Review

De beheersing van het volle leven

Het dagelijkse leven in de Republiek, grof gerekend van 1550 tot 1800: ,,Zingen was de tweede natuur van de Nederlander. Overal in de Nederlanden werd gezongen: in herbergen, op markten, in koetsen, in legereenheden, in gevangenissen, op schepen, en niet te vergeten in de kerken. Buitenlanders verbaasden zich over het vele zingen op straat, over de aardige melodieën en de grote muzikaliteit van de Nederlanders. Iedereen zong, zo goed als elke dag, in gezelschap of in eenzaamheid. Er was nog volop ruimte voor een lied, want er was nog veel stilte.''

Martin Reints

Met deze verrassende zinnen opent het 'Woord vooraf' van René van Stipriaans 'Het volle leven'. Het boek schetst op een ongebruikelijke manier de samenhang tussen de literatuur en het dagelijkse leven waar die literatuur een rol in speelde.

Het begint met de belangrijke plaats van het strijdlied in de propaganda van de geuzen. Het genre was in 1523 geïntroduceerd met een martelaarslied van Luther. Er zijn ruim 250 geuzenliederen geschreven. Sommige waren spontaan en ongekunsteld, maar andere waren gemaakt door bedreven propagandisten en weer andere door ervaren dichters. In de heftige strijd die werd geleverd, was de maatschappelijke en politieke betrokkenheid van de literatuur niet de uitkomst van een theoretische discussie maar een vanzelfsprekendheid.

Onze literatuur is geworteld in het dagelijkse leven, maar gewone literatuurgeschiedenissen lijken iets te beschrijven dat los staat van de wereld. Ze hebben het over de grote schrijvers die op elkaar volgen, de een na de ander, allen werkend aan een literatuur die uit hoogtepunten bestaat. En daar zijn dan wel ontwikkelingen in te herkennen die je ook in de andere kunsten tegenkomt, maar dat is een kwestie van opeenvolgende modes. Van Stipriaan beschrijft met een goed oog voor het detail de samenhang: waarom er werd geschreven, hoe er werd gelezen, wie de schrijvers betaalde, wie de boeken kocht. Zijn uitgangspunt: literatuur bestaat niet naast het leven, maar maakt er deel van uit.

De bespreking van het lied in het eerste hoofdstuk maakt de centrale positie ervan als oproep tot en verslag van de strijd zonder haperen duidelijk. Met een ruim gebaar bespreekt Van Sti priaan de pamflettenoorlog die ermee verbonden is, de rol die het drukken in dit verband krijgt en de rol van de rederijkerij. Vervolgens bespreekt hij het ontstaan van het persoonlijk schrijverschap, de betekenis en invloed van het emblematische denken, de handel in literatuur, de verzamelingen die ontstonden toen de stroom boeken op gang was gekomen, het hardop lezen zoals dat in de zeventiende eeuw gewoon was en de literatuur die na de Gouden Eeuw ontstond. Het boek schetst daarmee hoe in deze twee-en-een-halve eeuw de luisteraar een lezer werd en de literatuur van een groepsactiviteit veranderde in een eenzame bezigheid.

Dat er hardop werd gelezen, blijkt uit een terloopse mededeling in een aantekenboek van een Friese boer. Hij was op 20 april 1618 's morgens naar Leeuwarden vertrokken, en toen hij 's middags weer thuiskwam moest de dienstmeid hem vertellen dat zijn vrouw was overleden. In de loop van de ochtend had ze een toeval gekregen, maar daar was ze meteen redelijk van opgeknapt. Na het middagmaal was de diensmeid verder gegaan met de grote voorjaarsschoonmaak, terwijl zijn vrouw in de voorkamer de Bijbel ging zitten lezen, ''zo dat de meid in de achterkeuken het goed hoorde''. Een toevallige mededeling die onbedoeld in beeld brengt hoe er werd gelezen. ,,Op het laatst hoorde de meid haar niet meer, terwijl ze er goed op lette, want het bleef zelden bij één felle stuip.''

Een belangrijk streven in de zeventiende eeuw was tot beheersing te komen van de hartstochten. De rede werd voortdurend bedreigd door verliefdheid, jaloezie, woede, gierigheid en hoogmoed, die verdwazing konden veroorzaken. Voor het aansturen van alle lichamelijke en geestelijke functies waren volgens de toenmalige opvatting bloed, gele gal, zwarte gal en slijm verantwoordelijk. Van gezondheid was sprake bij een volmaakte balans tussen de vier lichaamsvochten. Maar de balans werd voortdurend bedreigd door onberekenbare invloeden, zoals het klimaat, de stand van de sterren en de eigen geest.

Ongeveer de hele culturele elite had last van een teveel aan zwarte gal en leed aan zwaarmoedigheid. Was je al geen melancholicus van nature, dan konden overmatige studie, grote verantwoordelijkheden, liefdesverdriet en droevige gebeurtenissen je een zet in de verkeerde richting geven. Krankzinnigheid en zelfs de dood konden het gevolg zijn. De melancholie moest daarom krachtig worden bestreden, en wel door de melancholicus met vermaak op andere gedachten te brengen. Dat zwarte gal door lachen kon worden teruggedrongen verklaart de vele kluchten en komische verhalen waarmee men elkaar vermaakte. Maar ook jagen, muziek maken, reizen, schilderen en dansen konden heilzaam werken, en vriendschap, conversatie en literair getinte gezelschapsvermaken. Er werd niet alleen veel voorgedragen, maar ook uitvoerig gecorrespondeerd. En het was de glorietijd van het toneel. De daar getoonde wisselwerking tussen hartstochten, waandenkbeelden, gedaanteverwisselingen en zinsbegoochelingen dwongen de toeschouwer zijn vernuft volledig in te zetten om het stuk te doorgronden. Waar het uiteindelijk steeds om gaat, is dat de hartstochten beheerst moesten worden.

Eigenlijk is de hele cultuur van deze periode bepaald door het streven naar beheersing, op allerlei terrein. Het is bijvoorbeeld ook te zien in de toenmalige landschapsinrichting. Tussen de talloze informatieve afbeeldingen in 'Het volle leven': een ontwerp voor een stad door Simon Stevin, de aanleg van Hofwijck en van de kaarsrechte Zeestraat tussen Den Haag en Scheveningen, beide door Huygens, en een kaart van de Beemster.

Over de gedachten die ten grondslag lagen aan de geometrische inrichting van de droogmakerij is indertijd bijna niets geschreven - die waren te vanzelfsprekend. Water stroomt het snelste weg door een rechte sloot en je gaat het snelst van de ene plaats naar de andere via een rechte weg -althans op het platte vlak dat Nederland is- dus het is handig en nuttig wanneer de infrastructuur niet kronkelt. Maar Van Stipriaan is erin geslaagd een citaat te vinden dat bewijst dat de geometrie hier ook gewoon mooi werd gevonden. Hij haalt een aantekening aan die is gemaakt tijdens een reis van de hertog van Toscane, die de Beemster in 1669 bezocht: ,,De erg lange en rechte wegen, alle beplant met bomen en met ernaast behoorlijk brede sloten, die veel bijdragen aan de schoonheid, die ook wordt bepaald door de grote aantallen theehuisjes, tuinen en landhuizen, met veel beeldhouwwerk en omringd door brede sloten, die in een prachtige ordening in deze vlakte zijn aangebracht.'' Een kleine maar bijzondere notitie.

Er is een innerlijke tegenstrijdigheid in het volle leven dat in dit boek wordt beschreven: de strijd die dagelijks gestreden werd, kwam voort uit een behoefte aan beheersing en rust. Het boek sluit af met een tekenend citaat, nota bene uit een roman van de koning met wie er een einde kwam aan onze Republiek. Lodewijk Napoleon typeert er ons land als een utopie, waar men erin is geslaagd de wereld naar zijn hand te zetten: ,,Iedere bewoner was in zijn buitenhuis of in zijn prieeltje, dat ze gewoon zijn te bouwen aan het water of langs de weg. Ik zag vriendelijke mensen roken en rustig hun thee drinken, te midden van hun gezin, terwijl de kinderen speelden op het grasveld.'' Deze Nederlanders zongen -lijkt me- geen strijdlied meer maar neurieden zachtjes een psalm.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden