null

EssayBiografieën

De biografie als spiegel voor zoekenden en rustelozen

Beeld Getty Images

Julie Phillips ontdekte het genre van de literaire biografie als twintiger, eerst als lezer, later ook als schrijver. Vanwaar die fascinatie voor andermans onvolmaakte levens? ‘Ik kon mezelf het middelpunt wanen en tegelijk veilig aan de kant blijven.’

Julie Phillips

‘Kijk, dat is Mevrouw Bentinck’, zegt Hella Haasse in de biografie van Aleid Truijens, wijzend op dozen vol fotokopieën. Het zijn de 18de-eeuwse brieven en dagboeken van Charlotte Bentinck, die Haasse veelvuldig citeert in haar gelijknamige roman over een onafhankelijke geest, gevangen in een ongelukkig huwelijk.

Haasse genoot van het ontwaren van een verhaallijn in Charlottes rusteloze leven: ‘Schrijven is voor mij ordenen. Ik wil greep krijgen op het chaotische.’

Toen ik voor het eerst in de ban raakte van literaire biografieën, voelde ik mij in mijn eigen leven juist vastzitten in dat spanningsveld tussen orde en verwarring. Ik zag mijzelf niet zozeer terug in romans, met hun doelgerichte plots, maar meer in het getob en getwijfel van onvolmaakte echte mensen. Ik was begin twintig, ik had het idee dat er iets van me werd verwacht, maar ik wist niet goed wat. Zoals veel kinderen die later schrijver worden (onder wie Haasse), groeide ik op in een gezin dat van zijn ­ankers was geslagen: vader overleden, moeder hertrouwd, stiefvader die niet goed raad wist met zichzelf. Mijn leven voelde als een reeks willekeurige gebeurtenissen. Ik zat altijd te raden wat anderen van mij verwachtten.

Jane Bowles

Ik belandde in Seattle, waar ik bijna niemand kende. Ik werkte in een boekwinkel en voor een kleine feministische uitgeverij; levensbeschrijvingen van andere vrouwen leken antwoorden te bevatten. In de openbare bibliotheek (toen een knus, afgeleefd jarenvijftiggebouw, nog niet vervangen door het glazen paleis van Rem Koolhaas) ontdekte ik de biografie van Millicent Dillon over Jane Bowles: een onbekende Amerikaanse schrijfster, die model had gestaan voor de hoofdpersoon in de roman The Sheltering Sky van Paul Bowles, haar man.

Ook in Nederland werd Jane destijds, begin jaren tachtig, een hype, hoorde ik later. Bowles was zoekende, ongelukkig in de liefde, maar tegelijk een scherpzinnig waarnemer, adrem, die in haar werk handig gebruikmaakte van haar onaangepastheid.

Haar biograaf beschreef haar leven, heel herkenbaar voor mij, als een aaneenrijging van losse gebeurtenissen en schrijfsels: cynische dagboekaantekeningen, onnavolgbare toneelstukken, mislukte relaties en rusteloos gereis. Tegelijk ontwarde ze er verhaallijnen in die ­Bowles zelf waren ontgaan.

Jane Bowles was begin jaren tachtig een hype. Beeld
Jane Bowles was begin jaren tachtig een hype.

Vergelijk jouw binnenkant niet met de buitenkant van een ander

Schrijversbiografieën werden mijn spiegel. Een collega gaf mij een keer het soort advies dat je nodig hebt wanneer je in de twintig bent: vergelijk jouw binnenkant niet met de buitenkant van een ander. In een ­biografie leer je de binnenkant van een ander kennen, niet alleen de successen, maar ook de zonderlinge acties en intieme overpeinzingen.

Haasse hield een ‘zwart schrift’ bij, waarin ze haar obsessieve geanalyseer van haar eigen ongelukkige huwelijk kwijt kon. Truijens citeert veelvuldig uit de observaties van een toegewijd schrijfster die desondanks, typisch voor haar generatie, geneigd is zichzelf op te offeren in de liefde. Na de ontdekking, tot haar ‘diepe en verlammende ontsteltenis’, dat haar man vreemdgaat, voelt ze zich ‘letterlijk (…) ont-steld, ont-regeld, ont-zet, uit mijn werkelijkheid, uit mijn leven, gestoten’.

Twee jaar nadat ik Jane Bowles had ontdekt, verhuisde ik naar New York, een stad die ik alleen uit films kende, zodat ik me de eerste maanden voelde alsof ik op een filmset woonde. Omdat iedere New Yorker nostalgisch is naar de voorafgaande periode van zijn stad, verslond ik de biografie van de dichter Frank O’Hara, die in de jaren vijftig een levendige vriendenkring had van schrijvers en schilders, onder wie een verrassend aantal getalenteerde vrouwen. Zij leken op de Nederlandse kunstenaars in Parijs in diezelfde jaren, of de schrijversgroep uit Annejet van der Zijls Jagtlust, die ik later leerde kennen: allemaal hadden ze hun suffe decennium de rug toegekeerd. Niet dat het altijd goed afliep, O’Hara en anderen raakten aan de drank; maar je kon dus je eigen weg uitstippelen, als je genoeg gelijkgezinden om je heen verzamelde.

Was ik een ster of een bijfiguur?

Zo wilde ik ook leven – of was mijn rol vooral die van observator en buitenstaander? Was ik een ster of een bijfiguur? Als lezer van biografieën kon ik beide rollen uitproberen: ik kon me identificeren met een ander en tegelijk die ander proberen te duiden. Ik kon mijzelf in het middelpunt van de belangstelling wanen en ­tegelijk veilig aan de kant staan.

En ik vroeg me af wat het was, mijn onvermogen om te zijn wat anderen van mij wilden, het onvermogen in mijn vriendenkring om zich open te stellen voor de liefde. Erbij willen horen en je anders voelen zijn grote ­thema’s in zowel fictie als biografie. Waarom mensen doen wat ze doen, en waar, en met wie. En wat ze erover schrijven, in hun meest persoonlijke teksten, hun dagboeken en brieven.

Worstelend met de liefde, en vooral met de afwezigheid daarvan, ontdekte ik Kafka’s brieven vol zelftwijfel aan Milena Jesenská. Kafka voelde zich een figurant in zijn eigen leven, maar is de held tegen wil en dank van zijn biografie – een paradox.

James Tiptree jr., mannelijk alter ego van Alice Sheldon. Beeld
James Tiptree jr., mannelijk alter ego van Alice Sheldon.

Per ongeluk biograaf

Dat ik zelf biograaf werd kwam, zoals andere dingen in mijn leven, min of meer per ongeluk. Vermoedelijk gaat het bij de meeste biografen zo: je komt iemand tegen, je leest of hoort over iemand wiens verhaal je raakt, je wordt nieuwsgierig, je schrijft het boek dat je zelf had willen lezen. Toen ik dertig was, stuitte ik op een onbekende schrijver, Alice Sheldon (1915-1987), die haar woorden pas op papier kreeg nadat ze een mannelijk ­alter ego schiep: James Tiptree jr. Ik maakte een stuk over haar voor de krant waarvoor ik werkte.

Een uitgever bleek interesse te hebben. Net in die tijd verhuisde ik naar Nederland: ook in mijn privéleven was ik iemand tegengekomen.

Na de ontdekkingen in de archieven (mijn partner en ik moesten in een universiteits-­bibliotheek in Chicago tot de orde worden geroepen omdat ons gefluister steeds opgewondener werd) kwam het harde werk. Sheldons levenskeuzes, haar twijfels over haar seksualiteit en haar gender, het heeft me jaren puzzelen gekost om langs de ruggengraat van de chronologie een samenhangend verhaal in elkaar te zetten.

Aha-momenten

Het plezier van het schrijven zat in de aha-momenten: daarom reageerde ze zus, zo moet ze zich hebben gevoeld. Al die jaren waarin ik de kat uit de boom had gekeken, bleken nu hun vruchten af te werpen. De vragen waarover ik in mijn dagelijks ­leven inzat (‘Waarom kijkt hij bedenkelijk?’ ‘Wat wil zij van mij horen?’), kon ik, met wat meer tijd en distantie, oplossen voor een ander.

‘Is het vertellen van verhalen niet altijd een zoektocht naar je eigen oorsprong?’, schreef filosoof Roland Barthes. De biografie is een hybride genre, literatuur noch geschiedenis, en er wordt om die reden weleens op neergekeken. En toch moet het klassieke heldenverhaal de oudste vertelvorm van de wereld zijn.

Via de biografie hebben hedendaagse vrouwen nieuwe heldinnen gevonden en heeft de literatuur haar voormoeders ontdekt. Via de biografie wordt het belang van schrijvers herzien voor een nieuwe generatie.

De oude Grieken vonden dat een mensenleven pas betekenis kreeg wanneer het door anderen tot een verhaal werd gemaakt. Het was niet aan een man zelf om te beoordelen of hij eudaimon was, of hij goed had geleefd. Dat werd pas na zijn dood duidelijk, in de ogen van anderen.

De zin van je eigen leven kun je eigenlijk zelf niet weten, stelde Hannah Arendt. Kijk naar Oedipus: hij heeft geen besef van zijn rol in zijn eigen tragedie, en komt daar alleen achter omdat anderen die voor hem duiden.

Met het idee, al dan niet terecht, dat ik mijn roeping had gevonden, begon ik aan een tweede biografie, dit keer nadat ik daartoe was uitgenodigd door de Amerikaanse schrijfster Ursula K. Le Guin (1929-2018). Ik mocht pas na haar dood beginnen met schrijven, besloot ze, maar ze stemde in met een serie interviews.

Ursula K. Le Guin wilde dat haar biograaf pas na haar dood ging schrijven. Beeld Getty Images
Ursula K. Le Guin wilde dat haar biograaf pas na haar dood ging schrijven.Beeld Getty Images

Hagiografie

De biograaf kan in zo’n situatie worden verleid tot het schrijven van een hagiografie. Zo lijkt de auteur van de ­onlangs verschenen biografie van Philip Roth (1933-2018), Blake ­Bailey, zich nogal door zijn hoofdpersoon te hebben laten inpalmen, waardoor hij bij Roths twee huwelijken erg nadrukkelijk partij kiest. Le Guin was bij mij vriendelijk en belangstellend, aan de telefoon vanuit Portland, Oregon, maar ze hield ook afstand. Ze wilde geen pleitbezorger als biograaf, noch een biografie als verklaring van haar handelen. Ze was zelfbewust en had een uitgesproken mening, wat voor mij soms een ongemakkelijk contrast vormde met mijn eigen neiging tot bedachtzaamheid.

Een held ontmoeten in het echt is moeilijker dan over zo iemand lezen. De vraag keert steeds terug, niet alleen in Le Guins leven, maar ook in dat van mij. Hoe kan ik (getrouwd, moeder, vrouw van middelbare leeftijd), mijzelf niet in dat deel van mijn leven wegcijferen, maar het middelpunt blijven opzoeken van mijn ­eigen verhaal? Hoe ouder ik word, hoe meer ik mij ook begin te interesseren voor laatbloeiers en mensen met lange carrières zoals Haasse, die tot op hoge leeftijd bleef schrijven.

Jezelf worden is één ding, jezelf blijven is een tweede. Je moet jezelf steeds opnieuw uitvinden, telkens weer orde zien te ontdekken in de chaos. Daarom blijft de biografie mij bekoren. Ik tob, ik orden, dus ik ­besta.

Julie Phillips debuteerde in 2006 met James Tiptree, Jr.: The Double Life of Alice B. Sheldon, in Amerika bekroond met onder meer The National Book Critics Circle Award. In april verschijnt haar nieuwe boek The baby on the Fire Escape, een bundel essays over het conflict tussen moederschap en kunst in de levens van schrijvers als Doris Lessing, Susan Sontag en Audre Lorde.

Phillips werkt nu aan een biografie over de Amerikaanse sciencefictionauteur Ursula K. Le Guin. Daarnaast schrijft ze recensies voor Trouw en het onlinemagazine 4Columns.

Leest u graag ­biografieën? En zo ja, waarom? Reacties (max. 150 woorden) zijn welkom via tijdgeestreacties@trouw.nl. Graag naam en woonplaats vermelden.

Lees ook:

Hella Haasse, de vrouw achter de kalme façade

Ze gold als de grande dame van de Nederlandse literatuur, rustig, wijs en gelijkmatig. Maar uit haar biografie blijkt dat Hella Haasse ook een turbulent gevoelsleven had en een heel moeilijk huwelijk. ‘Het gedoe met Jan was de motor van haar schrijverschap’, zegt haar biografe Aleid Truijens.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden