Beeld Trouw

Poëzie Janita Monna

De avonturen van deze edelman trekken je zeven eeuwen terug in de geschiedenis

Nee, ik geloof niet dat ik eerder van Álvar Núñez Cabeza de Vaca had gehoord. Hij was een Spaanse edelman. Geboren rond 1490, vertrok hij in 1527 naar de West, op een expeditie naar het toen voor Europeanen nog onontgonnen gebied rond de Golf van Mexico. Het zou een rampzalige tocht worden, nauwelijks een handvol van de enkele honderden expeditieleden overleefde.

De belevenissen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca zijn overgeleverd, want de Spanjaard rapporteerde over het wel en wee van zijn omzwervingen aan Keizer Karel V. En dat verslag inspireerde dichter H. C. ten Berge tot een verhalend gedicht over de reis van deze edelman.

Ten Berge ontving met de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs de hoogste lof voor een indrukwekkend oeuvre. Hij is een dichter die zich aan literaire modes niks gelegen laat liggen. Staand in de traditie, volgt hij zijn eigen pad dat in een van zijn vorige bundels, ‘Splendor’, onder meer leidde tot een indrukwekkende reeks over dertiende-eeuwse mystieke vrouwen die in hun overgave aan Christus op het randje van krankzinnigheid verkeerden. Met zijn heldere taal trok Ten Berge de lezer moeiteloos zeven eeuwen terug de geschiedenis in.

Ritmisch stromende taal

En dat gebeurt ook met het verhaal van Álvar Núñez Cabeza de Vaca, dat ‘Cabeza de Vaca’ (Koeienkop) was overigens geen scheldnaam maar een eretitel. Wat de Spanjaard meegemaakt moet hebben is nauwelijks in een paar woorden samen te vatten, het zijn wrede beproevingen, maar ook verrassende, bizarre soms haast onwaarschijnlijke avonturen. De tocht was, zo laat de verteller van het verhaal doorschemeren, eigenlijk van meet af aan gedoemd te mislukken: “Er werden 40 slanke paarden en 300 man ontscheept / om slecht toegerust een blinde tocht / van Florida naar het Azteekse Mexico te ondernemen.”

De leider van de expeditie, een zekere Pánfilo de Narváez, was incapabel en wreedaardig, uit op eigen gewin. Hij overleefde niet. Núñez wel. Hij maakte kennis met de bewoners van de kuststreken, vredelievende en vijandige, hij zwierf, leed honger, werd tot slaaf gemaakt, werd handelsreiziger. Het was een reis vol leed en ellende, maar de kennismaking met nieuw land en nieuwe volken leverde ook iets anders op, een andere blik: “Álvar Núñez leeft alleen tussen de steentijd-indianen. / Hij leert de taal. Is medicijnman, observeert / het leven, de gebruiken. / Hij pioniert als etnoloog / die zijn gastheren in latere jaren/ gaandeweg meer gaat waarderen.”

Dichter H. C. ten Berge, die een fascinatie heeft voor natuurvolken en hun verhalen, zal verwantschap hebben gevoeld met deze ‘etnoloog avant la lettre’. Hier treedt hij in de ‘weggewiste sporen’ van de Spaanse edelman. In een klankrijke en ritmisch stromende taal voert hij de lezer mee naar gebieden die nog naam moeten krijgen. Een rampzalige voetnoot in de geschiedenis haalt Ten Berge dichterbij. 

Álvar Núñez en zijn lotgenoten
werden ‘naakt als pasgeborenen’,
teruggeworpen op het strand.

Zij moeten verwinteren, pendelen
tussen Noodlotseiland en de vaste wal,
waar zuidwaarts door moerassig land

vier rivieren uitmonden in zee.
Spijt of wrok wordt niet verwoord.
Men zwerft rond of wordt gevangen

en tot slaaf gemaakt. Wie niet sterft
door honger, nachtkou, moord
leeft in angst op vreemde grond.

De kustbewoners krijgen krampen, buikloop
teistert indiaanse dorpen, men lijdt
duistere pijnen en de helft gaat dood.

De sfeer wordt dik en dicht, het is
de schuld van de gebaarde, ongenode gasten
die vertrokken en zijn weergekeerd.

Vier verkenners, goede zwemmers, vatten moed
en gaan die winter nog te voet op zoek
naar Mexico, maar komen nimmer aan.

Twee van hen verhongeren op Matagorda, [zuidelijk van Noodslotseiland
de twee anderen worden slaven.
Wanneer een van hen ontvlucht

boren pijlen zich door borst en rug.
Figueroa uit Toledo is de beste zwemmer
en de enige van vier die overleeft.

H. C. ten berge

H. C. ten Berge
De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca
Koppernik; 70 blz.; € 18,50 

Janita Monna (1971) is journalist en recensent. Ze woonde lange tijd op Bonaire waar ze als correspondent werkte. Monna werkte als redacteur Poetry International festival en was initiatiefneemster voor de jaarlijkse Gedichtendag. Voor Trouw schrijft ze wekelijks over poëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden