De bagage van een nomade

Met een schilderskist op de rug trok ze achter de aardappelrooiers aan, in Staphorst, in Hattem, in Toscane. Altijd was de schilderes Jo Koster (1868-1944) op zoek naar boeren en ambachtslieden, die ze liefdevol portretteerde. Na haar dood raakte ze in de vergetelheid doordat een groot deel van haar oeuvre in de oorlog verloren ging. Na een lange speurtocht zijn 150 schilderijen achterhaald en kan het 'zwerversleven' van Jo Koster worden gereconstrueerd.

Ze trok op met schilders als Jan Toorop, Ferdinand Hartbrig en Jan Sluijters. Een groot deel van haar leven leidde ze een zwervend bestaan. Ze schilderde in Staphorst, waar ze met de boeren het land opging, woonde in Hattem, maar vertrok ook regelmatig voor langere tijd met haar auto 'Noël' naar Toscane of Bretagne. Zónder chauffeur, wat voor een vrouw in die tijd zeer ongewoon was.

Ze verkocht meer schilderijen dan de door haar bewonderde Vincent van Gogh, maar te weinig om van te kunnen leven. Toch weigerde ze zich aan te passen aan de smaak van het grote publiek. Om in haar levensonderhoud te voorzien -ze was alleenstaand- schreef ze reisverslagen voor kranten en maakte ze portretten in opdracht. In veel opzichten was Jo Koster haar tijd ver vooruit.

Tijdens haar leven werd haar werk regelmatig geëxposeerd, onder meer in het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Dordrechts Museum. Mevrouw Kroller-Müller kocht in 1912 een stilleven van haar. Later voegde ze nog drie schilderijen van de kunstenares aan haar verzameling toe. Hoewel veel musea een 'Jo Koster' in depot hebben, zij het vaak maar een enkele tekening of schets, is ze na haar dood, in 1944, in de vergetelheid geraakt.

Hoe is het mogelijk dat het zo stil is geworden rond Jo Koster en dat haast niemand haar kent? Die vraag dringt zich voortdurend op als je rondloopt over de overzichtstentoonstelling die het Museum Flehite in Amersfoort nu wijdt aan deze schilderes. Die vraag hebben ook de schrijvers van de gelijktijdig verschenen monografie over Jo Koster proberen te beantwoorden. De meest aannemelijke verklaring zoeken de auteurs in de oorlog, toen een aanzienlijk deel van haar werk verloren is gegaan of geroofd, vertelt kunsthistoricus Onno Maurer, die meewerkte aan boek en expositie.

Jo Koster woonde van 1934 tot eind 1942 in bij haar vriendin Truus van Hettinga-Tromp in Den Haag. Dat huis moesten ze verlaten toen het Statenkwartier tot 'Sperrgebiet' was uitgeroepen. De vrouwen evacueerden naar Zaltbommel waar ze onderdak vonden bij een zus van Truus. Tijdens een logeerpartij bij haar beste vriendin Lidy van Spengler in villa 'De Langenberg' in Heelsum overleed Jo Koster. In 'De Langenberg' was een groot deel van haar collectie opgeslagen.

Een paar maanden na haar dood brak de slag om Arnhem uit. Lidy van Spengler moest op bevel van de Duitsers haar villa hals over kop verlaten. Een deel van de schilderijen van Jo Koster kon ze nog in veiligheid brengen. De rest is bij plunderingen geroofd of vernield. Ook brieven en fotoalbums van Jo Koster zijn verloren gegaan, evenals al haar kunstwerken van textiel. Op de expositie herinnert alleen een geborduurd kamerscherm in een eiken omlijsting aan het veelzijdige talent van Jo Koster, die ook grafische ontwerpen maakte en dessins ontwierp voor de beroemde Londense stoffenfabrikant Liberty. Ook het interieur van het huis in Hattem dat ze een aantal jaren bewoonde, had ze grotendeels zelf gemaakt.

In Amersfoort zijn 150 schilderijen van Koster te zien, voor 't merendeel uit particulier bezit. Ongeveer vijftig doeken komen uit de collectie die Jo Koster naliet aan Lidy van Spengler en haar nazaten. Maurer sluit niet uit dat er de komende jaren meer werk van Koster boven water komt. Nu al hebben zich mensen gemeld die een 'Jo Koster' in huis hebben. ,,Vanmorgen kreeg ik nog een telefoontje uit Engeland.''

Niet alleen de oorlog is volgens Maurer debet aan het in de vergetelheid raken van de schilderes. Dat ze een vrouw was heeft naar zijn mening ook een rol gespeeld. Jo Koster was vrijgezel. Ze was ooit verloofd, maar verbrak de relatie nadat ze een operatie had ondergaan, waardoor ze geen kinderen meer kon krijgen. Ze kon moeilijk leven met de gedachte dat ze een belemmering zou zijn voor het toekomstig geluk van haar verloofde, die met haar geen gezin zou kunnen stichten.

In de tijd dat Koster leefde, was schilderen vooral een mannenzaak. Maurer: ,,Het feit dat ze regelmatig exposeerde en zich mocht verheugen in de belangstelling van de bekende kunstadviseur H.P. Bremmer en mevrouw Kröller-Müller, zegt veel over het niveau van haar werk. Ze was geen Van Gogh, maar als je de kunstgeschiedenis zou herschrijven met de rol van vrouwen daarin, dan behoort ze zeker tot de A-categorie. Ze was niet vernieuwend, maar dat wilde ze ook niet. Ze ging volstrekt haar eigen gang en had lak aan de heersende modes en codes. Aan public relations deed ze ook niet. Dat maakt haar ook zo uniek.''

Dat Jo Koster 'last' heeft gehad in haar carrière van haar vrouw-zijn, blijkt volgens Maurer onder meer uit de wijze waarop (mannelijke) critici haar werk beoordeelden. Zo verbaasden sommigen zich rond 1900 over 'den mannelijken ijver en werkkracht' van de jonge kunstenares. De kunstrecensenten hadden over het algemeen wel waardering voor haar werk, maar moesten duidelijk wennen aan het fenomeen dat een vrouw zich als professionele kunstenares manifesteerde.

Jo Koster heeft in heel verschillende stijlen gewerkt, variërend van naturalistisch tot impressionistisch. Verschillende kunstenaars en stromingen hebben haar beïnvloed. Haar eerste schilderlessen kreeg ze op 13-jarige leeftijd in Dordrecht van Roeland Larij. Ze had talent en maakte naam als portretschilderes en met realistisch werk.

In 1894 vertrok ze naar de beroemde Académie Julian in Parijs om zich verder te bekwamen, maar daar bleken vrouwen ook al niet volwaardig te worden behandeld. Teleurgesteld over het conservatieve klimaat besloot Koster naar Brussel te gaan, waar ze drie jaar les nam in het atelier van portretschilder Ernest Blanc-Garin. Ze kwam er in aanraking met de internationale avantgarde en de kunstenaarsbeweging Les Vingt en La Libre Esthétique. Jo Koster raakte er in de ban van het pointillisme, mede onder invloed van Jan Toorop, die in die tijd ook in Brussel verbleef en met wie ze veel contact had. Op de tentoonstelling is ook een potloodschets van Toorop te zien uit 1900 van een boer met bats, opgedragen 'aan Jo'. Het cadeautje inspireerde haar tot een pastel van een wandelende boer met schop.

Vanaf 1900 paste ze de stippel- en streepjestechniek toe, afgekeken van Signac en Seurac, maar ze ontwikkelde daarin een eigen stijl: geen confetti, maar korte streekjes. Maurer: ,,Met haar kleurrijke en zonnige doeken onderscheidde ze zich van het werk van mannelijke schilders in Nederland. Felle kleuren verkochten niet in die tijd, maar eigenzinnig als ze was weigerde ze mee te doen aan de mode van de grijze wolkenluchten of slaaf te worden van een bepaalde stijl.''

Terwijl zij in Staphorst 'het kleurige, intieme en pittoreske' van de klederdracht en bonte interieurs zag, werd Jan Sluijters, die daar ook heeft geschilderd, juist getroffen door de 'verschijning van deze menschen in de natuur, tusschen de groote donkerte der boomen en de verweerde, grillig gekleurd huizen'. Waar Sluijters de 'engheid en bekrompenheid van dezen kleinen stam, die daar leeft tusschen de groote verlatenheden' verbeeldde in donkere, zware kleuren, wat hem door de bevolking niet altijd in dank werd afgenomen, barstte Koster in een jubelzang uit over de schoonheid van het dorp: 'de strakke bontgebloemde mutsjes om de blanke kopjes getrokken en van achter in het prachtige nekje de vlassig gouden krulletjes'.

Vaak keerde ze terug naar Staphorst en leefde het leven van de boeren mee, die haar volledig accepteerden. Maar in 1923 had ze genoeg van het rustieke en romantische Holland en reisde ze regelmatig naar Italië en Frankrijk. Ze hield een dagboek bij, 'Noël en wij', waaruit het beeld oprijst van een schildersnomade die haar eigen weg koos en vergezeld door haar trouwe vriendinnen lak had aan de mannenwereld. Maar ook buiten Nederland vond ze haar inspiratie vooral in het 'onbedorven' tradionele bestaan van mensen in de weidse natuur: Bretonse vissers, Italiaanse bergboeren en marktkooplui, die net als zij met handenarbeid hun inkomen verdienden. Haar kleurrijke neo-impressionistische schilderijen maakten plaats voor naturalistisch getinte doeken. De ruigheid van de Bretonse kust galmde na in haar werk. Ze werd steeds losser. Dwars tegen de strenge adviezen van haar adviseur Bremmer in keerde ze terug naar de stijl waarmee ze ooit begon: het realisme.

Op het eind van haar leven schilderde ze vooral stillevens. Eén van haar laatste doeken was een stilleven met uitgebloeide zonnebloemen en kastanjes, ontleend aan Van Gogh. De sprankelende kleuren, zo kenmerkend voor haar werk, hebben dan plaatsgemaakt voor bruintinten. Alsof ze voorvoelde dat ze niet lang meer te leven had.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden