vrijwilligers te recruteren. “Nederland heeft ze niet laten komen, ik weet nog steeds niet waarom. Volgens Lou de Jong zou de minister van oorlog hebben gezegd dat er ook Zuidafrikanen wilden meevechten en dat het met al die gekleurde mensen onderling niks zou worden. De vrijwilligers zijn om raciale gronden geweigerd, dat is heel droef.”

Hij werd kannonier bij de koopvaardij, aan boord van de 'Flora'. Op een nacht werd de 'Flora' door een U-boot getorpedeerd. Vanaf het achterdek beantwoordden Pos en zijn maat het vijandelijke vuur - het was zo'n paniek dat hij zijn oordoppen vergat en half doof raakte. De 'Flora' was in de machinekamer geraakt en zonk. Een van de duikboten kwam langszij de reddingsloepen.

“De commandant vroeg ons of we wisten waar we waren en of we iets nodig hadden. Ik streelde met mijn handen het dobberende gladde monster. Vijf minuten lang heb ik de vijand geliefkoosd, als het ware met hem gecollaboreerd. In de reddingsboot rochelde de gewonde machinist (die een dag later zou sterven). 'Nee we hebben niets nodig', zei de kapitein, 'we kunnen op eigen kracht de kust bereiken'. In de overvolle reddingsboot haalden we de kust van Colombia, ergens op de grens met Venezuela. Het was de wilde kust: jungle. Enkele Indianen, die nog minder te eten hadden dan wij, kwamen op ons af en keken meewarig toe”, vertelt Pos in 'Oost en West en Nederland'.

Tot zijn stomme verbazing en niet geringe voldoening kwam hij er pas in 1986 achter dat hij destijds een duikboot geraakt heeft. Dan verschijnt de 'Geschiedenis van de Nederlandse koopvaardij in de Tweede Wereldoorlog' van K.W.L. Bezemer, waarin de neergang van de Flora minutieus staat beschreven:

'De Duitse onderzeebootkapitein Witte beschrijft in zijn journaal hoe het getroffen schip direct scherp afdraaide en het vuur beantwoordde. “Dat is vervelender, vooral op deze kleine afstand. Ook ik draai nu, met volle vaart, eerst af.” Het doel bleef doorvuren en reeds spoedig liepen het schip en de U 159, maar nu op grotere afstand, naast elkaar op. Na enkele minuten boekte het beschoten schip van zijn kant een voltreffer op de tegenstander (“ein glucklicher 10,5 Treffer ins achtere Deckshaus”.) Witte dacht dat het schip, door de rook van de op de U 159 ontstane brand, niet meer zuiver kon schieten. Daarom wilde hij het niet opgeven, hoewel het schip “schon verdammt gut eingeschossen” was, maar nu steeds miste. Men zag hoe boten werden gestreken; “spoedig stond het schip in lichterlaaie en ik geef bevel het vuren te staken - het stoomschip kentert brandend over stuurboord - ik ga naar een reddingsboot en hoor van de tamelijk stuurse inzittenden als naam 'Flomar', van 5551 ton.” '

De duikbootkapitein verwart naam en tonnage volgens Bezemer met een - bestaand - Amerikaans schip; de Flora was 1417 ton. Maar dat hij Hugo Pos en diens mede-drenkelingen, opeengepakt in een sloep, als 'tamelijk stuurs' omschrijft - dat is alsnog het understatement van de eeuw.

In november 1944 werd Pos naar Hollandia op Nieuw-Guinea gestuurd, in het 'eilandspringende' kielzog van MacArthur. “Na de jungle-training van drie weken in Australie, waar ik in palen moest klimmen en denkbeeldige rivieren moest oversteken, en meer van dat soort dingen die ik in de praktijk nooit he hoeven doen, voelde ik me echt fit. Ik verlangde er naar om eindelijk zelf ook weer eens iets te gaan doen voor de goede zaak. Dat is heel gek. Je mijdt het gevaar niet echt; als zo'n oorlog aan de gang is en je eenmaal partij hebt gekozen, dan wil je ook meedoen. Er zijn betrekkelijk weinig jonge mensen die wegkruipen. Als die magneetwerking van de oorlog er is, moet je van heel goeden huize zijn om uit verheven pacifistische overwegingen te kunnen zeggen: 'Nee, ik doe niet mee'. Ik vond het fijn om als een van de eersten uitgezonden te worden. Ik werd als substituut-auditeur-militair bij de temporaire krijgsraden belast met de vervolging van de mensen die zich misdragen hadden; ik werd dus een soort officier van justitie.”

“Toen ik er kwam was er net een geruchtmakende rechtszaak geweest. Een Javaanse dwangarbeider had op een gegeven ogenblik een andere Javaanse dwangarbeider onthoofd. Het waren geronselde werklieden die voor de Japanners moesten werken. Een van hen had het werk gesaboteerd of iets anders gedaan wat in de ogen van de Japanners niet goed was. De Japanse bewaker zei toen gerriteerd tegen de andere werklieden: 'Die man moet onthoofd worden.' Niemand deed iets, de rij werklieden hield zich stom, deed alsof ze het niet begrepen. Er zijn honderden manieren om niet mee te doen, de beste is om je zo stom mogelijk te gedragen. Maar een van de werklieden stapte naar voren en zei: 'Saja suka potong leher.', ik wil hem wel de nek afsnijden. Hij zei het in een opwelling, hij had niets tegen de man, wilde hoogstens een goede beurt bij de Japanners maken, laten zien waartoe hij, in zijn nederige positie, in staat was. De Japanner gaf hem zijn zwaard, en waarachtig, hij kapte het hoofd van zijn mede-arbeider af.”

“Het was de eerste zaak waarmee ik kennis maakte in Hollandia. Het geeft je een vreemde indruk van wat er allemaal in een mens om kan gaan, hoe het kwaad dat in ons schuilt op een gegeven ogenblik ongeremd naar boven kan komen. Er was niets gebeurd als de man niet naar voren was gestapt, het arme slachtoffer had best nog kunnen leven, waarschijnlijk had de Japanner het enkel als een waarschuwing, een bedreiging bedoeld, zoals ze dat om de haverklap plachteen te doen. En ineens, zonder vooroverleg of wat dan ook, ontwaakt er een demon in deze man, die hem iets laat zeggen en doen wat nauwelijks te begrijpen is. Met zulke situaties heb je te maken als je over oorlogsmisdadigers praat. Ik heb het niet over de weloverwogen en minutieus uitgedachte vernietigingskampen en gaskamers van de Duitsers; hoe een volk meer dan een miljoen kinderen koelbloedig heeft kunnen vermoorden, daar kan ik geen verklaring voor geven. Ik heb het nu over handelingen en plannen die niet vooraf langdurig worden gesmeed, die soms binnen een paar minuten worden uitgevoerd.”

De belangrijkste les die hij van het oorlogstribunaal in Tokio - waar hij als prosecutor minor war crimes werkte - leerde, was het feit dat elk mens verantwoordelijk voor zijn eigen daden is. “Je komt er niet van af door te zeggen: ja maar ik moest het van mijn superieuren doen. Als daden in strijd zijn met de elementaire mensenrechten, dan moet je ze niet uitvoeren. Hooguit kun je ikmoest-het-wel-doen als verzachtende omstandigheid aanvoeren, maar je blijft zelf verantwoordelijk. Niet alleen soldaten verwezen naar hun superieuren, ook officieren; dat ging als een piramide tot aan de keizer door.”

Na de oorlog was hij rechter in Suriname, Amsterdam en Den Haag, schreef hij artikelen voor kranten en literaire tijdschriften, regisseerde hij zijn eigen toneelstuk 'Viva la vida!' ('Leve het leven!'), een 'weinig vrolijk' stuk over een mislukte coup in een denkbeeldig Zuidamerikaans land. Er vallen veel doden op het toneel, maar ach, dat gebeurt in stukken van Shakespeare ook. En bovendien viel er ook nog veel te lachen. Het doet hem pijn dat de 8 decembermoorden nog steeds niet berecht zijn, maar hij spreekt daar niet over. “Ondanks alles noem ik mezelf geen pessimist, misschien doordat ik dat eenvoudigweg niet wil, dat is mij een te gemakkelijke levenshouding. Na 'Japan' en nadat er normen voor de mensenrechten waren vastgelegd, had ik het idee dat er een iets menselijker wereld zou komen. Maar men moet geen te hoge dunk van rechtspraak hebben. Verbitterd? Ik ben niet blind voor dat wat gebeurd is. Als ik over Auschwitz lees, dan treur ik. Maar het vastleggen van mensenrechten beschouw ik toch nog steeds als een - mogelijke - wending in de geschiedenis. Met de coup van Bouterse houdt dat dan meteen weer op.”

Opeens wordt Pos wat ongedurig: “We hebben het nog helemaal niet over literatuur gehad!' En als dat niet z'n lust is, dan toch zeker wel z'n leven. Jos de Roo sprak uitputtend met hem voor de Wereldomroep, bundelde die gesprekken, en getrouw aan de Van Het Een Komt Het Ander-theorie vroeg Arbeiderspers-chef Martin Ros hem om voor Maatstaf over Suriname te schrijven aangezien Pos zoveel 'goede anecdotes' wist te vertellen. Een beetje lullige opmerking vond hij dat, maar door zijn beschouwingen over Suriname leerde hij 'dat het veel leuker is om zelf verhalen te schrijven'. Het vervelende daarvan is weer dat hij als Surinaamse Schrijver wordt geetiketteerd. 'Couperus was een Nederlands schrijver maar die mocht ongeremd over Italie schrijven, zoals ook Slauerhoff over China. Je kunt kennelijk niet uit Suriname komen zonder over Suriname te schrijven. Maar ik geef toe: de meeste van mijn verhalen hebben een Surinaamse achtergrond.”

De seizoenen van het jaar - en dus van het leven - zijn niet louter aan Suriname voorbehouden en vormen het thema van zijn 'nestoriaanse kwatrijnen'. Pos draagt ze op aan Li Shizhuo (1728) met diens inscriptie:

'IJzig is het groen in de noordenwind

Oude tijger met je roofdierenblik,

je tilt je poot op

maar waar blijft de woeste sprong?'

Hugo Pos zelf weet ondertussen verdomd goed wat nestoriaanse kwatrijnen zijn:

Ik-verzen, weet ik, maar wat blijft er over,

de doden zijn gedaan, ze zijn soms zo nabij

dat als ik met ze praat, 't is of ik mij vermei

in hun inschikkelijkheid. Het wachten is op mij.

Soms denk ik dat de maan dit jaar

zich niet laat zien. Spelt dit gevaar

vraag ik mijn vrouw. Zij zegt: 'Welnee,

je hoofd zakt steeds meer naar benee.'

Wat heeft de dageraad voor zin,

dat was de vraag, ik gaf college.

De dageraad, zei ik, beleef je

ook al geloof je er niet in.

Laatbloeier zeggen ze. Houdt dat soms in

dat ik daarvoor net als een spin

een web gebouwd en het naar mijn zin

had met af en toe een vlieg erin?

Gekrompen in de was

zet dat maar kort en bondig

boven mijn doodsbericht.

Of ik dat meen? Hartgrondig.

Bij het afscheid bezweert hij: “Maak er geen heiligenverhaal van he, daar kan ik niet zo goed tegen.”

Natuurlijk niet, sputter je dan ogenblikkelijk. Dat zou al niet eens kunnen bij iemand die in leven, wijsheid en welzijn verkeert. Maar alleen al de metaforische rol van het Finse mes dat hem een werelddeel lang (Heilig Hart, Damocles, zwevende hostie, Macbeth?) mee- of achterna reist - die rol vertakt en echoot nog een flinke tijd voort. Dat houdt niet zo maar op.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden