Review

'Dat 's HEEREN Zegen op u daal'

Op 17 maart 1900, gisteren een eeuw geleden, publiceerde 'De Hollandsche Illustratie' een afbeelding van het mensenoffer in Blauwe Sluis, een gehucht onder Appeltern in het Land van Maas en Waal. Bedoeld werd de moord die de zeven entwintigjarige boer Tinus Scherff in de nacht van vrijdag 2 op zaterdag 3 februari om drie uur op zijn knecht Jan Brenkman had gepleegd, omdat hij deze voor de duivel had aangezien. Volgens de aanwezigen was de knecht niet door de boer maar door Gods hand omgebracht.

Met veel gevoel voor suspense schetst de journalist Hendrik Jan Korterink drie Nederlandse gevallen van infectueuze godsdienstwaanzin met dodelijke afloop uit de twintigste eeuw: Appeltern 1900, Katwijk 1915 en Meerkerk 1944. Dat is het best gelukt met de zaak-Appeltern, waarover de auteur een schat aan informatie boven water haalde. Zijn betoog begint met de nachtelijke wandeling van de gezusters Levoir uit Maasbommel naar de boerderij van Scherff in Blauwe Sluis. Antje (22) heeft haar zus Naatje (16) opgehaald om zich door Scherff te laten 'bevrijden'. In een griezelige seance probeert Scherff bij Naatje zonder succes de duivel uit te drijven, waarna alle bewoners mee moeten helpen. Jan Brenkman weigert op te draven en dat wordt hem fataal. Met stoelen, stokken en messen wordt het dode lichaam bewerkt. Uit de lijkschouwing blijkt dat zijn lichaam zesentwintig verwondingen telt.

Niet alleen het psychiatrische ziektebeeld van de hoofdpersonen Aart en Tinus Scherff, Harry Spiering en de gezusters Levoir komen we te weten, maar ook hoe het hen in hun latere leven verging. Zes personen verdwenen gedurende korte tijd in het gesticht Medemblik, waar dokter Frijlinck hun symptomen glashelder in de dossiers noteerde. De dagbladen in het voor vier vijfde uit katholieken bestaande gebied waren niet onpartijdig. ,,Zeker, er bestaat geloofshaat in Appeltern. Maar die is gezaaid door de anti-papistische dominee De Leeuw uit Altforst. Blijft die voor altijd uit onze streek en wordt de ellendige sekte met wortel en tak uitgeroeid, dan zal weldra de kalmte in ons anders zo vredige Maas en Waal weerkeren'', schreef de rooms-katholiek geïnspireerde Maas- en Waalbode van zondag 11 februari 1900. De vraag is in hoeverre dominee D.W. de Leeuw werkelijk schuld trof. Vanwege de ontstane hetze had hij al op 6 februari met zijn zuster en hoogbejaarde moeder de pastorie verlaten, onder begeleiding van zes manschappen van de marechaussee.

De zaak-Appeltern kreeg een staart, en drong door tot in de Tweede Kamer. Van katholieke zijde verweet men Justitie te weinig krachtdadig optreden. Scherff had straf verdiend in plaats van behandeling, en zijn ontslag uit de kliniek in december van hetzelfde jaar viel niet in goede aarde. Dit politieke aspect maakt 'Moordenaars op zwarte kousen' actueel en interessant.

Helaas is de schrijver er niet in geslaagd om echt tot de kern van de godsdienstwaanzin door te dringen. Daarvoor mist hij inzicht in de psychiatrie en de gedachtewereld van de bevindelijk gereformeerden die zo mooi te zien is in de roman 'Waanzee' (1999) over de drievoudige moord op de Katwijkse logger van Robert Haasnoot. Zo ontgaat het de auteur dat het vele zoenen na 'het zoenoffer' in Appeltern duidt op concretistisch denken zoals dat voorkomt bij psychotische patiënten, en dus niet op ''de kromme uitleg van Scherff en de zijnen van bijbelse begrippen''. Ernstiger vind ik dat de auteur bij een bezoek aan de eenzelvige broers Kees en Abraham Verrips, hoofdpersonen van de bloedige moord in Meerkerk uit 1944, niets zinnigs weet te vragen over 'de oude schrijvers', waarin Kees dagelijks zit te lezen.

De aard van het onderwerp verdient een subtielere benadering dan de populaire, bij tijd en wijle hilarische of zelfs badinerende toon die te beluisteren valt in dit boek, zoals ,,Kat in 't bakkie voor Tinus''. En: ,,Zo willen de zware jongens het allemaal graag: een rechtstreeks teken van God'', of ,,een vrijgezelle dorpsgek met de geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling van een kip in een legbatterij''. Het slotverhaal, over de moord op de stewardess in Putten in 1994, heeft weinig met godsdienst en al helemaal niets met godsdienstwaanzin te maken.

Kenmerkend voor het door Korterink beschreven verschijnsel is het stilstaan van de tijd. De koeien worden niet meer gemolken en de visvangst wordt gestaakt. De stoornis is allerminst verleden tijd of zeldzaam, zoals het recente geval 'Tante Mildred' uit Hoogvliet bewijst, die met vier vrouwen en zes kinderen dagenlang bezig was met bidden en zingen in de hoop op goddelijke genezing. Maar moord is wél uitzondering.

Een ander kenmerk is het veelvuldig opduiken van bijbelteksten in 'de tale Kanaüns', wat de psychotische belevingen extra reliëf geeft. Korterink presenteert daarvan prachtige voorbeelden. Als Tinus geboeid wordt afgevoerd naar de gevangenis zingen zijn huisgenoten hem Psalm 134 vers 3 toe: ,,Dat 's HEEREN Zegen op u daal / Zijn gunst uit Sion u bestraal / Hij schiep 't heelal, Zijn naam ter eer / Looft, looft, dan aller heren HEER.'' Voor het zingen van dit lied kan ik me gelukkiger omstandigheden indenken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden