Review

Colm Tóibín: terug naar Buenos Aires

De personages in het werk van de Ierse schrijver Colm Tóibín (1955) hebben een voorkeur voor landen die met zichzelf overhoop liggen. In 'Het Zuiden' (1990) is dat het door de naweeën van de Burgeroorlog verscheurde Spanje. Barcelona dient hier als metaforische illustratie van Tóibíns opvattingen over ballingschap. Evenmin als hijzelf raakt zijn heldin Katherine, hoe hard ze ook probeert, van Ierland af.

ILSE LOGIE

'In lichterlaaie' (1992), dat volledig in Ierland speelt, schetst het portret van een conservatieve rechter die verstrikt raakt in een web van morele dilemma's wanneer hij uitspraak moet doen in een abortuszaak.

Met 'Het kruisteken' (1994), Tóibíns 'reisboek' over katholiek Europa, was iets vreemds aan de hand. Wat eigenlijk een afrekening had moeten worden, veranderde ongewild in een zelfonderzoek. De tocht stemde de auteur milder en verzoende hem met de gedachte dat hij, zijn afvallige voornemen ten spijt, altijd gefascineerd zou blijven door de magie van de roomse rituelen.

Voor het pasvertaalde 'Het verhaal van de nacht' fungeert weer een ander probleemland als decor: het Argentinië van tijdens (1976-1983) en na het generaalsbewind. Het beeld dat van die Argentijnse samenleving wordt opgeroepen is zo accuraat dat de auteur er haast een tijd moet hebben verbleven. Zowel op individueel als op collectief vlak houden Tóibíns personages aan het eind op te ontkennen wat en wie ze zijn. Ze zien hun gespletenheid onder ogen, verwerven er inzicht in en willen ze niet langer opheffen. In het begin staan ze nochtans gedachteloos aan een bepaalde, vaak 'verkeerde' kant, tot een ingrijpende gebeurtenis die vanzelfsprekende orde aan het wankelen brengt.

De hoofdpersoon van 'Het verhaal van de nacht', Richard Garay, woont met zijn oude moeder in een bedompte flat in Buenos Aires. Zij is van Engelse afkomst, en geobsedeerd door de symbolen van het Britse Rijk. Ze dweept met Thatcher en met het 'rustige geslacht van de Britse koningen' dat zich in gunstige zin onderscheidt van de 'luidruchtige en onbeschaafde halfbloeden' à la Eva Perón die volgens haar Argentinië naar de ondergang voeren. Richard is bijgevolg het Engelse jongetje dat op zondagochtend zijn moeders hand vasthoudt bij het uitlopen van de anglicaanse kerk. Hij wordt leraar Engels, maar is zo gehersenspoeld dat hij zelfs de talen tegen elkaar opzet: het Engels superieur, want helder en koel; de klanken die de Argentijnen voortbrengen emotioneel en onverbeterlijk.

Richards gebrek aan betrokkenheid bij zijn eigen land is stuitend. Jarenlang ziet hij alleen een krant als hij iets koopt wat erin is verpakt. Hij is zo getraind om nergens iets van te merken dat zelfs de ijzingwekkendste praktijken van de junta hem ontgaan. Een keer maakt hij het mee dat er ter hoogte van zijn flat urenlang auto's met draaiende motoren blijven staan, die stroom leveren voor de veestok, het favoriete folterinstrument van de militairen. Wanneer een vriend hem hierop opmerkzaam maakt, reageert hij ongelovig.

Toch komt hier stilaan verandering in. Waar Richards moeder nog vond dat aan het land 'een extreme dwaasheid' ten grondslag lag, voelt Richard zich in de eerste plaats Argentijn. Zijn nationale identiteit openbaart zich naar aanleiding van de Falkland-oorlog. Hij betrapt zich erop dat hij in het geheel geen last heeft van verdeelde loyaliteit en kiest - volstrekt tegen iedere redelijkheid in, aangezien de Argentijnse nederlaag de val van de junta alleen maar kon bespoedigen - de kant van de Argentijnen. Het eeuwige probleem van Argentinië, de vele etnische componenten die nooit tot een eenheid werden gesmeed, verschuift even naar de achtergrond.

Na de dood van zijn moeder leert Richard het echtpaar Ford kennen, twee NoordAmerikaanse diplomaten die, onder het waakzaam oog van de CIA, het roer in het postdictatoriale Argentinië willen helpen omgooien. De ambtstermijn van Alfonsín loopt af, en de Fords verlenen hun steun aan Carlos Menem, die het inderdaad haalde en nog steeds president is. Menem zag er toen al uit als een kruising tussen een goedkope smartlapzanger en een hedendaagse gaucho. Hij sprak wervend over het 'nieuwe Argentinië', wilde de macht van de hoofdstad beknotten, had een onbestemde connectie met het peronisme en beloofde noch het IMF noch het Witte Huis voor het hoofd te stoten.

Richards omgang met de Fords opent onvermoede mogelijkheden. Hij wordt hun tolk en geeft lessen 'Argentinië voor buitenlanders'. Zijn nieuwe baan voert hem naar het nachtleven van Buenos Aires en de party's van invloedrijke families. Een tijdlang laat hij zich zonder voorbehoud imponeren. De Amerikanen die hij rondleidt hebben immers witte tanden, een ferme handdruk en een efficiënt werkritme. Maar hij maakt zienderogen vorderingen en meet zich al gauw een zelfverzekerde persoonlijkheid aan.

Deze wedergeboorte maakt Richard, paradoxaal genoeg, niet tot de zoveelste karikatuur van de gladde zakenman, maar luidt een schuchter emancipatieproces in. Zijn nieuwe vrienden uit Californië zetten hem er bijvoorbeeld toe aan zijn homoseksualiteit, die hij vroeger geheimhield, openbaar te maken, wat in het homofobe Argentinië niet meevalt. Hij begint een intense relatie met Pablo die weliswaar tragisch afloopt maar hem voor het eerst laat kennismaken met liefde en geluk, en onvermoede facetten van zijn persoonlijkheid aan het licht brengt. Mede dankzij de onopgesmukte verteltrant en het inlevingsvermogen van de auteur behoren deze hoofdstukken tot de ontroerendste van het boek.

Ook op politiek vlak leiden Richards diplomatieke contacten slechts in eerste instantie tot vervreemding. Natuurlijk werpt alleen al de aanwezigheid van de Fords een schrijnend licht op de inmenging van de Verenigde Staten in interne Latijns-Amerikaanse aangelegenheden. Daarenboven staan de argumenten van het echtpaar Ford bol van de retoriek en de denkfouten: enerzijds beweren Susan en Donald zich te schamen voor de Amerikaanse medeplichtigheid bij het afzetten van Allende in Chili, maar anderzijds stellen ze de overgang naar de democratie in Argentinië voor als een roemrijk wapenfeit van Reagan, terwijl uitgerekend diezelfde Reagan de junta de hand boven het hoofd hield.

De vele discussies over politiek zetten Richard desondanks aan tot nadenken. Wanneer hem gevraagd wordt de privatisering van de olie-industrie voor te bereiden, begint hij steeds meer vraagtekens te plaatsen bij de neoliberale schoktherapie.

De opeenvolgende metamorfosen die Richard ondergaat komen het best tot uiting in de huizen waar hij woont. Wanneer hij Pablo leert kennen, ontvlucht hij de flat die hij met zijn moeder deelde en huurt een fonkelnieuw huis van het soort dat je in architectuurboeken ziet: veel glas en veel wit, gigantische woonkamer, designbadkamer, peperduur. Als onomstotelijk vaststaat dat zowel hij als Pablo aids hebben, zegt hij die huur op, keert terug naar zijn oude vertrouwde flat met de bedoeling hem op te knappen en laat Pablo vanuit het ziekenhuis het behang kiezen.

Net zoals Tóibín zich weer in Dublin heeft gevestigd, slaat Richard het aanbod om in New York te gaan werken af omdat hij tot de slotsom is gekomen dat hij in het veranderende Buenos Aires thuishoort, al was het maar als sceptisch randbewoner.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden