Review

Dames zonder heer, maar met sigaret, luidden het einde in van de Grand Hotels

Een hotel dat groot uitgevallen is, is nog geen Grand Hotel. Een grand hotel is monumentaal, zeker, maar bij een echt grand hotel hoort iets weemoedigs. Vergane glorie? Onbereikbaarheid? Dat dekt het niet, want iets nieuwsgierig-stemmends hoort er ook bij, iets prikkelend-verleidelijks. Maar ook iets van perfectie, discipline, vakmanschap. Kortom, het is een complex verschijnsel.

De Engelse publiciste en architectuur-specialiste Elaine Denby heeft er een uitgebreide studie van gemaakt. Haar boek 'Grand Hotels' is een lijvig overzicht geworden, dat tegelijk de luxe van een salontafel-boek heeft.

Ergens halverwege haar boek staat een foto van Bernard Shaw tijdens een lange werkvakantie in het Reid's Hotel op Madeira in 1924. De witbebaarde schrijver doet heroïsche pogingen om onder het toeziend oog van de dansmeester de tango te leren, de stramme benen ferm op de grond. Zo'n foto is natuurlijk aardig om z'n anecdotische waarde, maar tekent tegelijkertijd de sfeer van het leven in een grand hotel.

In grote lijnen is de geschiedenis van de grand hotels voor de hand liggend: de opkomst, rond 1830, hangt samen met de opkomst van het treinverkeer, en het verval, een eeuw later, houdt gelijke tred met de sociale veranderingen van na de Eerste Wereldoorlog. Maar in detail is die geschiedenis des te boeiender.

Elaine Denby begint helemaal bij het begin, bij de karavanserai's, en bij het netwerk van herbergen in het keizerlijke China van de dertiende eeuw: luxueuze herbergen, waar altijd honderden verse paarden klaarstonden en waar de boodschappers van de Khan - zoals Marco Polo - tussen zijden lakens sliepen.

Herbergen bleven eenwenlang overnachtingsadressen voor mensen op doorreis. Totdat, in de achttiende eeuw, welgestelde jongeheren hun grand tours begonnen te ondernemen. Italië kwam in de mode. In Venetie en Rome ontstond een heuse toeristenindustrie. Badplaatsen kwamen in trek. En op den duur werd een 'sea-water cure' zoals dat van de beroemde dr. Russel's in Brighton een excuus om een plezierreisje te ondernemen.

Ook de aristocratie wilde langzamerhand meer dan logeerpartijen op bevriende landgoederen: hotels werden een acceptabel en respectabel alternatief. Het Queens Hotel in Cheltenham, gebouwd in de eerste reringsjaren van koningin Victoria, werd de eerste van een lange rij.

Met de komst van de eerste spoorwegmaatschappijen kon het echte grote reizen beginnen. Spoorwegstations werden gebouwd, en bij die stations verschenen voor het eerst de prototypes van het 'grand hotel', het Londense Great Western Royal bijvoorbeeld (dat zijn enorme omvang van meer dan honderd bedden overigens dankte aan de Grote Tentoonstelling die in 1851 in Londen werd gehouden). Elke spoorwegmaatschappij bouwde zijn eigen hotel en had zijn eigen beroemde architecten, en hun - vaak classicistische of neo-gotische - bouwwerken domineerden decennia lang hele steden en wijken.

Amerika kende zijn eigen ontwikkelingen. Hier kwamen de nieuwste technische snufjes vandaan: sloten op de deuren van individuele kamers, blusapparaten, hydraulische liften ('rising rooms'), en dienstliften voor de eindeloze hoeveelheden kolen voor de kachels in alle kamers. In Saratoga Springs begon een florerende combinatie van badhotel en paardenrennen - compleet met orkestmuziek en moeders met dochters in de huwbare leeftijd, net als Jane Austen's personages in Bath een paar generaties eerder.

In Frankrijk wedijverde Parijs met de Cote d'Azur. In Parijs wordt in 1855, bij de eerste Exposition Universelle, het Grand Hotel du Louvre gebouwd, met 700 kamers, een wijnkelder met een miljoen flessen, en een spectaculaire salle de fêtes, waar Jacques Offenbach Mme Patti begeleidde, en waar dr. Stanley plechtig uitgewuifd werd voor zijn reis naar Afrika. (Hier werden overigens nog tot aan het begin van deze eeuw op alle verdiepingen manden hout verkocht voor de open haarden. Hoe zou het daar op die gangen wel niet geroken hebben...). Aan de Rivièra had Nice zijn beroemde Promenade des Anglais, en de casino's in Monaco veroorzaakten een ware goldrush. Maar in Parijs had César Ritz van het Grand Hotel de beroemde kok Escoffier als troef.

Binnen en buiten Europa, tot Sjanghai en Calcutta aan toe, werden grand hotels gebouwd, de een nog weelderiger dan de ander. De geschiedenis van de grand hotels is tegelijkertijd de geschiedenis van de upper class en van het leven in de koloniën. Denby's boek is ook in dat opzicht echt een 'social history'.

Ook ons eigen Scheveningse Kurhaus wordt uitgebreid beschreven. Toorop tekende hier de menukaarten, het gastenboek werd geïllustreerd door de schilders uit de Haagse School, en de Kurzaal was beroemd om zijn concerten. In Amerika wordt het Waldorf-Astoria toonaangevend, gebouwd door William Waldorf Astor, zoon van John Jacob Astor, die uit het Duitse Waldorf was gekomen en als bonthandelaar Amerika's rijkste miljonair was geworden.

In het begin van deze eeuw begonnen zich hier voor het eerst dames te vertonen zonder begeleiding van heren. De maîtres d'hotel vonden het een schande, maar konden er niets tegen ondernemen. Dergelijke publieke vertoningen van sigaretten rokende en gedécolleteerde, maar voor het overige welgestelde en zeer respectabele dames, hadden als onbedoeld gevolg dat de grand hotels, die het juist van de, ongeschreven, strenge wetten moesten hebben, aan toonaangevendheid inboetten.

In Elaine Denby's verhaal wordt de neergang van de grand hotels slechts terloops in dergelijke passages aangestipt. Ze beschrijft bijvoorbeeld hoe Art Nouveau en de arts & crafts-beweging maar betrekkelijk weinig invloed kregen: alles bleef vooral bij het oude. Terwijl die oude grandeur zichzelf begon te overleven. En met de steeds toenemende mobiliteit in het algemeen, en die van de nouveau riches met hun auto's en privé-jachten in het bijzonder, raakte de exclusiviteit van de hotels op de achtergrond.

Dat die achteruitgang niet in extenso wordt beschreven is misschien een gebrek, maar wellicht ook onvermijdelijk in zo'n uitbundig en slechts een enkele maal wat opsommerig boek. De architectuurgeschiedenis die Denby en passant vertelt, de schitterende foto's, het is alles van een grote rijkdom.

Hebben we nu een antwoord gekregen op de vraag wat een hotel tot een grand hotel maakt? Jazeker. De anecdotes zeggen genoeg. De olifant die maître d'hotel Olivier uit de plaatselijke Jardin des Plantes laat komen om een veeleisende klant gekookte olifantspoten voor te kunnen zetten; het zwartboek waarin Herr Badrutt van het Palace in St. Moritz z'n minder gewenste gasten bijhoudt: 'distingué, mais ne peut pas payer' (beschaafd, maar kan niet betalen), of 'est allé au Grand Hotel avec sa maitresse' (is met zijn maitresse naar het Grand Hotel gegaan).

En lees het verhaal over César Ritz, die in de onbestaanbaar korte termijn van twee dagen in het Grand Hotel National in Luzern een feest organiseert ter gelegenheid van de verloving van een Poolse graaf met Napolitaanse royalty. Geld speelt uiteraard geen rol. Het is een warme zomeravond, en na een prachtig diner strekken de gasten buiten op het terras de benen. Op het Vierwoudstedenmeer dobberen verlichte boten, er zijn fonteinen met gekleurd water, 'O Sole Mio' klinkt, kortom, all the works. Plotseling flikkert er een rood licht op, op de top van de Pilatus-berg aan de overkant van het meer. Het groeit uit tot een enorm vuurbaken. Op de Rigi, op de Uri-Rotstock, op alle bergtoppen in de rondte worden één voor één vuren ontstoken. En let wel, dat was geen kwestie van hi-tech laserinstallaties, nee, allemaal handwerk! Wat een gevoel voor theater en voor het grote gebaar, wat een organisatietalent! En voilà de kenmerken van een grand hotel in optima forma.

De grand hotels zijn intussen als gebouw niet meer in hun bestaan bedreigd; bij de meeste is wel een vorm gevonden waarin ze kunnen overleven. Maar wat het 'grand' betreft, ach, wij hebben nog altijd Miss Saigon in het Kurhaus, en de Rolling Stones in het Amstel Hotel, met massa's hysterisch publiek op de stoepen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden