De CHU: meer een levenshouding dan een politieke keuze

(\N) Beeld
(\N)

Het ging de Christelijk-Historische Unie niet om de macht, maar om het gezag van de door God ingestelde overheid. Marcel ten Hooven en Rond de Jong stelden de historie van een merkwaardige partij te boek.

Jan Kuijk

’Een vriendenkring van redelijk relativerende medelotgenoten – geen politieke partij die in de eerste plaats uit was op het uitoefenen van macht en invloed.’ Zo keek de laatste voorzitter van de CHU, Otto baron van Verschuer, in 1980 bij de fusie met het CDA terug op de geschiedenis van zijn partij, die nadrukkelijk geen partij wilde zijn.

Marcel ten Hooven en Ron de Jong dragen in hun boek ’Geschiedenis van de Christelijk-Historische Unie 1908-1980’ materiaal genoeg aan om te begrijpen waar Van Verschuer het over had. Maar wie de andere kant uit wil, wie met de Leidse rechtsfilosoof Andreas Kinneging wil betogen dat de CHU ’de enige waarlijk conservatieve stroming was, die Nederland gekend heeft’ kan ook bij Ten Hooven en De Jong terecht. Het is duidelijk dat het om een gecompliceerde geschiedenis gaat en dat resulteert in een op geoefende lezers toegespitst boek.

De CHU was een zijstroom van de in 1878 door Abraham Kuyper gestichte anti-revolutionaire partij, de eerste professionele massapartij van ons land en zo’n tien jaar later ook het politieke tehuis van zijn kerkelijke volgelingen: de gereformeerden. Binnen die ARP was De Savornin Lohman Kuypers politieke en karakterologische tegenspeler. Hoewel Lohman met Kuyper in de Doleantie was meegegaan, bestond Lohmans achterban nagenoeg geheel uit de hervormd gebleven kiezers die voortgingen het ideaal te koesteren van de ene en organisatorisch herkenbare volkskerk en Kuypers bazige optreden in kerk en politiek niet pruimden. Daar lag de kiemcel van de CHU en haar kiezers: het slag vrome hervormden, dat misschien wel elke morgen om eenheid met de gereformeerden bad, maar ook elke avond weer dankte dat het er de afgelopen dag nog niet van gekomen was.

Want zo was het: de CHU vormde tot ver in de vorige eeuw de hervormde flank van het orthodoxe protestantisme in Nederland en dat bepaalde de mentaliteit en cultuur van deze partij. ’Een stille kracht’, ’een unieke wijze van zijn’, ’meer een levenshouding dan een politieke keuze’ – dat zijn de mooie, maar redelijke vage bewoordingen waarin de schrijvers het profiel van de Unie schetsen. Zij worden ook niet moe het te herhalen: het ging de CHU niet om de majoriteit, maar om de autoriteit; niet om de macht van het aantal kamerzetels, maar om het gezag van de door God ingestelde overheid.

Maar omdat in de Nederlandse verhoudingen de regering ook een parlement als uitdrukking van de volkswil (beslist geen volksoevereiniteit!) veronderstelt, bracht dat wel het ongemak van verkiezingen met zich mee en daar kon de Unie als een van de spelers op het politieke erf zich niet aan onttrekken. Dat gebeurde met frisse tegenzin, maar kennelijk werd er toch wel waarde gehecht aan de eigen plaats in de uitslagen. In elk geval werden ooit de resultaten even onderkoeld als gedistantieerd uitgedragen in het CH-Weekblad onder de prachtige kop: ’Merkwaardig oordeel der kiezers. Redelijk herstel voor de CHU’.

Het is soms aandoenlijk te zien hoe het werk in de Unie met evenveel toewijding als amateurisme gedaan werd tijdens het tot 1918 in Nederland toegepaste districtenstelsel bij de verkiezingen – dan moest er wel contact gezocht worden met de anti-revolutionairen en rooms-katholieken, aan wie men toch zo’n hekel had – en zonder centrale landelijke leiding om de tactiek en de marsroute te bepalen. Want dat laatste was ook een heilig CH-principe: elk Kamerlid mocht zich in zijn eentje een vertegenwoordiger van het hele Nederlandse volk weten en bij het bepalen van zijn stem het eigen geweten zwaarder laten wegen dan welk uitgangspunt van de Unie ook. En voor de ministers gold het ’hoe dichter bij de Kroon, des te minder partijman’. Ja ja - de CHU heeft het dualisme in ons staatsrecht steeds serieus genomen.

Hoe dat in de praktijk kon uitwerken, bleek in 1949 toen het parlement met een tweederde meerderheid moest beslissen over de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië. De hele CHU (en zij niet alleen) was sterk verdeeld geweest over de houding ten opzichte van de door de Indonesiërs zelf in 1945 uitgeroepen onafhankelijkheid, die hier als revolutie en opstand tegen het gezag werd afgedaan. Maar langzaam was binnen de kamerfractie ook de twijfel binnen geslopen.

Het besef dat God de geschiedenis van de volken leidt was diep bij alle CHU’ers doorgedrongen. Zij schroomden bijvoorbeeld niet als dat zo uitkwam onomwonden te getuigen dat de stichting van de Nederlandse staat Gods werk was geweest en dat het zelfde gold voor de Nederlands Hervormde Kerk. Zou het niet zo kunnen zijn dat God ook in Indonesië de geschiedenis geleid heeft, vroeg Tilanus als fractievoorzitter in de Tweede Kamer zich in het openbaar af ; daarmee stilzwijgend de revolutie van 1945 accepterend. En toen tenslotte de eindstemming kwam stemde Tilanus met drie fractiegenoten (tegen de meerderheid van de fractie) voor de overdracht, waardoor de tweederde meerderheid op het nippertje werd gehaald en het land voorlopig van een hoop narigheid af was.

De Jong is verantwoordelijk voor de bulk van het geschiedenisverhaal in dit boek dat niet altijd even lekker leest (hij vertrouwt op die geoefende lezers), maar ook heel wat vergezichten opent en andere weer afschermt. Ik denk bij dat laatste aan de exclusieve rol binnen de CHU die in dit boek aan de Zwitserse theoloog Karl Barth wordt toebedeeld met voorbijgaan van de (waarschijnlijk grotere) invloed die Barth had bij de oprichting van de Partij van de Arbeid in 1946 en de omvorming van de hervormde reglementenkerk van koning Willem I in een belijdende en sprekende kerk na de Tweede Wereldoorlog.

Voor een heel andere benadering kiest Marcel ten Hooven in zijn bijdragen aan dit boek. Hij heeft (om een kuyperiaanse beeldspraak te gebruiken) de oude garde van de CHU opgezocht om te vragen hoe het daar in die redelijk relativerende vriendenkring was en hoe ze zich nu, helemaal teruggetrokken uit het openbare leven, voelen binnen het klimaat van het CDA. Dat blijkt best te gaan. Ik heb zelfs de indruk dat de zij het CDA van nu als een goed en comfortabel verbouwde CHU zien, maar dat is niet meer dan een persoonlijke opvatting. Hun verhalen en herinneringen hebben in elk geval een hoog anekdotisch karakter en dat is mooi meegenomen.

null Beeld

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden