Review

De bekoring van poëtische bekommernis

,,Nederlanders zijn zo zondig en zelden zonnig. Deze bekommernis belemmert onze poëtische ontplooiing.'' Dichter Willem Barnard over religieuze poëzie uit de 17de eeuw.

Willem Barnard

Hoog! Omhoog! Mijn ziel naar boven! Hier beneden is het niet

Destijds had je de Engelse oorlogen, die de Britten Dutch wars noemen. Waar het om ging weet ik niet meer, waarschijnlijk om de vraag wie het meeste mocht verdienen aan het lastigvallen van vreemde volken overzee. Wat ik wél weet is dat in diezelfde eeuw, de zeventiende, aan weerskanten van de Noordzee de kunsten bloeiden en de wetenschap floreerde.

Nu heeft het krijgsbedrijf mij nooit kunnen boeien, economie is mijn fort niet en empire-building lijkt me zoiets als bodybuilding voor naties, ik ben er te tenger voor van aard. Maar ik heb wel de neiging om een vergelijking te maken op het gebied van de kunsten: wie van beide, Nederland of Engeland, blonk uit op welk terrein? Dan zal, wedijverig gesproken, Nederland de meeste en beste schilders opleveren, maar Engeland wint het op het punt van poëzie.

Ik kom op deze ijdele bespiegelingen vanwege het boek dat voor me ligt, in oranje band en omslag, 'religieuze poëzie uit de zeventiende eeuw'. Nederlandse wel te verstaan. Het is het vijfde deel van de Delta-reeks, waarin de 'belangrijkste werken uit de oudere Nederlandse letterkunde' gaandeweg zullen verschijnen. Dit deel, bezorgd door Ton van Strien en Els Stronks, geeft poëzie van meer dan veertig dichters en het zijn allemaal gedichten die ontsproten aan een christelijk geloofsbesef.

In zoverre is de benaming 'religieuze poëzie' te wijd en onbepaald. Anderzijds, verontwaardiging over onrecht en vurig verlangen naar een beter leven op aarde, zo kenmerkend voor de dichters in de Schrift, zoekt men hier tevergeefs. Het gaat inderdaad allemaal om de religieuze gevoelens ('gevoelens' dan in de ouderwetse zin, waarbij sentiment en opinie samengaan). En de titel van het boek is dan ook niet ten onrechte: Het hart naar boven.

Zouden Engelse dichters uit die tijd onder eenzelfde hoofd en titel gevat kunnen worden? Er werd daarginds zeker 'religieuze poëzie' geschreven - ik denk aan mensen als John Donne, George Herbert, Henry Vaughan, Thomas Traherne, Richard Crashaw, en, natuurlijk, de grote John Milton. Op beide laatstgenoemden na waren ze 'gewone' anglicanen, reguliere leden van de Church of England. En was er over hén geschreven onder de titel 'Het hart naar boven', dan zou ik meteen gezegd hebben: dat komt uit het Book of Common Prayer! Want dáár wordt bij de Avondmaalsviering na een lange inleidende vermaning, als de liturgie de overhand krijgt, het 'vieren' begint en de reformatorische bekommernis wijkt voor het aloude en dan ook katholieke erfgoed, geroepen: Lift up your hearts, Hef uw hart!

Richard Crashaw, die de Moederkerk was trouw gebleven, zou gemompeld hebben: Sursum corda... en John Milton moppert bij zulk een katholiek relict als 'liturgie' over sensual idolatry. Maar altijd en overal (de anglicanen erkennen dat) is in de kerk zo gesproken en gezongen, van oude tijden af. Augustinus, als hij Psalm 86 uitlegt, tekent bij het vierde vers aan: 'Hef uw hart naar de hemel... je staat op de aarde, maar je bent in de hemel als je God liefhebt'.

Nu lijkt het mij onweersprekelijk dat juist op dit punt een verschil tussen twee geloofsculturen tot uiting komt. Al is er nog zoveel overeenkomst in geloofsbeleving, bij de Nederlanders overweegt in die zeventiende eeuw de bekommernis, de vermaning, de aandacht voor de zielestaat - dat alles wat in The Book of Common Prayer voorafgaat aan en wordt afgelost door het inderdaad verlossende Lift up your hearts (dat ons op aarde bevestigt, op onze voeten zet, zoals Augustinus zegt).

Dezerzijds van de zee verwijst 'het hart naar boven' niet naar het liturgische leven dat gevierd wordt, maar veeleer naar het verlangen om van het compromittante bestaan in deze 'tegenwoordige wereld' op te stijgen naar een puurder leven. Hoog! Omhoog! mijn ziel, naar boven! / Hier beneden is het niet, schrijft Van Lodenstein. Het gaat bij dat 'naar boven' om innerlijke verheffing na pijnigend besef van de zondige vervallenheid. Vaak is ook de aandacht gespitst op de vraag hoe de 'rechte leer' rechtop en hoog te houden.

Die 'bekommernis' en dat spiritualisme belemmerden bij ons de poëtische ontplooiing waar ik me bij die Engelsen zo in verheug. De 'metaphysical poets', die vernuft en fantasie verbonden met hartstocht en emotie (ze werden ook wel de 'fantasticks' genoemd), overtreffen in beeldspraak en thematische variatie, in visie en visualiteit de Nederlanders. Nergens kom ik bij onze zeventiende-eeuwers zo'n hartveroverende regel tegen als I saw eternity the other night (Vaughan), laat staan de erotisch-theologische gein van een Donne (die trouwens, dit ter geruststelling, diep-ernstig kon zijn). Maar wel heeft die Nederlandse poëzie haar eigen bekoring, een intimiteit die schijnt te verwijzen naar het befaamde Hollandse binnenhuis van een Jan Vermeer of Pieter de Hooch. En een grotere vertrouwdheid met de verhalen van het Oude Testament (hoewel, Milton...), een neiging ook om de bijbel na te dichten, niet alleen de Psalmen, maar ook Jeremia, het Hooglied en taferelen uit de lijdensgeschiedenis.

In dit boek, het valt niet te verwonderen, prevaleren de grote namen: Huygens, Revius, Vondel. Maar bescheidener talenten als Jeremias de Decker, Jodocus van Lodenstein, Willem Sluiter en Heiman Dullaert handhaven zich met een eigen toon. Was Dullaert trouwens niet een van de groten? De van oorsprong franciscaanse lijdensmystiek vindt bij hem in de 'Christus-sonnetten' een overtuigende poëtische toepassing. En natuurlijk is Valerius daar en vader Cats - maar wie ik deerlijk mis is Jan Luyken. Waarom is hij niet opgenomen? Hij hoort (deels) toch ook tot de zeventiende eeuw? En na zijn 'te wereldse' Duytse Lier heeft hij in het laatste kwart van die eeuw mystieke gedichten geschreven die hem doen kennen als een oorspronkelijke geest, bepaald niet een van de geringsten. Het valt mij temeer op, omdat er ettelijke (mij althans) volstrekt onbekende namen wél te vinden zijn. Die te introduceren deed de samenstellers kennelijk genoegen. Doen zij de lezers daarmee een genoegen? Ja, nu ja, soms. Mij trof bijvoorbeeld wat hier van Johan van Someren is opgenomen. Barok is te vinden in de vertellende stijl van Joachim Oudaen. Maar bij veel van de minor poets taant mijn belangstelling, vaak voert de didactiek, of de polemiek, te zeer de boventoon. Theologisch ruziemaken was nu eenmaal in die eeuw een geliefkoosde bezigheid.

Dat Anna Roemersdochter Visscher gedichten schreef wist ik, maar Anna Maria Schurman? En dan zijn er nog vier andere vrouwen, maar zowel kwali- als kwantitatief stelt het aandeel van de vrouwen teleur. Er zijn ook weinig vertegenwoordigers van die andere onderdrukte minderheid: degenen die bleven hechten aan 'het oude geloof'. Ja, Spieghel en Stalpaert van der Wiele, Jan Krul en Reyer Anslo. Maar Van Duinkerken, in zijn Dichters der Contra-reformatie, noemt er ettelijke meer en verscheidene die hier niet hadden misstaan, Lodewijk Makeblyde bijvoorbeeld.

En dan is er natuurlijk, facile princeps, Vondel, die ten slotte genoeg had van de militante predikanten. De overdaad aan polemiek, die een ondermaat aan poëzie met zich meebrengt, maakt het begrijpelijk dat hij uitweek naar de tegenpartij. Ook anderen evenwel was dat disputeren een doorn in het oog, zonder dat ze overstapten: Volckerus van Oosterwijck getuigt daar nuchter en geestig van.

Terug naar mijn vergelijking. Heb ik te veel aandacht gevraagd voor de verschillen in theologische achtergrond? Is het niet kort en goed een verschil van kwaliteit dat mij de Engelse religieuze poëzie uit de zeventiende eeuw doet verkiezen boven die van ons? Maar toch, ook bij de waardering van poëzie speelt '(on)verenigbaarheid van karakter' een rol. En het karakter van de Nederlanders is merendeels nogal somber. Ze zijn zo zondig en zelden zonnig. Verplicht zondig, denk ik soms.

Eigenlijk is het Geestigh Liedt van Bredero, dat over beteugeling van een te losse levenswandel gaat, veel meer overtuigend dan al dat wroetende zondebesef. Wat dat de wereld is, / Dat weet ik al te wis / (God betert) door 't versoecken: / Want ik heb daer verkeert / En meer van haer geleerd / Als van de beste boecken.

Overigens, wat er bij Bredero staat vermeld aan toelichting is een goed staal van de beknopte, ter zake dienende informatie die de samenstellers in dit boek verschaffen over iedere dichter afzonderlijk. Zij geven bovendien een knappe schets van het godsdienstige, kerkelijke en culturele klimaat in de Republiek, die, behalve verhelderend, een plezier is om te lezen. Zouden zij weten, overpeins ik, dat in het Liedboek voor de kerken een gedicht van Gerbert Adriaenszoon is opgenomen, als lied 419? En van Revius maar liefst zeven, van Vondel vier en van Camphuysen drie teksten? Ze vermelden het niet. Maar zo leven die dichters wél voort bij het (kerk)volk! Van die vijftien gezangteksten staan er twee in dit boek, nl. wat in dat kerkboek de nummers 13 en 420 zijn.

Maar dan valt mij op dat van laatstgenoemd gedicht, van de sympathieke Camphuysen, in dat kerkboek maar twee strofen zijn opgenomen, hoewel Het hart naar boven er zes geeft. Waarom waren wij zo karig? Omdat wij destijds bij de uitgave van dat kerkboek de kans om te laten zien dat de Nederlandse kerk gebaat is bij de Nederlandse letteren - en vice versa - niet op volle waarde hebben geschat?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden