Essay

Dankzij historische romans begonnen lezers hun bestaan te zien als onderdeel van een grotere geschiedenis

Verwarring rond landsgrenzen baarde de historische roman. Schrijvers zoeken naar parallellen tussen toen en nu.

Wanneer doen historische romans zich voor en waarom? Welke actualiteit belichamen ze, meer of minder verborgen of hoogst doorzichtig? De vraag is niet eens zozeer: waar gaan ze over, die romans, alswel: wat is er in het geding - wat is hun inzet?

Ik heb een historische roman geschreven met Oldenbarnevelt als vrijwel enige hoofdpersoon. Die roman, die vanzelfsprekend óók een psychologische roman is, gaat over de nog uiterst wankele vroege staatsvorming van gewesten die niet zo heel erg verenigd waren, met een overheersende positie van de zeeprovincies, Holland voorop.

De roman gaat al evenzeer over de nog min of meer onbesliste verhouding van de prille staat en de ook prille nieuwe kerk.

Een oude hoop

In dit jaar van de al dan niet harde brexit kunnen we ons afvragen in hoeverre de grenzen weer aan het opspelen zijn. Is er opeens een tijdperk achter de rug, een tijdperk dat van 1989 tot 2019 geduurd heeft? En zijn het niet alleen de zogenaamde buitengrenzen die hevig beginnen op te spelen, maar ook zowel erbuiten als erbinnen de godsdiensten?

Krimp en groei. Internationalisering en nationalisering. Kleiner, groter. De Europese Unie tooit zich met een naam die zo langzamerhand meer een oud programma en een oude hoop lijkt te belichamen dan een werkelijkheid. Maar ook de Verenigde Nederlanden waren een grootheid die met kunst- en vliegwerk, en vaak met touw en plastic plakband bij elkaar werd gehouden. Het was een experiment, er was geen model, er was geen tekentafel.

Tja, waarom gaat het precies, als het om grenzen gaat? Eigen geld en andermans geld? Eigen geloof en andermans geloof? Verdeling van de macht? Het eigen gewest tegen het andere gewest? De regenten, tevens de rijken, tegen het zo goed en zo kwaad als dat ging geregeerde volk? Wie bewaakt de openbare orde? Wie bewaakt de grenzen? Wie bewaakt de ruimte voor de godsdienst? Wie bewaakt de orde van de staat?

De religieuze verbetenheid van grote volksmassa’s, die verder niet zo heel veel in te brengen hadden - het idee dat er slechts één ware godsdienst kon zijn, één leer, waar men zijn handtekening onder diende te zetten, wilde men mee kunnen doen - nee, het is nog niet zo verschrikkelijk lang geleden dat er geen model voor was.

Er is bijna geen beginnen aan om het te beseffen: dat alles, maar dan ook echt alles, zijn geschiedenis heeft. Dit land en z’n grenzen en z’n staatsvorm hebben er een. Een vrij korte geschiedenis weliswaar, van niet eens vijfhonderd jaar. Nog weer iets korter is de geschiedenis van wat we de moderne roman plegen te noemen. Maar veruit het recentst, als genre binnen dat grote geheel, is de historische roman. En het ontstaan van de historische roman heeft op zijn beurt weer alles te maken met - landen, grenzen, staatsvormen. Of om precies te zijn met Europa.

De geboorte van de historische roman

Bij mij in de kast staat al heel lang de studie ‘The Historical Novel’ van Georg Lukács, ongelezen, maar toch. Het boek verscheen in de jaren zestig van de vorige eeuw in een Engelse vertaling. Niet toevallig, ze hebben hun lotgevallen, de boeken. En dat geldt voor deze studie van de Hongaar Lukács in de hoogste mate. De tijdperken, de ideologieën, de oorlogen - in en ook rond dit boek flitsen ze langs.

De auteur met wie Lukács de historische roman laat beginnen is Sir Walter Scott. Diens ‘Waverley’ - over een keurige Engelsman die zich enige tijd aangetrokken voelt tot de dochter van een Schotse rebel, aan wiens zijde hij een tijdlang meevecht, alles gesitueerd in een eerdere eeuw dan die van publicatie - verscheen in 1814. Ziedaar het geboortejaar van de historische roman.

Op Scott, maar vooral op het epochemakende jaar 1814, kom ik zo nog terug. Eerst wil ik inzoemen op de fascinerende context waarin Lukács zijn boek schreef. Hij moet beseft hebben dat de Europese geschiedenis om hem heen volop in beweging was. Het land waar György Lukács in 1885 geboren werd, was nog de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie. Lukács stamde uit een rijke Hongaars-Joodse familie van bankiers (zijn vader) en houthandelaars (zijn moeder). Zijn vader liet de naam Löwinger veranderen in Lukács. De zoon studeerde filosofie en literatuurwetenschap in Boedapest, Berlijn en Heidelberg. In 1918 werd hij lid van de communistische partij.

Dubbelmonarchie

De Dubbelmonarchie zorgde zoals bekend voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en daarmee voor het eigen uiteenvallen in Oostenrijk en Hongarije. Hoeveel geschiedenis en vaderlanden kan iemand meemaken? Lukács heeft de grenzen in een krankzinnig tempo zien veranderen. Hij speelde zelf een rol in de kortstondige Hongaarse Radenrepubliek, 1919, niet ouder geworden dan vier maanden. In 1930 vertrok hij naar Moskou. Daar publiceerde hij in 1937 zijn studie over de historische roman, in het Russisch; terwijl - is daarbij te bedenken - de terreur van Stalin aan de gang was.

In 1938, het jaar van de Anschluss waarbij Oostenrijk werd ingelijfd bij nazi-Duitsland, was Lukács misschien toch min of meer veilig. In 1945 keerde hij terug naar Boedapest. In 1956 maakte hij deel uit van de Hongaarse Opstand. Hij stierf in 1971. De huidige Hongaarse regering, las ik, heeft het pand dat zijn enorme archief herbergde gesloten en een aan hem gewijd gedenkteken verwijderd.

Het is vreemd om te bedenken dat dit boek - waarnaar nog steeds verwezen wordt door iedereen die iets wil beweren over de historische roman - geschreven werd in de rimboe van de geschiedenis van de vorige eeuw, met haar voor de zoveelste keer verschuivende grenzen en veroveringen en nederlagen en geallieerde bezettingen.

Lezen bestaat voor een goed deel uit grilligheden en omzwervingen. Ik had me eerlijk gezegd nooit zo heel erg afgevraagd sinds wanneer er historische romans geschreven worden. Het was in een boek van Beatrice de Graaf dat ik Lukács tegenkwam. De Graaf is in Utrecht hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen. Wie haar gezien heeft, een jaar of wat geleden, als Zomergast van de VPRO, weet hoe zij (zelf meer dan dertig jaar na de oorlog geboren) gevormd is door de lotgevallen van haar geboortedorp Putten, waar een groot deel van de bevolking door de Duitsers vermoord is als represaille.

Landsgrenzen

In haar studie ‘Tegen de terreur. Hoe Europa veilig werd na Napoleon’ geeft Beatrice de Graaf een levendig beeld van wat er direct na Napoleons definitieve nederlaag op gang kwam. Het is 1815. “Talloze toeristen stroomden naar België om daar een rondleiding over de nog met lijken bezaaide velden bij Quatre Bras en Waterloo, vijftien kilometer ten zuiden van Brussel, te krijgen. Ook Walter Scott haastte zich”, schrijft zij, “om het slagveld met eigen ogen te bekijken.”

Nicolaas Matsier

De terreur in de titel van haar boek is die welke al heel snel gevolgd is op de Franse Revolutie, een revolutie die op haar beurt een Napoleon voortbracht, een man met imperiale ambities waaraan pas in 1814 een halt werd toegeroepen door een grote coalitie van zeer diverse Europese tegenstanders.

Een historische kaart laat zien welke delen van Frankrijk deze geallieerde overwinnaars een tijdlang bezet hebben gehouden. De Russen nemen een strook tot aan en in Parijs voor hun rekening, de Pruisen zitten tot in Normandië en Bretagne, de Engelsen ruim rond Cambrai, de Oostenrijkers doen heel Zuidoost-Frankrijk. Het doet - verrassend sterk - denken aan het na 1945 in bezettingszones verdeelde Duitsland.

‘Tegen de terreur’ gaat over hoe deze en nog andere geallieerden de kaart van Europa op het Congres van Wenen hebben bijgewerkt of hersteld of gecorrigeerd, waardoor ze gezorgd hebben voor een nieuwe stabiliteit, die in elk geval een tijdlang min of meer gefunctioneerd heeft. Misschien zullen we er nooit meer helemaal achter komen waarom Scotts werk, na die ingrijpende periode, die de jaren 1789-1815 zijn geweest, zo’n enorme weerklank heeft gevonden in heel Europa en in zo goed als alle Europese literaturen. Allemaal hebben ze zijn werk gelezen, de schrijvers van historische romans. Balzac, Conscience, Manzoni, Tolstoi, Van Lennep, Bosboom-Toussaint - niemand niet.

Lotsverbondenheid

Het gevoel van een breuk met het verleden moet alomtegenwoordig geweest zijn. Lukács meent dat de lezers dankzij Scott en dankzij de omweg van historische romans hun bestaan begonnen te zien als onderdeel van een grotere geschiedenis, waarin zij ook zelf voorkwamen - over de gehele breedte, dwars door rangen en standen heen. In een nieuw gevoel van autonomie en empathie zou er een generatie aaneengesmeed zijn, met een nieuw historisch besef van lotsverbondenheid. Waarbij we ons natuurlijk dienen te realiseren dat er in die negentiende eeuw nergens ook maar iets te vinden was als een kies- en stemrecht voor allen, iets als een voor ons nu vanzelfsprekend geworden vertegenwoordiging, en dat de hier gesuggereerde - en wie weet weet ook werkelijk voor het eerst tot stand gekomen - Europese empathie zich alleen kon voordoen juist in deze mengvorm van de fictie.

Om nog even op Oldenbarnevelts tijd terug te komen, meer in het bijzonder de Bestandsperiode (1609-1621), dat lange intermezzo van een tussentijdse vrede. Juist tijdens dat Bestand vlamden de religieuze tegenstellingen huizenhoog op, nu niet meer tussen de oorspronkelijke tegenstanders, maar binnen die ene kerk waarmee beide partijen het nu eenmaal moesten doen. Ik heb geen buitensporig grote sympathie, moet ik bekennen, voor al die felle calvinisten die tijdens het Bestand met hun voeten stemden, door in lange stoeten demonstratief hun stad of hun dorp te verlaten om zich te begeven naar een kerk waar ze een preek gingen beluisteren die wel naar hun zin was, en die niet uit de mond kwam van een predikant die ze een liberale slapjanus vonden. Maar begrijpen doe ik ze wel.

Ik heb bij deze slijkgeuzen - zoals ze genoemd werden, de mensen die vele kilometers liepen voor de juiste preek - tijdens het schrijven van mijn roman nooit gedacht aan gele hesjes. Die waren er toen ook nog niet. Nu ze er eenmaal zijn, ontkom ik er niet aan om, al is het maar even, een soort van Macron te zien in Oldenbarnevelt. En een soort van gele hesjes in die steeds langere optochten van contraremonstranten. Natuurlijk: mutatis mutandis - zo is dat, met historische vergelijkingen.

Nicolaas Matsier (1945) is romancier en dichter. Dit essay is het vierde in een korte serie op weg naar 13 mei, de datum van Oldenbarnevelts onthoofding in 1619. Onlangs publiceerde Matsier over hem ‘De Advocaat van Holland’.

Lees ook:

De verdwijning van Van Oldenbarnevelt

Hij hoorde bij het in onbruik geraakte vak vaderlandse geschiedenis. Zo verdween Johan van Oldenbarnevelt uit het zicht, enkele exposities ten spijt. Waar is hij gebleven?

Stichters van ons land? Nederland is helemaal nooit gesticht!

De laatste woorden van de stichters van Nederland, Willem van Oranje en Johan van Oldenbarnevelt, confronteren ons met land en volk die er niet waren.

Waarom lezen, en schrijven, mensen historische romans?

Wat drijft een schrijver de historie in? ‘Het vreemde van toen heeft je iets te zeggen wat je mee terug wilt nemen naar de eigen tijd.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden