Review

De dag overdacht als de schaduw valt

We hebben onze zinnen verloochend in de omgang met de natuur, meent antropoloog en filosoof Ton Lemaire. Als God niet in de natuur schuilgaat, dan is ze bron van economisch gewin. Lemaire verkent in 'Met open zinnen' -zijn jongste, tiende boek- een derde weg: spiritueel naturalisme, 'een filosofie van de aarde als onze woonplaats'. De filosoof die bitter universiteit en Nederland de rug toekeerde, woont nu in Frankrijk en is milder geworden. Een zinnelijk pleidooi voor verantwoord genot.

Vanaf een hoogte zie je enkele dieren in de diepte, mogelijk runderen. Er is geen mens te zien. De natuur is met zichzelf alleen. Het omslag van Ton Lemaire's nieuwste boek toont ons een landschap in ochtendnevel. Het is een ontwakend landschap dat door zijn mistige omfloerstheid iets heeft van onschuld en openheid; het is nog niet definitief zoals het geval is wanneer een heldere middagzon onverbiddelijk de harde lijnen laat zien van elk ding en dier.

Het zou ergens in Zuid-Limburg kunnen zijn. Of misschien wel in de Dordogne, waar Lemaire zich heeft teruggetrokken. 'Met open zinnen' vangt aan met de ochtend zoals die in de kunsten verbeeld, verwoord en verklankt werd. Een mooi begin, maar het is nog open waar Lemaire naar toe wil. Die ochtendmystiek, de laatste slierten mist, worden snel verdreven door de heldere en scherpe analyses die daarop volgen.

In grote lijnen komt het erop neer dat wij in onze omgang met de natuur onze zinnen hebben verloochend. Enerzijds heeft Europa de natuur teruggebracht tot natuurwetenschappelijke calculus en economische rekensom; anderzijds heeft men in sommige theologisch-filosofische stromingen (met name bij Hegel) de natuur opgevat als de verschijningsvorm van God of Geist. Het is wel duidelijk dat de eerste houding de natuur geweld aandoet. Maar geldt dat niet evenzeer als men voorbijgaat aan de zichtbare natuur om daarachter of daarboven te zoeken naar een spiritueel beginsel ervan? Die weg voert naar levenloze abstracties, zonder de geuren en kleuren van de natuur. Daarom pleit Lemaire voor een middenweg in de vorm van 'spiritueel naturalisme'. Alleen dat kan de basis vormen voor 'een filosofie van de aarde als onze woonplaats'. En die filosofie wordt werkelijkheid als wij onze zinnen openen voor de natuur: wanneer we oog en oor hebben voor een streep maanlicht op het water, het gezoem van een insect, de trilling van warme lucht langs een zomerse berghelling. Want dan voelen wij ons lijfelijk verbonden met de elementen en het leven. Dat stelt ons in staat tot een naturalistisch hedonisme, maakt het mogelijk dat we van de natuur genieten, zonder dat we ons verliezen in de stroom van indrukken omdat we als denkende wezens ook altijd meer dan natuur alleen zijn.

'Met open zinnen' is Lemaire's tiende boek. Bekendheid kreeg hij met 'Filosofie van het landschap' (1970) en vooral met 'Over de waarde van kulturen' (1976) dat jammer genoeg niet de vertaling (en daardoor ruimere verspreiding) kreeg die het verdiende. Een cultuurfilosofisch handboek, dat tegelijkertijd doordacht werd geconstrueerd tot kritisch compendium onder meer door de begrensdheid van onze cultuur te tonen in de spiegeling van andere culturen. Als antropoloog-filosoof had hij bij uitstek de beschikking over de daartoe geëigende gereedschappen. Heldere samenvattingen van denkers en thema's, pregnante formuleringen, intelligente analyses, denken op het snijvlak van natuur en cultuur: dat is Lemaire. Zijn eerdere 'Over de waarde van kulturen' is vooral filosofisch-rationeel. In 'Twijfel aan Europa' (1990) dat zijn afscheid van de Nederlandse universiteit was en zijn meest verbitterde boek werd, neemt hij onze neo-liberale samenleving de kritische maat. Daarin heeft hij het over 'de algehele mobilisering' en de 'panische bedrijvigheid' van ons bestaan in de laat-kapitalistische samenleving, waarin 'de warenwereld de ware wereld is', en waarin 'de bevrijding van kerk en godsdienst is opgevolgd door spirituele leegte'.

In 'Met open zinnen' is Lemaire onverminderd kritisch maar de grondtoon van zijn boek is toch milder. Dat komt omdat hij eerder naturalistisch hedonisme bepleit dan dat hij banaal consumentisme aanklaagt. Zijn laatste boek is ook in die zin anders omdat het, door de benadrukking van zintuiglijkheid, een veel sterkere esthetische inslag heeft. Natura artis magistra, de natuur is de leermeesteres van de kunst; en de kunst onderwijst ons in de zinnelijkheid van de natuur. Vaak verwijst Lemaire naar schilderkunst, dikwijls citeert hij gedichten. Hij besteedt een heel hoofdstuk aan de sublieme natuur, een idee dat rond 1800 ingang vindt in Europa als men de onder indruk van de industriële revolutie de verhouding met de natuur als problematisch gaat ervaren. In dat begrip 'subliem' zetelt de verhevenheid, ongereptheid, en ongetemdheid van de natuur: hoge bergen, diepe afgronden, woeste watervallen, onherbergzame woestijnen. Lemaire gebruikt het concept van het sublieme als grensbegrip, als bevatting van dat wat groter is dan de mens, en als een toegang tot de natuur die niet wetenschappelijk-technisch en overheersend is. Als 'genotvolle verschrikking?'(naar de omschrijving die E. Burke gaf in 1757) is het sublieme een directe, bijna onbemiddelde, en daarmee sterk zintuiglijke ervaring van de natuur.

Net zoals 'Over de waarde van kulturen' is ook Lemaire's laatste boek de ontplooiing van zijn veelbelezenheid. Hij schrijft (bij voorbeeld) helder over taalfilosofie, over het zogenaamde 'linguïstische relativiteitsprincipe' volgens welke er een overeenkomst bestaat tussen de taalstructuur van een samenleving en haar visie op de werkelijkheid. Indo-Europese talen kennen een taalstructuur met zelfstandige naamwoorden en werkwoorden, waardoor men eerder geneigd is de natuur te begrijpen als een verzameling afzonderlijke, zelfstandig bestaande dingen of processen waaraan eigenschappen worden toegekend. We begrijpen dat dit eerder voert naar een Verdinglichung, een objectivering van de natuur. Deze these stamt onder andere van Sapir, een antropoloog die zich inmiddels heeft toegelegd op de etnolinguïstiek, zodat in zijn aandacht hiervoor Lemaire's antropologisch verleden zich spiegelt.

Lemaire is onverminderd scherpzinnig in zijn ontleding van onze cultuur. En hij heeft daarbij zijn gevoel voor paradoxen niet verloren. Het is toch merkwaardig dat onze cultuur zo gericht is op het sensuele, op het onophoudelijk ondergaan van indrukken, nieuwsflitsen, reclamespots, videoclips, posters en billboards (het knettert en spettert ons rond ogen en oren), terwijl ze zich heeft afgesloten voor de kleurenpracht van een vlindervleugel, de geur die opstijgt uit een bos waar het pas heeft geregend, de roep van een verre vogel. Nooit waren onze gewaarwordingen van de werkelijkheid intenser en nooit werden deze meer gemanipuleerd en geamputeerd.

'Met open zinnen' is ook meer bezonnen dan Lemaire's eerdere boeken. Hij mijmert over de zin van ons zijn, omdat hij zich bewust is van de vluchtigheid en onvolmaaktheid van ons bestaan. Zo'n meditatie past ook in zijn laatste hoofdstuk, dat over de avond gaat. Want 's morgens gaan we naar buiten, maar als de schaduwen vallen denken we na over de dag. De uil van Minerva (symbool van de wijsheid) vliegt uit bij het invallen van de avondschemering. Was het misschien geen ochtendnevel maar avondmist op de omslag van zijn boek? Nee, zo neerslachtig is Lemaire niet: ,,Wanneer de Sirenenzang van vooruitgang, groei en consumptie ons niet meer kan verleiden, kunnen we misschien weer de zang van de aarde vernemen. Want morgen zal in ieder geval een nieuwe dageraad gloren, zal de wereld opnieuw geboren worden...'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden