Essay

De biograaf laat zich zien

Beeld Kwennie Cheng

Er verschijnen niet alleen steeds meer biografieën in Nederland, ze zijn ook steeds beter, schrijft Maaike Meijer, biograaf van M. Vasalis en Fritzi Harmsen van Beek. Biografen schudden verstarde conventies af.

Er verschijnen in Nederland steeds meer biografieën en ze worden almaar spannender. Ontdekkingen halen het nieuws, zoals onlangs het geval was met Luceberts actieve nazi-sympathieën. Eerder wist Jolande Withuis het beeld van koningin Juliana in oorlogstijd - de brave huismoeder met de prinsesjes opgeborgen in Canada - te doen kantelen naar dat van een actieve politieke strateeg. Een aparte televisie-uitzending toonde hoe Withuis in een archief haar vondst deed. Eureka! Door deze focus op de vondst is het biograferen van een wat boekhoudkundige activiteit veranderd in mediageniek heldhaftig speurwerk met verstrekkende consequenties voor ons hedendaagse beeld van een kunstenaar, politicus of nationale held/in.

Het ondervragen van overgeleverde waarheden is niet alleen eigen aan biografen. Hans Goedkoops tv-serie ‘80 jaar Oorlog’ laat zien hoe er geen sprake was van een eendrachtig volk dat besloten had de bezetter te verjagen, maar eerder van een bloedige burgeroorlog, vergelijkbaar met die in het huidige Syrië. Of het nieuwe beeld nu ook de eeuwige waarheid is, is een achterhaalde vraag. Veel historici en biografen accepteren dat ook nieuwe beelden weer visies zijn, uiteraard op feiten gebaseerd, maar ook de verzameling daarvan berust onvermijdelijk op tijdgebonden keuzes. Dit inzicht leidt niet tot een cynisch relativisme ten aanzien van het genre biografie, maar juist tot een nieuw elan, met aanzienlijke consequenties voor de beoefening ervan.

Laatste stuiptrekking

Biografieën volgden veelal vaste verhaalschema’s, waar je als biograaf moeilijk omheen kon. Het leven van een belangrijk individu stond centraal, en dat moest chronologisch worden verteld. Het verhaal was bij voorkeur lineair - zijsporen en mislukkingen leiden maar af - en voerde naar de top van iemands prestaties. Men diende te beginnen met het voorgeslacht. Gaap. Alle conventionele aannames die in de geesteswetenschappen juist ter discussie kwamen, werden hier in leven gehouden. De eenheidsconventie, het lineaire denken en het idee van het uitzonderlijke individu als maker van de geschiedenis, daarom bleef het in de biografie immers draaien. Wie het somber wilde zien kon denken dat achter de biografieëngolf die in de jaren negentig begon een conservatieve agenda schuilging, een laatste stuiptrekking van een wetenschappelijk paradigma dat op zijn einde liep.

Maar nee, dat bleek niet zo te zijn. Want zoals de geesteswetenschappen zich aan het vernieuwen zijn, zo ook is de biografie begin 21ste eeuw bezig bovengenoemde conventies van zich af te werpen. Zo verdwijnt de gewoonte om te beginnen met een eeuwenlang voorgeslacht. De patriarchale denkwijze waarin een mens wordt beschouwd als eigendom of product van de familie, verdwijnt ten gunste van het idee dat iemands directe omgeving weliswaar belangrijk is, maar dat men van daaruit eigen keuzes maakt in het leven.

Jaap Goedegebuure slaat in zijn recente Kellendonk-biografie het hele voorgeslacht dan ook over. Het komt alleen maar om de hoek kijken via de kortstondige fascinatie van de jonge Kellendonk, die op een gegeven moment wil weten waar zijn naam vandaan komt. Zelf nam ik in mijn Vasalis-biografie alleen opa’s en oma’s mee voor zover die een actieve rol speelden in de jeugd en de toekomstfantasieën (Dokter worden! Naar Indië!) van mijn subject. Ook in mijn biografie van F. Harmsen van Beek laat ik het geslacht, dat teruggaat tot in de zeventiende eeuw, gevoeglijk in zijn eigen sop gaarkoken. Dat scheelt een hoofdstuk dood gewicht.

Geen zoekplaatje

Het lineaire ontwikkelingsverhaal kan een biografie ook remmen in zijn vaart: het leidt tot een en-toen-en-toen- structuur die de aandacht wegtrekt van waar het om gaat: je visie op dit leven, waar je geen zoekplaatje van moet maken. Een biografie is onvermijdelijk een interpretatie, maak dat dan ook zichtbaar in je structuur. En inderdaad zie je dat de chronologie in veel biografieën wordt opgebroken ten gunste van dynamischer ordeningen, waarbij cruciale gebeurtenissen naar voren worden gehaald zodat ze meteen geagendeerd zijn als rode draad.

Een verhaal dat begint ‘in medias res’ zuigt de lezer meteen toe naar waar het werkelijk om gaat. Onno Blom begint zijn Wolkersbiografie met de dood van Wolkers’ broer Gerrit in 1944. Goedegebuure slaat Kellendonks vroege jeugd simpelweg over. Hij heeft er kennelijk niets in gevonden dat betekenisvol is voor dit kunstenaarschap. Ik begin mijn Vasalisbiografie in 1983, wanneer de oude dichter zelf vroegste jeugdherinneringen opschrijft die de bron van haar poëzie bleken te zijn.

Anti-chronologische bewerkingen helpen tegen het verzanden in feiten, die de biograaf allemaal moet kennen, maar lang niet allemaal nodig heeft. Het autonome individu als centrum wordt in nieuwere biografieën ook gerelativeerd, doordat met name feministische biografen meer aandacht besteden aan mannen als geliefde, vader en echtgenoot, het netwerk kortom waarin het individu tot stand komt. Zij brengen de vrouwen en kinderen van de ‘grote mannen’ in beeld, zoals Leon Hanssen dat adequaat deed met Ter Braak. In dat netwerk-perspectief valt het wel mee met het autonome, zichzelf bewegende individu. Maar het meest cruciaal lijkt me toch dat afscheid is genomen van de waarheidspretentie.

Mythen en leugens

Biografieën zijn vaak spannend door een structuur van een strijd om de waarheid, een gevecht met een bestaande mythe. De biograaf trekt op tegen archivarissen en familieleden die de waarheid doelbewust achterhielden (Van der Zijl in haar Heineken-biografie) of tegen een invloedrijke autobiografie van de gebiografeerde, een zelfbeeld dat een strategisch doel diende (Bosch in haar Aletta Jacobs-biografie). Een eerder opgetrokken beeld in de populaire media kan ook een doelwit zijn. In mijn Vasalisbiografie wilde ik het beeld van Vasalis als tamme kluizenares van tafel vegen en in mijn Harmsen van Beek-biografie zal het sensationele flodderdiva-imago van ‘Fritzi’ een doelwit zijn. Elisabeth Leijnse liet zien hoe de beroemde feministe Cecile Goekoop de Jong van Beek en Donk, auteur van de immens invloedrijke emancipatieroman ‘Hilda van Suylenburg’ uit 1898, zich later ontwikkelde tot een conservatieve antisemiet. Een ongelooflijk verhaal. Toch worden zulke nieuwe waarheden doorgaans gepresenteerd als visies, zo meeslepend mogelijk op schrift gesteld, goed onderbouwd en overtuigend, maar er zit geen levenslange garantie op.

Annet Mooijs biografie van Gisèle D’Ailly-van Waterschoot van der Gracht kan dit illustreren. Als ergens mythen en leugens tegenover de waarheid staan is het wel in dit levensverhaal van Gisèle, de vrouw die Castrum Peregrini mogelijk maakte door Wolfgang Frommel en zijn vrienden in de oorlog bij haar te laten onderduiken. Meeslepend is de gelaagdheid van de persoon Gisèle, ‘van adellijk deftig tot sober en bescheiden, van bohémien tot diep katholiek, van werelds en wijs tot kinderlijk naïef, van koel en ongenaakbaar tot hoogst sensueel’. Castrum Peregrini staat te boek als een verheven culturele mannengemeenschap, maar het was ook het speelveld van een seksueel roofdier, met een zo magnetische persoonlijkheid en een rookgordijn van mythologie om zich heen dat hij decennia zijn gang kon gaan.

Hoe Gisèle daar getuige van kon zijn, niet ingreep, maar de mythe zelfs mee in stand hield, dat raadsel wordt tot op de draad uitgeplozen. Er worden verbijsterende waarheden onthuld. Maar wat deze biografie echt goed maakt is dat zij niet triomfalistisch is.

Mooij laat niet alleen zien hoe Frommels oorlogsheldenstatus geleidelijk verschoof naar die van haar - Gisèle kreeg uiteindelijk letterlijk alle eerbewijzen die Frommel eerder ten deel vielen - maar ontmaskert vervolgens ook die nieuwe waarheid weer als te rooskleurig. Daarna volgen nog de hedendaagse getuigenissen van seksueel misbruik in de Castrum-kringen en Gisèle’s vergoelijking daarvan, dat, zo suggereert Mooij, zal ook niet de laatste of enige waarheid zijn. Mooij blijft een kritische afstand handhaven, naar alles en allen. Gisèle wordt geen heilige onder haar handen maar functioneert als het intrigerende prisma van een belangrijke episode in de Nederlandse en Duitse oorlogsgeschiedenis, in de herinneringscultuur en de invloed van het denken over seksueel misbruik.

Veelkantige waarheid

In Engeland is het bestaan van meerdere biografieën gebruikelijker dan in Nederland, waar alleen aan Mondriaan, Couperus, Bordewijk, Carry van Bruggen en Kloos tweede biografieën werden gewijd. Veel gebiografeerd is de Engelse dichter Shelley, dramatisch verdronken in 1822 en gecremeerd op een Italiaans strand, waarbij zijn hart uit het brandende lijk werd verwijderd (!), in het bijzijn van vrienden die daar allemaal verschillende herinneringen aan hebben. Om zijn nalatenschap (en ook letterlijk om dat uit hem gesneden hart) is bitter gevochten. De Engelse biografe en theoretica Hermione Lee wijdde in 2005 een fascinerend essay - ‘Shelley’s Heart and Pepys’ Lobsters’ - aan de strijd om de herinnering en de vele versies van Shelley’s leven.

Zo’n opeenvolging van memoires en biografieën etaleert dat er verschillende verhalen mogelijk zijn, dat de waarheid opnieuw omstreden kan raken: het beeld dat ontstaat is het resultaat van een tijdgebonden visie, een persoonlijk of groepsbelang, van de keuze voor een methode en een context. ‘Shelly’s hart’ zou verplichte literatuur moeten zijn voor elke biograaf. Wie erkent dat het onderzoeken van de strijd om de waarheid helpt om er dichter bij te komen, die schrijft een gelaagder, interessanter en beter boek.

Het inzicht dat de waarheid veelkantig is, kan ook tot uiting komen in schrijfprocedés. Sommige biografen schrijven hun verhaal vanuit een expliciet aanwezige biograaf, die vertelt hoe de fascinatie is ontstaan en hoe de speurtocht verliep. Dat experiment ondernam Marja Pruis met ‘De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk’ in 1999, onlangs bewerkt tot ‘De Nijhoffs en ik of de gevolgen van een genre’.

Andere versie

Even interessant vond ik Mirjam van Hengels ‘Een knipperend ogenblik. Portret van Remco Campert’, waarin de biografe zelf optreedt. De keuze van de titel ‘portret’ impliceert dat iemand het portret schildert. Van Hengel laat die schilder in beeld. Zij voert gesprekken met Campert waarin de selectieve werking van diens geheugen steeds zichtbaarder wordt. Campert blijkt alles mooier te maken. Hij drukt pijnlijke dingen weg, maar de biografie kent haar bronnen en legt die aan hem voor: ‘maar hier staat toch, Remco…..’ Vaak komt Camperts levensgezel, Deborah Wolf, erbij die zich van dezelfde gebeurtenis nog een andere versie herinnert.

Ze praten over drie weergaven van eenzelfde gebeurtenis. Van Hengel laat die naast elkaar bestaan. Je krijgt dan de verhalen, maar ook de constructie ervan, de gaten erin, je bent aanwezig bij het (door moment en persoon) gekleurde vertellen ervan. Het feit dat Campert zijn leven stelselmatig verfraait, zo dat hij ermee kan leven is een interessanter feit dan de feiten zelf. Er wordt niet over zijn karakter verteld: dat toont zich. Zijn geschiedenis krijgt er dynamiek en diepte van.

Van Hengel volgde deze methode al eerder in haar ‘Hoe mooi alles’, een deelbiografie over het echtpaar Leo en Tineke Vroman. In deze boeken wordt ook geknaagd aan het autonome individu, omdat het beschreven subject wordt gezien in een netwerk. Leo Vroman bestaat - als dichter en als mens - niet zonder Tineke. En van de Vromannen wordt niet eens het hele verhaal verteld, maar slechts een episode ervan, de tijd tussen 1937 en 1947, die deze beide personen, hun literaire werk en hun liefde zo treffend vat dat de rest van hun levens zonder probleem achterwege kan blijven. Radicaler agendering van wat deze biograaf echt belangrijk vond moet ik nog tegenkomen.

De theoreticus Jan Fontijn erkende de subjectiviteit van de biograaf als diens kracht, maar zag ook een schaduwzijde: de biografie zou door expliciet ingezette subjectiviteit te literair worden, te persoonlijk. Ik zie het juist als teken van vitaliteit en vernieuwing. Wat erin tot stand komt is wat de wetenschapsfilosoof Sandra Harding ‘situated knowledge’ noemde, gesitueerde kennis, die waarheidslievend is, maar niet hoogmoedig. Het is kennis die op zichzelf kan reflecteren. Die de nieuwsgierigheid in stand houdt. Die de waarheid zoekt, maar niet in pacht heeft.

Maaike Meijer (1949) is biograaf, literatuurwetenschapper en emeritus hoogleraar genderstudies aan de Universiteit Maastricht. Haar ‘Hemelse mevrouw Frederike’, een biografie over F. Harmsen van Beek, verschijnt op 5 november bij De Bezige Bij.

Lees ook:

De ander vraagt om eerbied, zodat hij kan oplichten

Welmoed Vlieger leest het liefste biografieën: de levensloop van mensen is vaak zo fascinerend en onvoorspelbaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden