CD's op vrijdag: Balthazar, Beirut & meer

Onze jazzschrijver hulde zich deze week toepasselijk genoeg in noordse sferen. De rest van de muziekredactie verheugde zich met de nieuwe Beirut én de nieuwe Balthazar, luisterde hoe de jonge Edgar Moreau niet terugdeinsde voor Offenbach en hoe Bram Sambeek de fagot tot solo-instrument verhief. 

Opgerekt, maar weinig ontwikkeling 
POP

Balthazar | Fever 
(PIAS)

★★★★☆

Als een opgeruimde kamer, zo laat de muziek van Balthazar zich beluisteren. Het is strak, schoon, overzichtelijk, alles staat op zijn plek. De inrichting is minimalistisch, elk geluid is te herleiden. Hoe kaal de band soms ook klinkt, Balthazar is tegelijkertijd verwarmend; twee eigenschappen die doorgaans haaks op elkaar staan. Het zit hem in het basspel van Simon Casier, in de samenzang van Jinte Deprez en Maarten Devoldere, de blazers, de beats op kousevoeten. 

‘Fever’ is het vierde album van de Vlaamse band en het eerste zonder violist en oerlid Patricia Vanneste. Ze stapte op omdat ze het gevoel kreeg voortdurend in hetzelfde straatje te dwalen. Er zit inderdaad weinig ontwikkeling in de band. Hooguit kun je zeggen dat ze hun stijl iets hebben opgerekt: ‘Fever’ is zowel dansbaarder als lomer dan eerder werk. Om een bekentenis van Devoldere uit zijn context te halen: ‘I’m not the man for changes’. Maar context is alles. Luister naar het aanstekelijke basloopje in de titeltrack, dat vrijwel heel het nummer aanhoudt en telkens anders lijkt. Aanvankelijk klinkt het bluesy, wanneer de eerste melodie zich aandient ben je even de draad kwijt, met een beat erbij is het disco, het eindigt futuristisch. Erg fraai. (Klaas Knooihuizen

Emoties zonder dijenkletsers
POP

Beirut | Gallipoli 
(4AD)
★★★★☆

Voor zijn vijfde album, ‘Gallipoli’, keert zanger en songschrijver Zach Condon met zijn formatie Beirut terug naar een sound die dicht tegen zijn eerste twee platen ‘Gulag Orkestar’ en ‘The Flying Club Cup’ aanligt. Zo spelen de orgelklanken en wereldmuziek-invloeden weer een grote rol op dit album.

In twaalf songs neemt de Amerikaan zijn luisteraars mee in een wereld waarin wereldmuziek, indiepop en elektronische muziek samenvloeien tot een fascinerend geheel. De ingetogen nummers ontsporen niet in buitensporige navelstaarderij. Steeds weer slaagt Condon erin zijn emoties over te brengen, zonder aanstekelijke dijenkletsers.

Hij presenteert bedachtzame en melancholieke composities die een betoverende sfeer weten op te roepen. Uitschieter is het titelnummer. Tijdens de albumopnames in de Italiaanse stad Gallipoli stuitte Condon ’s avonds op een processie van de stadsheilige, die werd begeleid door een blaaskapel. De gebeurtenis inspireerde hem zo dat hij het nummer ‘Gallipoli’ in een sessie schreef. De song is zonder twijfel het mooiste nummer van de plaat geworden. Met een traag stromend ritme en een prachtige weemoedige mariacha-trompetpartij is ‘Gallipoli’ een nummer dat je wel eindeloos op repeat wil zetten. (Saskia Bosch

Beirut is op 4 april in Groningen en op 8 april in in Utrecht.

Muziek als sneeuw uit het hoge noorden

JAZZ 

Mats Eilertsen | And Then Comes The Night (ECM Records)
★★★★☆

Espen Eriksen Trio with Andy Sheppard |  Perfectly Unhappy ( Rune Grammofon )
★★★★☆

Morten RamsbølTrue North ( Challenge )
★★★★☆

Het cliché wil dat het in jazz uit het hoge noorden altijd sneeuwt. Dat je erin de ruimte en de stilte kunt horen. Dat ze altijd somber is en niet swingt, dat Scandinavische blazers steevast klinken als de wind.

Clichés kloppen vaak wel degelijk, maar zelden volledig. Zo wordt een deel van de ruigste, meest meedogenloze jazz toevallig ook in Scandinavië gemaakt. Maar toch, doe een blinddoek voor, luister naar de nieuwe platen van Mats Eilertsen, Espen Eriksen en Morten Ramsbøl en je zult zonder aarzeling het antwoord geven op de vraag: waar komt deze muziek vandaan?

De Deense bassist Morten Ramsbøl maakt er geen geheim van dat zijn muziek is beïnvloed door platen uit het midden van de jaren zeventig die werden uitgebracht door ECM, het label dat door zijn bijzondere, ruimtelijke productie en focus op verstilling de eerdergenoemde clichés in het leven riepen. Ramsbøl schrijft pakkende stukken met ijle, sliertende melodieën die saxofonist Julian Argüelles in staat stellen de show te stelen. De combinatie van jazz- en strijkkwartet die Ramsbøl hier aanwendt, is niet uniek, maar ook niet veel voorkomend. Aan het begin van de plaat brengen de strijkers vooral een contrasterende kleur aan. Op andere momenten onderstrepen ze juist wat er toch al was en wordt het warm op warm, mooi op mooi, klopt het allemaal net even te goed, waardoor de spanning uit de muziek sluipt.

Ook de Noorse pianist Espen Eriksen schrijft melodieën die nooit meer uit je hoofd gaan. Zijn muziek paart een tintelende lichtheid aan een milde melancholie. Het gejaagde, drukke en volle dat veel jazz heeft, ontbreekt. Het spel is evenwichtig en kalm, met een dynamiek die heel knap wordt ingezet, maar nauwelijks de aandacht trekt. Vrijwel alles dat van de melodieën zou kunnen afleiden is uit de muziek weggelaten. Daardoor krijgen de nummers een schijnbare eenvoud. Vervang de saxofoon door een zanger(es) en het zijn bijna popsongs. Eerlijk: ook bij Eriksen is er niets dat wringt, maar hij heeft in Andy Sheppard de perfecte saxofonist die elke kanttekening van tafel speelt.

‘And Then Comes The Night’ van de Noorse bassist Mats Eilertsen begint en eindigt met hetzelfde stuk. Een zacht gespeelde melodie waarin de Nederlandse pianist Harmen Fraanje steeds net op tijd het verwachtingspatroon doorbreekt. Meer dan de verstilling en ruimtelijkheid is het de concentratie van de musici die de aandacht opeist. Constant balanceren, doe ik niet te veel? Niet te weinig? Dit is een prachtplaat, een die je dwingt de ogen te sluiten en meteen beelden bij je bovenbrengt. En verdomd als het niet waar is: in de gestreken boventonen op Eilertsens contrabas hoor je toch echt de wind. (Mischa Andriessen

Mats Eilertsen speelt op 7 februari in het Bimhuis dat deze maand Nordic jazz als thema heeft. Espen Eriksen speelt 1 maart in Lantaren-Venster en 3 maart in het Bimhuis.

De wraak van de achtergrond

KLASSIEK 

Bram van Sambeek e.a. | ORBI,(BIS)
★★★★☆

Bram van Sambeek kijkt verder dan zijn neus lang is. Hij gaat de grootste uitdagingen aan, studeert zó hard om zich een bepaalde techniek op zijn fagot eigen te maken dat hij er een bloedneus van krijgt. De resultaten liegen er niet om. Recent voorbeeld: zijn opname van Sebastian Fagerlunds en Kalevi Aho’s muziek. Alles voor de fagot, en om het instrument de nodige aandacht te geven. 

Viool, piano: dat zijn solo-instrumenten, niemand die eraan twijfelt. Maar de fagot? Die kleurt in, is fijn ter ondersteuning in een orkest. De momenten waarop de houtblazer in de schijnwerpers staat zijn schaars. Neerlands fagottrots Van Sambeek is een avonturier, en een buitengewoon veelzijdig musicus. 

Hij komt nu met ORBI: ‘The Oscillating Revenge of the Background Instruments’. Fagot, contrabas, hammondorgel en percussie gaan los in bewerkingen van Metallica, Pink Floyd en The Doors. Naast Van Sambeek schitteren Rick Stotijn, Sven Figee en Marijn Korff de Gidts. Er komt een punt waarop je dol dreigt te draaien en de nummers je door elkaar schudden. Maar dat is slechts een detail, opzet en spelkwaliteit zijn top. (Frederike Berntsen) 

Moreau deinst niet terug voor Offenbach


KLASSIEK 

Edgar Moreau | Offenbach (Warner Classics) 
★★★★☆

Het is in 2019 niet alleen een Berlioz-jaar, ook zijn grote antipode in Parijs heeft wat te vieren. Jacques Offenbach kwam 200 jaar geleden in Keulen ter wereld om zich te ontpoppen als de satirische operette-koning van Parijs. Vóór die operettes verdiende Offenbach zijn geld als professioneel en virtuoos cellist. Zijn pièce de résistance voor zijn eigen instrument is het aartslastige ‘Concerto militaire’. 

Het is nu opgenomen door de jonge, virtuoze ­Edgar Moreau die niet terugdeinst voor de hordes die Offenbach gedurende veertig minuten opwerpt. Moreau wordt bijgestaan door Les Forces Majeures, een in 2014 opgericht orkest vol kamermusici, geleid door Raphaël Merlin. Deze Merlin is zelf ook cellist, speelt in het beroemde Ebène Kwartet en excelleert in jazz. 

De Offenbach is prachtig uit de verf gekomen, Moreau laat zijn cello magnifiek stralen en stuiteren, zoekt en vindt de diepere laag achter de virtuositeit. Het tweede concert op deze cd is zo mogelijk nog origineler. Friedrich Gulda, de eigenzinnige pianist en componist schreef zijn concert voor cello, blaasorkest en band in 1980 voor Heinrich Schiff. In de strakke klassieke vormen laat Gulda steeds een swingend gitaarbandje opduiken en rockt Moreau ineens dat het een aard heeft. Een heerlijk offenbachiaans stuk, virtuoos en ­hilarisch. Leuk geprogrammeerd.  (Peter van der Lint

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden