Reportage

De Britse schrijfster Kate Mosse broedt op een liefdesverklaring aan Amsterdam

Kate Mosse. Beeld Maartje Geels

Hoe zag Amsterdam eruit in de zestiende eeuw? Met die vraag in het achterhoofd wandelt de Britse schrijfster Kate Mosse door de stad. Ze wil de hofjes en grachten gebruiken als decor voor haar nieuwe roman over gevluchte hugenoten. ‘Het wordt een liefdesverklaring aan het Venetië van het noorden.’

Op sportieve schoenen baant Kate Mosse (57) zich een weg tussen de toeristen in Amsterdam. “Wandelen is mijn belangrijkste doel hier”, zegt de energieke Britse schrijfster van internationale bestsellers. “Zo verken ik het decor van mijn nieuwe historische roman. Die moet vooral in het zestiende-eeuwse Amsterdam spelen.” De drommen mensen in de steegjes en hofjes deren haar niet. “Vroeger was het hier ook druk: kooplui, koeien, schapen... Het gedrang brengt je terug in de juiste sfeer.”

De schrijfster verblijft een maand in de hoofdstad op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds. Waar andere writers in residence zich vooral terugtrekken om te schrijven, dompelt Mosse zich volledig onder in haar omgeving. “Al mijn romans zijn geïnspireerd door de plaats waar ze zich afspelen”, verklaart ze. Eerdere boeken waren vooral gesitueerd in het middeleeuwse zuid-Franse vestingstadje Carcassonne, waar ze een tweede huis heeft. “Nu wil ik mijn grote Amsterdamse roman schrijven. Het wordt een liefdesverklaring aan de stad waar ik al jaren graag kom, het ‘Venetië van het noorden’.”

Mosse wandelt bij voorkeur ’s ochtends vroeg en ’s avonds, in de relatieve stilte van de schemering. “Ik luister naar het gefluister uit het verleden: stemmen van vroeger komen tot leven en vertellen hun verhaal.” Anders dan veel lezers denken, staat de loop van haar verhalen van tevoren niet vast. De schrijfster laat zich verrassen door oude beelden en gespreksflarden die, als via een antenne, in haar fantasie binnenstromen.

Bloedig

Wat ze te horen krijgt, is geen vrolijk verhaal. De werktitel ‘Stad der tranen’ zegt genoeg. Centraal staan twee Franse jonge geliefden, Piet Reydon en Minou Joubert. Ze vluchten in 1572 naar Amsterdam vanwege de godsdienstoorlogen die in Frankrijk zijn uitgebroken. De protestantse hugenoten waren toen al tien jaar in opstand tegen de onderdrukking door de katholieke Franse machthebbers, en de vervolging werd er alleen maar bloediger op.

Liefhebbers van Mosse’s werk kennen de hoofdpersonages nog uit ‘Tijden van vuur’ (2018), het eerste, vuistdikke deel in een reeks van vier historische romans die de schrijfster wil wijden aan de diaspora van de hugenoten. Deel één speelt in Carcassonne en Toulouse. Nu is Amsterdam aan de beurt. Straks volgt nog Zuid-Afrika, een verrassende overgang: in de zeventiende eeuw voeren veel Franse hugenoten vanuit Amsterdam naar Kaap de Goede Hoop, op uitnodiging van een lokale Hollandse bestuurder. Die had bedacht dat de vluchtelingen in de Afrikaanse heuvels mooi wijn konden verbouwen, zoals ze dat in de Languedoc generaties hadden gedaan.

Maar voorlopig komen Piet en Minou net in Amsterdam aan. Ze hebben op dat moment al heel wat ellende achter de rug. Na de bloedige strijd in Carcassonne en Toulouse waren ze eerst met een groep naar Parijs gevlucht. Daar maakten ze de beruchte Bartholomeusnacht mee: een massale moordpartij op de hugenoten. “Dat gedeelte heb ik net opgeschreven”, zegt Mosse. “Het verbaasde me hoeveel slachtoffers er vielen en hoeveel geliefde personages ik moest laten sneuvelen. Ik werd er verdrietig van. Op zo’n moment merk je dat je verhaal werkt: ook de lezer zal die tragiek ervaren.”

In Amsterdam, een stad met een goede reputatie, hopen de geliefden op een beter bestaan. Piet, zoon van een Hollandse prostituee en een Franse koopman, kent de stad nog uit zijn vroege kinderjaren. En Minou heeft er veel enthousiaste verhalen over gehoord van haar vader, een Franse boekhandelaar die graag in Amsterdam kwam om bijzondere werken aan te schaffen.

Afgebrand

Maar hoe zag de binnenstad er anno 1572 uit? Al wandelend probeert Mosse het zich levendig voor te stellen, maar het blijkt lastig. “Er is uit die tijd vrij weinig overgebleven. De meeste huizen waren nog van hout. Op een paar na zijn ze allemaal afgebrand. Vrijwel alles wat je nu om je heen ziet, stamt uit de Gouden Eeuw, toen bouwen met steen verplicht werd. Ik moet voortdurend historische lagen afpellen om bij de zestiende eeuw te komen.”

De schrijfster loopt naar het Begijnhof, waar nog een huis staat met een houten gevel uit 1528. Het gebeitste hout is donker, bijna zwart. De bovenetage steekt naar voren uit. En de gevel, vol kleine vensterruitjes, priemt met een scherpe punt de blauwe lucht in. “Dit geeft een aardige indruk van wat het geweest moet zijn”, zegt Mosse.

Ze vindt het Begijnhof een interessante plek, want het was een katholieke enclave in een protestantse omgeving. “De katholieke zusters werden getolereerd omdat ze voor zieken zorgden. Maar ze moesten hun kerkdienst in een schuilkerk houden. De grote kerk midden in het hof was voor Engelse protestanten. Je zag hier in feite het omgekeerde van wat er in Frankrijk gebeurde.”

Anno 1572 was de stad veel kleiner dan nu. De ringvormige grachten bestonden nog niet. “Ongelofelijk dat zo’n klein stadje de wereld zou gaan domineren”, zegt Mosse. Ze heeft een oude kaart op zak, in 1538 vervaardigd door Cornelis Anthonisz. Die houdt ze voortdurend naast een moderne plattegrond, voor de oriëntatie.

Tuin

Ze wandelt vooral in het gebied tussen de oude haven en het Spui, destijds de kern van de stad. Maar ook een gebied daarbuiten heeft haar interesse: de Jordaan. “Nu is dat een buurt vol cafés. Toen was het nog een weiland met her en der een boomgaard en een huisje. Op die groene plek streken veel hugenoten neer, want daar hadden ze de ruimte.” Volgens een – onbevestigde – verklaring stamt de naam Jordaan van het Franse jardin: tuin.

Tijdens haar dagelijkse tochten probeert Mosse een gevoel te krijgen voor het stratenplan en de afstanden. “Dat is belangrijk als een personage bijvoorbeeld een geheime boodschap van A naar B moet brengen. Hoe lang duurde dat? En waar moest hij lopen om onopvallend in de schaduw te blijven?” Ze neemt veel foto’s. “Mijn telefoon staat al helemaal vol. Dat is handig voor als ik thuis in Sussex ga zitten schrijven.”

Net als in Mosse’s eerdere werk zal de stad niet louter decor zijn, maar bijna een personage op zich. De setting maakt bijvoorbeeld allerlei gedachten en gevoelens bij haar personages los. Neem de donkere poort naar het oude jongensweeshuis uit 1581, tegenwoordig de doorgang naar het Amsterdam Museum. Daar aangekomen, begint Mosse spontaan te mijmeren. “Ik laat mijn personages hier arriveren per boot, want de Kalverstraat hierachter was toen nog water. Ze voelden zich vast niet erg welkom toen ze op de kade stapten, want die steeg hier is zo nauw en donker.” Een paar dagen later stuurt Mosse een gealarmeerde e-mail. “Stop de persen!”, schrijft ze. “De Kalverstraat was destijds toch een straat. Die boottocht vervalt dus.” Het voorval toont aan hoe serieus ze haar historische taak neemt.

In de romans van Mosse contrasteert de reële geschiedkundige situatie sterk met de spanning en de romantiek van het verhaal, dat volledig verzonnen is. Waar is het Mosse om te doen: om de geschiedenis of om het verhaal? “Het gaat me niet om het een of het ander”, antwoordt ze, “maar juist om het samenspel. Ik wil de geschiedenis tot leven wekken met een spannend verhaal. Die twee kunnen niet zonder elkaar. Met de mix van fictie en historische werkelijkheid heb ik mijn stem in de literatuur gevonden. Ik wil in de eerste plaats een spannende, menselijke roman schrijven. Het moet zeker geen geschiedenisboek worden, maar het is wel fijn als de lezer er ook nog iets van opsteekt.”

Wie is Kate Mosse?

Kate Mosse (1961) is een Britse schrijfster. Na twee non-fictie-boeken (over moederschap en het Royal Opera House in Londen) besloot ze zich volledig aan historische fictie te wijden. Ze werd bekend met haar middeleeuwse roman ‘Het verloren labyrinth’ (2005), dat in 37 talen is vertaald. Mosse kiest bij voorkeur een dappere vrouw als hoofdpersoon. Ze is mede-oprichtster van de Women’s Prize for Fiction, een jaarlijkse prijs voor schrijfsters uit het Engelse taalgebied.

Lees ook:

Waarom lezen - én schrijven - mensen historische romans?

In dit essay vraagt schrijver Nicolaas Matsier zich af: Wat drijft een schrijver de historie in? ‘Het vreemde van toen heeft je iets te zeggen wat je mee terug wilt nemen naar de eigen tijd.’

De grens tussen feit en fictie in historische romans

In historische romans lezen we hoe mensen vroeger leefden. Toch? Debutant-auteur Jean-Marc van Tol en routinier Jan van Aken vertellen over hun omgang met fictie en feiten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden