Essay

Conservatief en opruiend: de echte erfgenaam van Frans Kellendonk is Thierry Baudet

Harlingen, 2 oktober 1986. Schrijver Frans Kellendonk bij de uitreiking van de Anton Wachterprijs. Rechts met sigaret de winnaar van de prijs Wessel te Gussinklo, voor zijn boek ‘De verboden tuin’. Beeld Hollandse Hoogte / Bert Verhoeff

Vroeger was alles beter’, vindt Thierry Baudet. Die cultuurkritiek heeft Jaap Goedegebuure eerder - en fraaier verwoord - gehoord: bij de in 1990 overleden schrijver Frans Kellendonk.

Volksmenners staan niet zelden in een geur van heiligheid. Met banvloeken en dreigementen, gladde praatjes en mooie beloftes wekken ze graag de indruk dat er met hen een Messias is opgestaan die met een enkele vingerknip wonderen kan verrichten. “Willen jullie minder Marokkanen? Goed, dan regelen we dat!”

Hoewel we er in het nuchtere Nederland lang van gevrijwaard zijn gebleven, horen we sinds het begin van deze eeuw helemaal bij de grotemensenwereld, ook wat het stereotiepe lot van dergelijke Messiassen betreft. Pim Fortuyn werd vermoord voor hij met zijn zegenrijke werk kon beginnen, Geert Wilders schikt zich steeds gretiger in de mantel van profeet die in eigen land wordt verguisd.

Van de meest recente verschijning van het type, Thierry Baudet, is op YouTube een video te vinden waarin hij een zaal jeugdige volgelingen toespreekt, zalvend, charmerend, belerend, maar ook waarschuwend en opzwepend. Behendig acteert hij nu eens als rattenvanger van Hamelen (‘volg mij en ik zal jullie de blinddoek afrukken om de Waarheid te tonen’), dan weer als omroeper van oproer en doemdenker (‘het parlementaire gepriegel op de vierkante millimeter laat zien dat we in een eindtijd leven’). Abstracte kunst, atonale muziek en moderne architectuur doet hij af als de producten van verdoolde zielen die het contact met de kosmische orde zijn kwijtgeraakt. Bij wijze van remedie beveelt hij een symfonie van Haydn aan, bij uitstek representatief voor een tijd dat het menselijk vernuft op zijn hoogtepunt was.

Visionair 

Napoleon, welbeschouwd een tiran die miljoenen doden op zijn geweten heeft, is in Baudets beleving een visionair aan wie onze krentenwegende politici een voorbeeld mogen nemen. Met droge ogen beweert hij dat de westerse samenleving kon groeien en bloeien door de blik naar buiten te richten, waarbij hij achtereenvolgens Jeruzalem, het oude Athene en Rome en de rond 1500 begonnen koloniale expansie noemt. Dat we voor onze wiskunde en liefdeslyriek veel aan het islamitische Andalusië te danken hebben, vertelt hij er niet bij.

Veel van wat Baudet in deze toespraak te berde bracht, stond al in zijn proefschrift ‘De aanval op de natiestaat’ en de columnverzameling ‘Oikofobie’. Maar in zijn leerrede tot de jongelingschap van het Forum voor Democratie zette hij het allemaal een stuk grover in de verf. Hij voegde er opinies aan toe die ik al vaker had vernomen. Niet uit zijn mond, maar uit die van de schrijver Frans Kellendonk (1951-1990). Zo zei Baudet dat we met de dood van God ook de vaste grond onder onze voeten kwijtgeraakt waren. Het deed me denken aan een uitspraak van Kellendonk die in de schepping een gat had ontdekt waar God mooi in zou passen. Maar helaas ontbrak hem het noodzakelijke geloof om dat gat te vullen. Dus koos hij er maar voor om te doen alsof er meer tussen hemel en aarde is dan onze waarneming leert. Hij gaf zich over aan zijn twijfel en maakte van God een project. “Als Hij niet bestaat, dan moet Hij worden uitgevonden. Met behulp van het scheppende intellect, waarom niet?”

Bij Baudet hoorde ik iets wat daar op lijkt. Laten we leven, zo oreerde hij, “alsof er orde en harmonie in de kosmos is, en laten we in overeenstemming daarmee de wereld ordenen.” Of hij net als Kellendonk wel eens droomt van een bestaan als middeleeuwse monnik of plattelander onder de hoede van een dorpspastoor, valt te betwijfelen. Nostalgie naar de geborgenheid van de moederkerk en de gezelligheid van het rijke roomse leven, waarvan Fortuyn ongegeneerd blijk gaf, is Baudet vooralsnog vreemd.

Gelijkenis

De gelijkenis tussen de in 1990 overleden schrijver en de in 1983 geboren politicus wortelt in de conservatieve cultuurkritiek die aan het einde van de achttiende eeuw opkwam. Ontkerstening, secularisatie, individualisering en emancipatie, allemaal vruchten van de Verlichting, werden door denkers en dichters als Edmund Burke, Novalis, Chateaubriand en Joseph de Maistre diep betreurd, trots op de nationale identiteit en behoud van het volkseigen hartstochtelijk aangeprezen. Latere cultuurcritici beschouwden de moderniteit als het grote kwaad en zetten niet zelden racistisch aandoende voetnoten bij twintigste-eeuwse fenomenen als migratie en multiculturaliteit.

Tekst gaat verder onder de afbeelding

Beeld RV

Baudet scoort niet op alle dimensies van deze cultuurkritiek, maar haalt toch voldoende punten om als de jongste loot aan deze ruim twee eeuwen oude stamboom te kunnen gelden. Toen ik hem ernaar vroeg, kwam hij daar eerlijk voor uit. En voegde eraan toe dat hij Kellendonks werk met bewondering gelezen had.

Dit alles roept vanzelf de vraag op wat Kellendonk van Baudet (en per implicatie ook van Fortuyn en Wilders) zou hebben gevonden als hij nu nog had geleefd. Hem zo’n beetje kennende, denk ik dat hij afstand had bewaard. Waarschijnlijk zou hij de draak hebben gestoken met de parmantigheid waarmee Fortuyn zich alvast tot leider van Nederland uitriep, met de opgefokte en vulgaire toon van Wilders, met de geldingsdrang van Baudet. Maar dat neemt niet weg dat er tussen de ideeën en de visies van het genoemde drietal en die van hemzelf tal van overeenkomsten bestaan.

Opiniemaker

Frans Kellendonk was er nooit op uit om zich te laten gelden in de hoedanigheid van opiniemaker. Daarmee onderscheidde hij zich van een oudere collega als Harry Mulisch en van al die hedendaagse literatoren die mogen aanschuiven bij Jeroen Pauw en Matthijs van Nieuwkerk om er hun licht over de toestand in de wereld te laten schijnen.

Maar opinies had hij wel degelijk. Hoewel je hem naar hedendaagse maatstaven gerekend mediaschuw zou mogen noemen en hij de publiciteit zoveel mogelijk uit de weg ging, heeft hij zich toch opvallend vaak met journalisten verstaan en geregeld zijn zegje gedaan vanachter een of ander spreekgestoelte. Ook in de doorwrochte essays en boekbesprekingen die hij leverde aan Vrij Nederland en NRC kwamen politiek en maatschappij zeer geregeld aan de orde, zoals het twee jaar geleden verschenen ‘Verzameld werk’ volop laat zien.

In de jaren dat Kellendonk als schrijver actief was kwam de multiculturele samenleving prominent op de agenda te staan. Wel werd er heel anders over gesproken dan vandaag de dag. Etnische en religieuze verschillen werden door overheden en beleidsmakers zoveel mogelijk gebagatelliseerd, ook nadat er vanaf de jaren zestig een massale arbeidsmigratie vanuit Turkije en Marokko op gang was gekomen en de islam uitgroeide tot een geduchte maatschappelijke factor. In Kellendonks ogen getuigde die houding van een bijna misdadige onverschilligheid. “Politieke partijen praten veel te gemakzuchtig over de mogelijkheid van een multiculturele samenleving. Wat zij voorstaan is eigenlijk: vervlakking. Maar die vervlakking lokt uiteindelijk veel geweld uit.”

Minstens zo gevaarlijk

Kritiekloze verheerlijking van de demografische diversiteit vond hij minstens zo gevaarlijk als enghartig nationalisme. Mensen ontleenden hun identiteit nu eenmaal aan een cultuur waaraan ze vastigheid ontleenden. Je deed er beter aan om die niet van hen af te pakken.

Kellendonk was ervan overtuigd dat de teloorgang van de sociale cohesie niet alleen kwam door migratie. Hij zag een minstens zo nauw verband met de afkalvende positie van het christendom met zijn verbindende rol. Daar vestigden naderhand bepaald niet als kerkelijk meelevend bekendstaande politici als Frits Bolkestein en Job Cohen de aandacht op. Fortuyn sloot zich daar bij aan. Maar Kellendonk formuleerde het allemaal een stuk polemischer: “Een straat waar men op de ene hoek een katholieke kerk probeert te handhaven, op de andere een moskee en nog een hindoetempeltje ergens in het midden, is een straat waar binnen de kortste keren helemaal geen godsdienst en helemaal geen gemeenschap meer zullen zijn.”

Echo

De echo van deze indertijd geruchtmakende uitspraak was laatst te beluisteren bij Baudet. Die had zich geërgerd aan een schoolagenda die kinderen warm moest maken voor de Europese eenwording. De religieuze feestdagen van de islam, het hindoeïsme en het boeddhisme stonden er keurig in vermeld. De christelijke was men tot zijn ergernis vergeten.

Kellendonk liet zich niet alleen kritisch uit over de utopie van een multiculturele samenleving, hij keerde zich ook tegen de verwording van het politieke bestel en de perverse manier waarmee de verzorgings- en consumptiemaatschappij de mens gegijzeld heeft. Hij had het in dat verband over ‘democratisch kapitalisme’. Wat daaronder moest worden verstaan had hij al luid en duidelijk laten horen in een lange tirade in zijn verhaal ‘Buitenlandse dienst’ (1983): “De Nederlanders zijn zo onverschillig omdat de democratie suffe slaven van hen heeft gemaakt. De politici belijden die staatsvorm als ‘het minste van alle kwaden’. Dat noemen ze overtuiging. Dat durven ze een geloof te noemen! In de Griekse polis, daar kenden de burgers elkaar, daar kon je besluiten nemen. Maar hoe gaat dat bij ons? Hier regeert de anonieme macht van het getal. De meerderheid beslist, maar de meerderheid is niemand, ze kan nergens op worden aangesproken.” >>

Geheel in lijn

Geheel in lijn met conservatieve cultuurcritici die hem voorgingen, zocht Kellendonk de oorzaak van de kwaal bij de Reformatie, niet alleen een kerkelijk schisma zonder weerga, maar ook het begin van ontwikkelingen in wetenschap en filosofie die de Waarheid eerst zouden ontdoen van haar absolute aanspraken, om haar in onze postmoderne tijd ten slotte te laten verkruimelen tot iets zeer betrekkelijks.

“Was de oorspronkelijke gedachte achter de democratie dat twee meer weten dan één en dat de kans om de waarheid te ontdekken daarom het grootst is wanneer zoveel mogelijk mensen aan die zoektocht deelnemen, nu wordt de democratie verdedigd met het argument dat de waarheid niet bestaat en dat daarom de meerderheid maar de doorslag moet geven. Zo hebben we de democratie stilzwijgend weer vervangen door de wet van de jungle, want het recht van de meerderheid is een getalsmatige versie van het recht van de sterkste. En het sterkst zijn altijd de gevestigde belangen.”

Sweeping statements

Het zijn me de sweeping statements wel. Maar als je er de overdrijving van afschraapt kom je toch bij een heldere en niet mis te verstane boodschap. Daarom is het merkwaardig dat Fortuyn ooit kon beweren dat de schrijvers van Kellendonks generatie de verveling tot dominant thema hadden verheven. In werkelijkheid was zijn diagnose als zou de Nederlandse samenleving van na de oorlog ‘verweesd’ zijn al veel eerder door Kellendonk gesteld.

 Was Kellendonk in 1990 niet aan aids bezweken, hij had zijn roman ‘Leeuwendalers’ vast weten te voltooien. Daar had hij dan minstens zoveel gerucht mee veroorzaakt als met ‘Mystiek lichaam’ (1986). Die groteske parabel over een onvolledig gezin plus een onsympathiek Joods personage was duidelijk bedoeld als de lachspiegel waarin de seculier geworden en dientengevolge desintegrerende samenleving haar evenbeeld mocht herkennen. ‘Mystiek lichaam’ gaf aanleiding tot beschuldigingen van antisemitisme, homofobie en vrouwenhaat.

Reactie

‘Leeuwendalers’ kwam bij wijze van reactie op al die verdachtmakingen. Geprikkeld door de manier waarop diverse media in 1983 verslag hadden gedaan van de moord op de Antilliaanse jongen Kerwin Duinmeijer wilde hij laten zien dat ‘links en weldenkend Nederland’ het racisme broodnodig had, al was het alleen maar om het te kunnen brandmerken als het Grote Kwaad. Hij beschouwde dat als een typisch geval van wijzen naar de splinter in andermans oog zonder dat men enig idee had van het bord voor de eigen kop.

Lang voordat hij met ‘Mystiek lichaam’ zijn nek uitstak, had Kellendonk zich al tegen de politieke correctheid gekeerd. In 1984 liet hij weten dat hij de reacties op Janmaats Centrumpartij veel bedenkelijker vond dan de partij zelf. Echt gevaarlijk vond hij degenen die zonder enige aarzeling het kwaad wisten te benoemen, bij voorkeur ver van het eigen bed waar ze hun reine geweten te ruste legden.

Dat laatste is iets waaraan het bij politici als Baudet en Wilders ten enenmale schort. Zij staan altijd klaar om zondebokken aan te wijzen. Als het geen Polen of Marokkanen zijn, dan is het wel de Europese Unie, de gemeenschappelijke munt, de links-liberale grachtengordelelite, of de moderne cultuur überhaupt.

Oude vormen en gedachten

Aan Kellendonks opstelling mogen dan reactionaire trekjes niet vreemd zijn geweest, hij was toch ook een denker die probeerde oude vormen en gedachten te vernieuwen. In ‘Mystiek lichaam’ is het element van cultuurkritiek niet over het hoofd te zien, maar het is doordrenkt van zo’n subtiele ironie en zoveel tragikomedie dat de boodschap zich even gemakkelijk tegen de boodschapper als tegen zijn gehoor keert.

Dat hij zichzelf niet handig buiten schot hield, maar zich als verantwoordelijk burger betrokken voelde bij een samenleving waarin het kwade onafwendbaar samengaatmet het goede, leren we uit een notitie waarin hij de Tweede Wereldoorlog aanwijst als de ultieme maatstaf bij de morele en ethische discussies waarmee men zich in Nederland zo graag bezig houdt. Daarbij werd (en wordt - zie Fortuyn, Wilders en Baudet) tamelijk snel naar het etiket ‘fascisme’ gegrepen. Helaas, zo tekende Kellendonk aan, waren we ‘niet meer in staat om een mens of een natie te zien als een complex organisme, waar goed en kwaad onherkenbaar haast in dooreengemengd zijn en dat van moment tot moment moet worden geherwaardeerd’.

Hoe hij die herwaardering zag, formuleerde hij aan het slot van het essay ‘Grote woorden’, in zekere zin zijn geestelijk testament. “Het goede bestaat niet, niet in de hemel en ook niet hier, tenzij het gedragen wordt door een voortdurende reeks van goede daden. Heilig is wat geheiligd wordt en God troont op de gezangen van de mensen.” 

Beeld Lisette Boxel

Jaap Goedegebuure (1947) was hoogleraar neerlandistiek. Voor Trouw recenseert hij Nederlandse literatuur.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden