Review

CULTURELE ANTROPOLOGIE

Nauwelijks in functie als assistent-resident van Lebak (1856), diende Eduard Douwes Dekker een aanklacht in tegen het inlands hoofd inzake machtsmisbruik, knevelarij en afpersing van de bevolking. Hij werd overgeplaatst. Wilhelm Middendorp werd in 1910 aspirant-controleur in de omgeving van Medan. Ook hij maakte kennis met gewelddadige en onmenselijke toestanden op de plantages, die bij hem afschuw en verontwaardiging opwekten. Hij werd overgeplaatst. In het Letterkundig museum opende deze week de tentoonstelling 'Nestbevuilers' haar deuren: over 400 jaar critici van het Nederlandse bewind in de Oost. Douwes Dekker is er natuurlijk bij met zijn Max Havelaar. Middendorp niet. Zijn onvrede vond geen literaire of journalistieke, maar een wetenschappelijke uitweg: in een etnografische studie van een volk dat nog heel was, de Karo Batak. Negentien jaar na zijn dood is zijn werk nu gepubliceerd. H. Slaats en K. Portier (naar teksten van W. Middendorp): Wilhelm Middendorp over de Karo Batak, 1914-1919 (deel 1). 313 blz., geïll. Recht en Samenleving, nr. 11, KU Nijmegen, f 65,-. 'Nestbevuilers': tot en met 10 dec. in het Letterkundig museum, Prinses Irenepad 10, Den Haag. Di. t/m za. 10.00 - 17.00 uur, zon- en feestdagen 13.00 - 17.00 uur.

Zodoende verzamelde hij tussen 1914 en 1920 een indrukwekkende hoeveelheid etnografisch materiaal, met de bedoeling om dit in een monografie te verwerken. Tot vrijwel het eind van zijn leven (1976) heeft de perfectionist Middendorp aan zijn werk gesleuteld. Hij schikte en herschikte zijn gegevens en voegde op grote schaal aan de bestaande manuscripten nieuwe teksten en aantekeningen toe. Op gevorderde leeftijd lieten zijn creatieve vermogens hem gaandeweg in de steek en verloor hij het overzicht over zijn werk, waardoor hij er niet aan toekwam er openbaarheid aan te geven.

Dat is de verdienste van de jurist Herman Slaats en de antropologe Karen Portier, die zelf sinds 1973 onderzoek hebben gedaan bij de Karo Batak. Zij hebben de teksten van Middendorp geordend, samengesteld en geredigeerd, waarna publikatie financieel mogelijk werd door de Wilhelm Middendorp stichting, die na zijn overlijden door zijn beide dochters in het leven was geroepen.

Het nu verschenen eerste deel begint met een biografie van Middendorp en een inleiding op de Karo Bataks toen en nu, waarna naar teksten van Middendorp een algemene geografische, sociale en historische schets volgt. Die vormt het kader voor een uitgebreide behandeling van de onderwerpen bestuur, rechtspraak en de verschillende vormen van gereglementeerde eigenrichting. Het tweede deel, dat vooral zal gaan over materiële cultuur en rites de passage, is in voorbereiding.

In het boek verantwoorden de samenstellers zich uitvoerig over de wijze waarop ze de bewerking van de manuscripten van Middendorp ter hand hebben genomen. Omwille van het authentieke karakter is gekozen voor het zoveel mogelijk integraal handhaven van de bestaande teksten in de schrijfstijl van de auteur.

Dat deze afweging nodig was, wekt enige verbazing als we in het Voorwoord lezen welk belang de redacteuren aan Middendorps werk hechten, wat bij voorbeeld een keuze voor selectie en aanpassing van teksten die de toets van de huidige opvattingen zouden doorstaan, volkomen uitsluit: “De door Middendorp gehanteerde theorieën, begrippen en benaderingen geven een blik op de destijds gangbare conventies in de volkenkunde, en op de wijze waarop de bestuurder Middendorp, als niet-professioneel onderzoeker, daarmee is omgegaan. Zijn teksten geven, ten slotte, ook een beeld van de manier waarop een socialistisch geïnspireerd koloniaal bestuursambtenaar als Middendorp, opgeleid en werkend in de geest van de 'Ethische Politiek' (. . .) zijn kennis aanwendde ten behoeve van zowel een efficiënte bestuursvorming als van het belang van het volk, hetgeen in zijn ogen in elkaars verlengde lag, althans behoorde te liggen”.

In Middendorps tijd bestond er grote belangstelling voor 'vreemde' volken en culturen, waarbij de aandacht zich met name richtte op exotische en soms bizarre aspecten, die afweken van wat in de westerse samenleving als 'normaal' werd beschouwd. Onderzoek naar niet-westerse culturen verkeerde, zeker in ons land, nog in de fase van de 'leunstoelantropologie': de volkenkundige bestudeerde voornamelijk vanachter zijn bureau de reisverslagen en ambtelijke rapporten van missionarissen, zendelingen, bestuursambtenaren en avonturiers. De moderne vorm van veldwerk, waarin de methode van participerende observatie centraal staat, was in die tijd nog allerminst gemeengoed.

Culturen werden veelal beschreven vanuit evolutionistische theorieën, waarin ontwikkeling van primitief tot hoogbeschaafd werd verondersteld. Nog in 1927 werd de volkenkunde door enige toonaangevende beoefenaars ervan getypeerd als 'de wetenschap die zich bezighoudt met de kennis van lager beschaafde menschen en hunne minderjarige maatschappijen'.

Onmiskenbaar is het werk van Middendorp geschreven in de geest van de toenmalige volkenkundige opvattingen. Zo wijst hij herhaaldelijk op zogenaamde survivals, overblijfsels uit eerdere ontwikkelingsstadia, en is zijn werk doortrokken van animistische en totemistische termen en ideeën ter aanduiding en verklaring van wat in zijn ogen veelal gewoonten, voorwerpen en ceremonies waren uit voorbije tijden.

Middendorp volgde in zijn studententijd in Leiden een cursus marxisme bij Herman Gorter. Deze kennismaking met het ideeëngoed van communisme en socialisme liet een grote indruk bij hem achter. In zijn eigen schematische opzet voor het boek kondigt hij aan, bij zijn onderzoek de methode van het historisch materialisme te zullen volgen. In overeenstemming hiermee stelt hij verderop de produktiewijze en produktieverhoudingen aan de orde, die in zijn zienswijze de “juridische en politieke verhoudingen scheppen”. Ter aanduiding van de Karo Batak-maatschappij bezigt hij begrippen als 'oorspronkelijk communisme' en 'communistisch agrarisch volk'. Hier en daar waagt hij zich aan nogal cryptisch aandoende revolutionaire uitspraken: “Het gebod om met niet meer dan twee gezinnen in een huis te wonen (. . .) is m.i. dan ook een zeer onrechtmatige bolschewistische daad”, schrijft hij als hij zich keert tegen een voorgenomen maatregel van de “westersche overheerscher” om het woongedrag van de Karo Batak te veranderen.

Deze ferme taal is echter niet representatief voor Middendorps socialistische wereldbeeld. In een nonchalant geschreven notitie, bedoeld voor de conclusie van zijn werk, belijdt hij zijn geloof in de geleidelijke voortschrijding naar het betere, waarbij een lyrisch getoonzet socialisme hand in hand gaat met godsvrucht: “En bij rijp worden groeit in de schoot van het kapitalisme zijn eigen kind, het socialisme, dat een man zal worden om eveneens af te sterven, gelijk ook de mooiste roos opbloeit. . . om te vergaan als zijn taak is volbracht. Maar ons geloof zegt dat God altijd rozen laat bloeien voor wie bidden en werken.”

Middendorp genoot inmiddels faam als bestuursambtenaar en het strekt hem tot eer dat hij grote belangstelling aan de dag legde voor de cultuur van het volk waarover hij bestuurlijk was aangesteld. Maar zijn ambtelijke taak stond voorop en het verzamelen van etnografische gegevens had primair tot doel de kwaliteit en effectiviteit van zijn bestuur te ondersteunen. Dit speelt voortdurend op de achtergrond bij zijn waarnemingen en staat een wetenschappelijke onbevangenheid, zoals in de latere antropologie-beoefening gebruikelijk, in de weg.

Dat hoeft op zich geen bezwaar te zijn, het gaat immers om een beeld van toen, maar het wordt pas wat pijnlijk wanneer we weten dat Middendorp juist een wetenschappelijke etnografie voor ogen stond en niet een soort uitgebreide 'memorie van overgave' zoals die door een ambtenaar ten behoeve van zijn opvolger werd opgesteld bij de overdracht van het ressort.

Doordat hij zich onzeker voelde in het wetenschappelijke forum, zo menen ook Slaats en Portier, neigde hij ertoe om zijn manuscript 'op niveau' te brengen door zijn materiaal op een nogal geforceerde en onkundige wijze te verbinden met gangbare wetenschappelijke theorieën en ideeën. Zo ontkomt men niet aan de indruk dat begrippen als 'analogie toover', 'preanimistische offerande' en 'magisch-religieuze stoornis' niet zozeer stoelen op een gedegen kennis van de religieuze etnologie, als wel als een konijn uit de hoed worden getoverd waar Middendorp verlegen zit om een rationele verklaring van historische, juridische of soortgelijke aard.

Bovendien bediende Middendorp zich van een ambtelijk taalgebruik en had hij een hang naar detail en volledigheid, wat zich uit in lange en ingewikkeld samengestelde zinnen en bijzinnen. Hier en daar vervalt hij zelfs in een oubolligheid, die schier onverteerbaar is. Zo schrijft hij als het over de watervoorziening bij de Karo Batak gaat: “Als Hollanders mij vragen: Zou er wel een vuiler mensch zijn dan Bataks?, dan was mijn antwoord doorgaans: Ja, de Hollanders bv., die zijn minder zindelijk op hun lichaam.”

Dit alles te zamen leidt mij tot de conclusie dat hele lappen tekst in het boek van Slaats en Portier niet zozeer illustraties zijn van geslaagde pogingen van een etnografie bedrijvende koloniale ambtenaar, als wel een bewijs van zijn mate van onvermogen daartoe. En welk belang moeten we daar nu aan hechten?

Maar dat wil nog niet zeggen dat Middendorp niets van waarde te melden heeft. De oorsprongsverhalen, uit de mond van informanten opgetekend, zijn boeiend. Ook de Batak-verhalen 'in gelijkenissen' over de komst van de Hollanders op de Karo-hoogvlakte in 1904 zijn van betekenis en zijn concrete, fraaie voorbeelden over de rechtspraak doen niet onder voor moderne antropologische 'cases'.

Even curieus als interessant is het initiatief van Middendorp om een oorlog te heropvoeren tussen twee notoire tegenstanders om inzicht te krijgen in de krijgskunde van weleer. Zij traden in deze namaakstrijd zelf op als acteurs, waarbij, om het risico van een werkelijk conflict te verminderen, de echte winnaar de rol van verliezer op zich nam en vice versa.

En zo is er wel meer op te noemen dat aangemerkt kan worden als waardevolle historische toevoegingen aan de bestaande literatuur over de Karo Batak. Maar dit zijn allemaal krenten in een nogal stugge pap, die voor de geïnteresseerde lezer in een zorgvuldig samengestelde bloemlezing van Middendorps werk beter tot hun recht waren gekomen. De rest had men keurig geordend in een archief kunnen opbergen ter inzage voor een klein clubje gespecialiseerde vorsers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden