Review

Componist Adams is meer dan minimalist

John Adams schreef een prettig leesbare autobiografie; de componist observeert scherp, is bescheiden en verzwijgt zijn mislukkingen niet.

Sommige componisten krijgen hun beste invallen tijdens een ommetje in de bossen. Maar voor de John Adams (1947) lijkt de auto het voertuig voor cruciale beslissingen in zijn leven. Dat begint al in 1971, als de toen net aan Harvard afgestudeerde jonge Amerikaanse componist in East Concord, New Hampshire al zijn spullen in een krakkemikkige Volkswagen Kever pakt en samen met zijn vrouw helemaal naar Californië rijdt.

Wat hij aan de andere kant van het continent zoekt, weet hij nog niet precies. Misschien is hij nieuwsgierig geworden na het lezen van Henry Millers ’Big Sur’ en de romans van Jack Kerouac, na het beluisteren van de muziek van John Cage, Lou Harrison en Jefferson Airplane. Hij had naar Europa kunnen gaan, zoals vele studiegenoten. Maar op een of andere manier heeft hij het idee dat San Francisco beter bij zijn radicale ideeën past.

Adams moet na een jaar nog steeds rondkomen met baantjes als huismeester, schoonmaker en vorkheftruckchauffeur. Hij denkt er regelmatig over weer terug te gaan, naar huis. Maar dan krijgt hij een betrekking als concertprogrammeur in San Francisco en neemt zijn ontwikkeling als componist een compleet andere wending.

Bij het samenstellen van nieuwe muziekconcerten (waarvoor hij zelf onder andere elektronische werken maakt op een zelfgebouwde synthesizer) krijgt hij steeds vaker het gevoel dat er iets grondig mis is met de nieuwe muziek. Ergens heeft die de aansluiting met het publiek verloren.

Als de componist ’s avonds na de experimentele concerten naar huis rijdt in zijn Kharmann Ghia Convertible (over auto’s gesproken), is zijn muzikale honger meestal nog niet gestild en luistert hij naar opnames van Beethoven-kwartetten of Sibelius-symfonieën. „Ik reed door de Sierra Nevada”, vertelt de componist over de tijd waarin hij nog een Cage-adept was. „En fragmenten van Wagners ’Götterdümmerung’ werden op de radio uitgezonden. Ik was als door de bliksem getroffen door die eenvoud en emotionele kracht! Opeens wist ik dat ik in mijn eigen muziek ook naar die intense emotionaliteit toe wilde.”

En dan, we schrijven 1976, krijgt Adams ineens een naam die als een lopend vuurtje de wereld over gaat. De eenvoud die hij al die tijd zocht, vindt hij uiteindelijk in het minimalisme van Steve Reich, Terry Riley en Philip Glass. Die eeuwige herhalingen gebruikt hij als vehikel (weer die auto) voor de romantische expressie in zijn eigen muziek.

Het pianostuk ’Phrygian Gates’, waarin Adams een Sibelius-achtige symfonische vorm en organische metamorfosetechniek paart aan een opwindende poppy drive, betekent zijn doorbraak. In de vroege jaren tachtig schaart het weekblad Time John Adams naar aanleiding van dat werk onder de jongste lichting minimalisten – een categorie die de lading bij lange na niet dekt, maar die hem wel in één klap gelijkschakelt met de grote namen van de generatie vóór hem.

Uit dezelfde periode stamt zijn werk voor twee piano’s ’Halellujah Junction’ (Halleluja Kruispunt), genoemd naar een klein plaatsje in Californië, maar ook naar het vinden van zijn eigen compositorische stem op de weg vol splitsingen die iedere kunstenaar rijdt – een metafoor die misschien te vaak wordt gemaakt, maar die Adams met een zekere lichtheid hanteert in zijn autobiografie.

’Hallelujah Junction’ is niet voor niets de titel geworden van dit prettig leesbare boek. Verwacht geen wagneriaans egodocument, geen boek met programmatoelichtingen à la Reich en geen Feldman-geneuzel. Adams blijft bescheiden, observeert scherp en wisselt zijn memoires en verhalen over zijn afkomst af met beschrijvingen van zijn werk (in dit boek het geraamte voor zijn herinneringen), zijn collega’s, zijn mislukkingen en zijn successen.

Zo krijgt zijn langdurige samenwerking met regisseur Peter Sellars – ongetwijfeld een van de meest intrigerende in de recente operageschiedenis – een belangrijke plaats in het boek. Het duo begon in de jaren tachtig met ’Nixon in China’ en kan een viertal operaproducties later bogen op een krachtenbundeling met librettisten als Alice Goodman, June Jordan en belangrijke dichters uit de canon; met choreografen als Mark Morris en Lucinda Childs.

Wat Adams ertoe aanzette een autobiografie te schrijven, is niet helemaal duidelijk. Nog niet zo lang geleden verscheen ’The John Adams Reader’, een geautoriseerde verzameling interviews en werkbeschrijvingen, verzameld door Thomas May: een boek dat voor een groot deel met ’Hallelujah Junction’ overlapt. Toch is het boeiend om hier uit de eerste hand te lezen hoe de zoon van een bigbandklarinettist en een jazz-zangeres langzaam naar zijn huidige status toestuurde, hoe hij zich verhoudt tot zijn voorbeelden en met scherpe blik naar zichzelf en anderen kijkt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden