InterviewChris De Stoop

Chris De Stoop reconstrueerde het gewelddadige einde van zijn oom Daniel: ‘Het dorp hoorde, zag en zweeg’

Chris de Stoop: ‘Het begint met onverschilligheid en eindigt met ontmenselijking'.Beeld Jildiz Kaptein

Wat een terloopse roofmoord vertelt over onze samenleving. Schrijver Chris De Stoop reconstrueert het gewelddadige einde van zijn oom Daniel.

In maart 2014 werd de 84-jarige Daniel Maroy op zijn boerderij in het zuidwesten van België overvallen. De jonge daders, die in twee etappes toesloegen en daarbij grof geweld gebruikten, lieten hun slachtoffer voor dood achter. Een week ­later staken ze de boerderij in brand om hun sporen te wissen. Van de oude boer en zijn hoeve bleef zo goed als niets over; alleen een zwart geblakerd Mariabeeldje werd gered uit de inboedel. Dat beeldje staat nu naast de schrijftafel van de Vlaamse auteur Chris De Stoop, achterneef van de vermoorde Daniel. De Stoop voegde zich namens de nabestaanden in het proces tegen de daders en legde alles vast in ‘Het boek Daniel’.

“Toen we te horen kregen dat oom Daniel gestorven was in een brand, was het al enkele maanden na zijn dood”, zegt De Stoop, die de interviewer ontvangt op een andere boerderij, die waar hij zelf opgroeide in Sint-Gillis-Waas, niet ver van Antwerpen. “De politie had alleen een Waalse nicht geïnformeerd, en zij had de begrafenis in alle stilte geregeld. Ik en mijn oude, zieke moeder vernamen dat pas toen de notaris op bezoek kwam om te zeggen dat wij mede-erfgenamen waren van een vierkantshoeve, zij het een afgebrande vierkantshoeve. Het was het jaar waarin mijn vorige boek uitkwam, ‘Dit is mijn hof’, over de neergang van het platteland en de zelfgekozen dood van mijn oudere broer, nu kwam daar de geschiedenis van oom Daniel nog bij.”

Chris De StoopBeeld Jildiz Kaptein

Anderhalf jaar geleden, bij de begrafenis van zijn moeder, hoorde De Stoop dat er een proces zou komen, en de familie keek sterk in zijn richting om zich namens de nabestaanden te voegen in de zaak, als zogeheten burgerlijke partij. Hij deed dat in de wetenschap dat er waarschijnlijk wel een boek inzat, maar kon pas met schrijven beginnen toen alles achter de rug was, niet ­alleen het proces, niet alleen de veroordeling, maar ook de ontmoeting met de daders. Zo werkt de oud-journalist De Stoop altijd: aan een boek gaan maanden van ­gesprekken, research, documentatie vooraf, en dan pas, als duidelijk is welke structuur de vertelling moet krijgen, kan hij het verhaal gaan vertellen. In het geval van ‘Het boek Daniel’ resulteert dat in een verslag vanuit drie ‘camerastanden’: we zien de vereenzaamde, 84 jaar oude boer, de jeugdbende van zes, zeven jongens uit de omgeving, en de dorpsgemeenschap waarbinnen het drama zich afspeelt, die van Sint-Léger, vlakbij de grens met Frankrijk.

OOM DANIEL

Op het omslag van het boek staat een foto van een verweerde oude man. Doordringende ogen in een gezicht vol vouwen, wilde wenkbrauwen, onverzorgd haar en een baard. Daniel? “Nee, Daniel is het niet. Dat was een grote bron van ergernis: in het duizenden pagina’s tellende gerechtelijke dossier zat geen enkele foto van het slachtoffer. Binnen de familie trof ik wel wat foto’s aan, maar allemaal van voor zijn vijftigste – een totaal andere figuur dan de kluizenaar die hij in de laatste twintig jaar van zijn leven was geworden, na een moeilijk levensparcours. Hij had voor zijn ouders gezorgd, tot op hun sterfbed, en voor zijn epileptische en mentaal zieke broer, tot ook die stierf. Hij had honger en armoede gekend, was in de schulden geraakt en had zijn land moeten verkopen; hij was in de versukkeling geraakt. Maar een vrouw uit het dorp, Christine, de uitbaatster van een broodjeszaak, had een tekening van hem gemaakt, ze was een van de weinigen die oog voor hem had. En op basis van die ­tekening ben ik op internet een foto gaan zoeken die­ zoveel mogelijk gelijkenis zou tonen, dat is de foto op de cover.”

Foto, genomen in het ouderlijk huis van de schrijver. Hij is hier geboren en getogen. Nu schrijft hij hier. Zijn ouders en broer zijn overleden. Het Mariabeeldje op de foto is van oom Daniel. Dit beeldje lag naast hem in het verbrande huis. De foto naast het beeldje is een van de weinige die De Stoop kon vinden.Beeld Jildiz Kaptein

“Daniel was een hele sterke figuur, met een grote fierheid. Hij wilde van kindsbeen af boer worden, was trouw aan de grond, en deed alles op zijn eigen manier. Ik noem hem de meester van zijn leven, de meester van zijn tijd. Aan de eerste golf van modernisering deed hij nog mee, hij kocht een tractor met bijhorende machines, maar daar bleef het bij. Hij koesterde een onmoge­lijke liefde voor de slagersdochter Yvette, het hele dorp wist dat, jarenlang hield hij elke week stil met zijn ­tractor bij het passeren van haar huis. Die gefnuikte liefde en het verlies van zijn land – er liepen op een gegeven moment belastingontvangers op het erf – dreven hem in het isolement. Hij was gedoemd om alleen te blijven, hij kon de familietraditie niet voortzetten en trok zich ­bewust terug uit de wereld.”

“Zijn koppigheid vertegenwoordigde zekere waarden die de verburgerlijkte samenleving niet meer kent. We zijn vervreemd geraakt van onze geboortegrond, van onze roots, van onze familie. We verhuizen om de haverklap, reizen de wereld rond, veranderen om de paar jaar van werk, en we denken dat we daar geen prijs voor ­betalen. Maar dat doen we wel. Ook inheemse mensen kunnen ontheemd zijn.”

DE DADERS

De jongens die de jeugdbende van het naburige dorp Evernijs vormden – de buurtschappen en dorpen lopen in deze streek in elkaar over – noemden Daniel ‘de oude viezerik’. Zij zagen hem, zo zei de aanklager letterlijk in zijn requisitoir, niet als een mens, maar als een Untermensch. “Ja, zo is het uiteindelijk ook in het vonnis ­geformuleerd, als grond onder hun veroordeling. Ze ­werden gedreven door puur materialistische motieven, ze waren bereid daarvoor extreem geweld te gebruiken, en ze hadden geen greintje empathie voor hun slacht­offer – ze hadden hem ontmenselijkt. En dat schakelt ­alle ethiek uit.”

“In het begin, toen ik de stukken las, was ik natuurlijk vol onbegrip, woede en verontwaardiging. Daarvan sluimert altijd nog wel iets in mij, maar als je dieper in het dossier duikt begin je toch te zien dat deze jongens geen gewone levens hadden gehad, dat het beschadigde mensen zijn. Het zijn licht-criminele jongens, geen ­veelplegers, maar nu deed zich opeens een kans voor, er werd hen gezegd: die oude boer zit met zijn zakken vol geld, als je die opwacht ben je rijk. Dus deden ze dat, zonder veel voorbereiding, opgejaagd door het onmiddellijke verlangen naar een nieuwe iPhone, een nieuwe brommer, nieuwe kleding. Vooraf was er geen norm­besef, achteraf geen schuldbesef. Ze liepen te koop met wat ze hadden gedaan. Dat fascineerde me: het terloopse, het nonchalante, het banale van zo’n misdrijf.”

Beeld Jildiz Kaptein

“Ik, die in feite een gemankeerde sociaal werker ben, die in al mijn boeken door een sociale bril kijk, moest nu ontdekken of dat overeind kon blijven. Tegenwoordig wordt immers volledig ingezet op de persoon­lijke verantwoordelijkheid van het individu. Losgeslagen tuig. Maar intussen weten de experts dat criminaliteit wel degelijk wordt gestimuleerd door armoede, werkloos-zijn, minder kansen krijgen. Wie dat ontkent, ­ontkent het licht van de zon. Vier van de zes daders komen uit een ontwricht gezin, ze hebben grote problemen op school, ze haken af en vinden alleen nog iets van identiteit in die kleine jeugdbende, want iedereen zoekt verbondenheid. Daar ligt uiteindelijk ook een deel van de oplossing. Natuurlijk moet je bij zoiets als een roodmoord keihard straffen, maar het is dweilen met de kraan open als je niet ook structureel en preventief te werk gaat. Daarbij is van groot belang hen het gevoel te geven deel uit te maken van de samenleving, erbij te ­horen.”

“Ik heb tijdens het proces de kant van mijn oom zo goed mogelijk verdedigd, gerechtigdheid voor hem gezocht en die ook gevonden; de daders zijn veroordeeld en hebben behoorlijk zware straffen gekregen. Daarna ben ik met hen gaan praten, althans met drie van hen. Dat waren intense gesprekken, die al gauw twee uur duurden. Waarom heb ik dat gedaan? Omdat alles altijd een andere kant heeft. Zelfs een moordenaar heeft zijn eigen verhaal, daar wil ik dan naar luisteren. Ik wil de drijfveren horen en begrijpen, als een soort van herstelrecht, om zo’n zinloos iets toch positief af te sluiten. Na de enorme woede die in mij zat, heeft de ontmoeting met die jongens een helend effect gehad. Ze waren onvolwassen op het moment van hun misdaad, ze hebben met mij willen spreken, ze hebben spijt betuigd en ik hoop dat ze nog iets goeds van hun leven kunnen maken. Wel worstel ik er mee dat ze weinig schuldinzicht hebben; ze praten weinig over Daniel, nog minder over de moord. Misschien is schuldinzicht ook teveel gevraagd wil een mens voort kunnen.”

DE GEMEENSCHAP

De mensen zagen Daniel als een zonderling. De clochard. Bij supermarkt Colruyt, waar hij elke zaterdagavond kwam, had men hem gevraagd vlak voor sluitingstijd te komen, om zo geen andere klanten te storen. De bank vroeg hem hetzelfde, vanwege zijn onverzorgde ­uiterlijk. Zo warm was die boerengemeenschap blijkbaar niet. “Het is natuurlijk een boerendorp, maar er zijn maar weinig boeren meer over. Eind negentiende eeuw waren dat er nog tweehonderd, nu vijf. En ook die vijf hebben geen enkele opvolger meer. Het is een leeg­bloedend dorp, waarin geen ruimte is voor wie afwijkt, zoals in onze hele samenleving. Daarnaast speelt de ­bagatellisering. Het vandalisme en de kleine criminaliteit van de jeugdbende werd niet serieus genomen door de burgemeester, de politie reageerde ook niet op een eerdere inbraakmelding van Daniel, en zo ging dat door tot de moord. Bijna meteen wisten heel veel mensen dat de bende er hoogstwaarschijnlijk mee te maken had. De jongens zelf praatten hun mond voorbij, ze lieten een filmpje van de moord zien aan hun maten, ze gaven in enkele dagen 19.000 euro uit en een van hen vertelde het hele verhaal in de kroeg. Maar in de verschrikkelijke week tussen de overval en de brand is niemand gaan kijken hoe het was met Daniel, er is zelfs geen anoniem telefoontje naar de politie gegaan. Het dorp hoorde, zag en zweeg.”

Ex-reporter

Chris De Stoop (1958) studeerde taalkunde in Leuven en werkte dertig jaar voor het tijdschrift Knack. Hij schreef meer dan tien ­boeken, veelal over sociale kwesties in binnen- en buitenland. In 2016 nam hij ­afscheid van de journalistiek met de titel Ex-reporter. Zijn boek ‘Dit is mijn hof’ (2015), over de ­teloorgang van het boerenland, was Boek van de Maand bij ‘De Wereld Draait Door’ en werd onderscheiden met de Confituur Boek­handelsprijs.

“Dit gaat verder dan het dorp, deze onverschilligheid speelt misschien wel in ieder van ons. Het gebrek aan empathie zit zeker niet alleen bij die daders en hun omgeving. Het is iets waar het de hele samenleving aan ontbreekt de afgelopen jaren. Het klinkt pretentieus, maar ik denk toch dat wij schrijvers, voor wie inlevensvermogen het belangrijkste werkinstrument is, moeten proberen dit de mensen weer bij te brengen. Het begint met onverschilligheid en eindigt met ontmenselijking, en verhalen vormen daartegen het beste anti-gif. Daarom werk ik in dit boek bewust naar de laatste zin toe, als ik Rachid, de moordenaar, opzoek in de gevangenis: ‘De tijd is om. Hij staat op, buigt zich over het tafeltje en reikt me de hand.’”

Chris De Stoop
Het boek Daniel. 
De Bezige Bij; 256 blz. € 20,99 

Lees ook:

‘Als het water veiliger lijkt dan het land’

‘Toen ik in 2015 die volgepakte bootjes in Europa zag aankomen, besloot ik het verhaal van een boot te gaan schrijven. En dan niet vanuit het debat van voor of tegen, maar een doorleefd verhaal vanuit de hoe-vraag.’ Chris De Stoop over ‘Wanneer het water breekt‘.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden