Review

Clemens Maertens trok 'onbeschaemdelick sijn manlickheijt uut sijn voorbrouck'

Iedereen die weleens in het leven van zijn voorvaders heeft gespit kent ze: de aantekeningen bij huwelijken of geboorten die verwijzen naar de echtelijke of voor- en buitenechtelijke zeden en onzedelijkheden van vroeger. Jan heeft 'vleselijke conversatie' gehad met Trijn, Willem is twintig weken na de huwelijkssluiting geboren.

Of, explicieter: “Melis, zijnde een kind in onegt geprocreerd van Melis Jansen bij Wijghmoet Jans; hebben hij, Melis Jansen, haar met goede beloften gedurig gepaijd dogh schandaleus laten zitten, is hij weggegaan, hebbende zijn goederen op een bedriegelijke wijze aan zijn broeder verkocht.' En weer anders: 'Aertje, dochter van Luijte Gerrits, in onegt gewonnen bij een vreemt persoon met een blauwe rok aan, hebbende haar tot sijn wille geforceert, dogh andere seggen dat het bij een getrouw man soude sijn, dat sij ontkent en nogtans van de meeste wordt gelooft.' Op afstand soap van vroeger maar ooit maatschappelijke realiteit.

Misschien is het huwelijk wel de meestzeggende ijksteen van onze moraliteit, een van de meest alledaagse tenminste, en zeggen de gebruiken en toestanden eromheen wel alles over de zeden van een volk. Hoe het ook zij, geschiedenissen over huwelijkse perikelen informeren ons op sappige wijze over het leven van onze voorouders.

In 'Huwelijk in Holland' brengt Manon van der Heijden de stedelijke rechtspraak en kerkelijke tucht inzake huwelijkszaken over de periode 1550-1700 in kaart. Het is een zuiver historisch onderzoek, gebaseerd op bronnenmateriaal, een immense verzameling korte case-studies, die bij elkaar zowel een precies als een globaal beeld opleveren van de mentaliteit van ons voorgeslacht. Waarbij overigens aangetekend moet worden dat alle harmonieuze en vlekkeloze huwelijkse betrekkingen buiten beeld blijven, omdat ze, zoals alles in het bestaan, de aandacht niet trokken. Oftewel: deugd wordt beloond met vergetelheid.

Van der Heijden bespreekt op systematische wijze de aanpak van de stedelijke overheden en de kerkenraden op dit gebied: de officiële voorschriften en de werkelijke praktijken. Hoe reageerden de gezaghebbende en rechtsprekende instanties op zaken als overspel, bloedschande, buitenechtelijke kinderen, echtscheidingen. Hoe gingen ze om met abortus, alimentatie, geweld binnen het huwelijk. Wat voor rol speelde de omgeving, vrienden, buren, betrokken families. Wat waren de sociale condities die de problemen begeleidden, wat voor argumenten en smoezen gebruikte men om onder straf uit te komen.

Van der Heijden gebruikte voor haar onderzoek zowel de rechterlijke als de kerkenraadsarchieven van twee Zuid-Hollandse steden: Delft en Rotterdam. Duidelijk blijkt uit haar bronnen dat de openbare overheden zich vooral bekommerden over de economische gevolgen van huwelijkse misstanden: hoe stond het bijvoorbeeld met de verzorging van in de steek gelaten gelaten echtgenoten en kinderen. De kerk daarentegen had vanzelfsprekend meer oog voor de zedelijke gevolgen, wat kon er moreel door de beugel, wat niet.

Het verschil tussen beide komt vooral tot uiting in de behandeling van zaken als concubinaat en buitenechtelijke kinderen. Mits men beloofde te trouwen hadden bijvoorbeeld voorechtelijke vrijpartijen nauwelijks juridische gevolgen, terwijl de kerkenraad daarentegen, niet in de laatste plaats onder invloed van de puriteinse Nadere Reformatie, met vermaningen, uitsluitingen van het avondmaal en (hoogste straf) excommunicaties kwam dreigen. Met huwelijkse ruzies en mishandelingen ging men dan weer eerder naar de kerkelijke gezagsdragers toe, juist omdat men bang was voor de economische sancties (geldstraffen, verbanningen etc.) van de openbare rechtspraak.

Een greep uit de talloze bevindingen: aangifte van huwelijkse misstanden werd in overgrote mate gedaan door verklikkers, buren die bezorgd waren om het zedelijk peil van hun buurt. Sociale controle dus. Ontucht met minderjarigen, onschuldigen, werd strenger bestraft dan dat met meerderjarigen. In het laatste geval moest de vrouw maar bewijzen dat ze tegen haar zin was beslapen.

“Denkbeelden van tijdgenoten over vrouwelijke seksualiteit zouden een verklaring kunnen bieden. Artsen wezen geregeld op de seksuele onverzadigbaarheid van vrouwen, die voortkwam uit hun constante behoefte aan mannelijk zaad.” Daarentegen constateert de schrijfster ook dat vrouwen in de loop van de besproken periode weerbaarder werden. Verder: bloedschande werd zwaarder gestraft dan andere vormen van ontucht.

Ook in de argumenten en smoezen waarmee 'daders' en 'slachtoffers' van zedenmisdrijven op de proppen kwamen zijn duidelijke patronen herkenbaar. De verleider had trouwbeloften gedaan, daarom was het meisje overstag gegaan. Men had niet geweten dat de vrijer al getrouwd was. De vrouw had beweerd dat haar man allang overleden was. Soms was het waar maar evengoed werd het als plausibele uitvlucht gebruikt. Aan de rechterlijke macht en de kerkenraad om achter de waarheid te komen.

Historici en antropologen hebben wel een onderscheid gemaakt tussen de 'schaamtecultuur' van vroeger en de 'schuldcultuur' van tegenwoordig. Voor onze voorouders zouden vooral zaken als openbare eer, en de verhouding met de buitenwereld op het spel hebben gestaan, terwijl wij, van de moderne tijd, de nadruk meer zouden leggen op eigen verantwoordelijkheid en schuldbesef. Het beeld dat Van der Heijden schetst bevestigt het bestaan van een vroegere 'schaamtecultuur' grotendeels, al geeft ze aan dat in sommige gevallen ook schuld en verantwoordelijkheidsgevoel een rol speelde.

Interessant is natuurlijk om te weten wat er nu precies in en buiten het echtelijke bed plaatsvond. Heel erg expliciet zijn de verslagen daar niet over. Clintoneske vertoningen bleven een uitzondering. Zo'n uitzondering was het geval van een zekere Jan Daniëls, groot versierder, die zijn vrouwen met voedsel en stichtelijke woorden het bed in praatte.

Gaande het proces kwamen de saillante details boven. Jan had een triootje gehad met Maartje Jans en Geertje Engelbrechts, met Catarina Thomas had hij het op een stoel gedaan en bij Jannetje Jans van achteren. Toch leveren de meeste stukken hoogstens het vermoeden van de achterliggende Decamerone op; wie de laatste dagen televisie kijkt proeft het verschil wel degelijk.

Van der Heijdens studie levert een schat aan materiaal. Wie het leest begrijpt Bredero en Jan Steen beter. Toch blijft haar gezichtsveld beperkt. Ze heeft uitsluitend naar de gebruiken in twee vooraanstaande, vergelijkbare steden gekeken. De heersende cultuur in de provincie en op het platteland blijven buiten beschouwing.

Ook de katholieke tuchtpraktijken komen niet aan bod. Verder wordt geen vergelijking gemaakt tussen de typisch calvinistische cultuur van Nederland en de cultuur van omringende landen. Gaande al die voorbeelden uit de plaatselijke juridische en kerktuchtelijke literatuur laat dat gemis aan relativering zich steeds duidelijker voelen.

Neemt niet weg dat je een aardig beeld krijgt van de bedding van onze normen op zedelijk gebied. Aangaande Clemens Maertens bijvoorbeeld die “onbeschaemdelick en tegens alle eerbaerheit, verscheijde malen sijn manlickheijt uut sijn voorbrouck treckende de selve aen vrouwen ende jonge dochters getoont heeft.” Dat vond men toen ook al niet in de haak, al geeft de straf wel even te denken: zes jaar verbanning.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden