Review

Canoniseren door knippen en plakken

Heeft Menno ter Braak ooit een rijtje gemaakt van Nederlandse schrijvers en denkers die hij het meeste bewonderde, en dat rijtje 'De canon' gedoopt? Welnee. Het was zijn biograaf Léon Hanssen die op het idee kwam om zo'n canon samen te stellen, op basis van stukken van Ter Braak. Hanssen matigde zich zelfs het recht aan om verschillende van die artikelen in elkaar te schuiven.

Menno ter Braak (1902-1940), zonder twijfel de markantste criticus en essayist van zijn tijd, is tot lang na zijn dood voorbeeld en oriën tatiepunt gebleven. H.A. Gomperts, in de jaren vijftig de ongekroonde koning van de literatuurkritiek, stond bekend als zijn zelfbenoemde erfgenaam. Recensenten als K.L. Poll, Carel Peeters en Aad Nuis, die na Gomperts op het toneel verschenen, maakten er geen geheim van dat ze bij hem in de leer waren geweest. Niet iedereen aanvaardde dat regeren-over-het-graf. W.F. Hermans deed veel moeite om het standbeeld van zijn voetstuk te stoten, maar altijd formeerde zich wel een cordon van Terbraakianen die bereid waren voor de reputatie en de nagedachtenis van hun meester op te komen.

Inmiddels is er iets veranderd. Eerst werd Ter Braak het mikpunt van een requisitoir dat opvallend genoeg afkomstig was uit de nalatenschap van de in 1998 overleden Gomperts. Die had de laatste jaren van zijn werkend bestaan besteed aan een onderzoek naar Ter Braaks houding tegenover joden. Antisemitisme, luidde de aanklacht. Die aanklacht was wel erg radicaal en eenzijdig, maar niet zonder 'een kern van waarheid' (zoals de titel van Gomperts' uitvoerige beschouwing luidde).

Ter Braak onderscheidde zich niet van het gros van zijn tijdgenoten waar het een zekere laatdunkendheid ten aanzien van joden en jodendom betrof. Ten aanzien van andermans antisemitisme toonde hij zich soms onverschillig. Zo bestond hij het in 1937, vier jaar na Hitlers machtsovername, van J.C. Bloem te zeggen dat die bij wijze van 'hobby' recht had op 'zijn afkeer van plebs en joden'. Sterker nog: Ter Braak vond dat soort hobby's wel 'amusant'.

In 2000, kort na publicatie van Gomperts' boek, verscheen het eerste deel van Léon Hanssens Ter Braak-biografie. Naast blijken van respect en bewondering bevatte de levensbeschrijving zoveel intieme details en inkijkjes in de slaapkamer dat de geportretteerde er lelijk door in zijn hemd kwam te staan, soms zelfs letterlijk. Hoewel Hanssen zich in het tweede deel van de levensbeschrijving nadrukkelijk van Gomperts' aanval distantieerde, droeg zijn eigen boek wel degelijk bij tot de verdere onttakeling en ontluistering van Ter Braak. Dat is het onvoorziene maar ook onvermijdelijke effect van veel biografieën.

Diezelfde Léon Hanssen doet nu een poging om Ter Braak, door hem nota bene 'het oude lijk in de kleerkast' genoemd, tot ijkpunt te nemen in een overzicht van acht eeuwen Nederlandse cultuur. In 'De canon' worden ons veertig erflaters van de nationale identiteit voorgesteld, van de anonieme schepper van Reinaert de Vos tot en met dichteres Vasalis.

De selectie van dit Pantheon komt voor rekening van Hanssen, de teksten zijn van Ter Braak; al moet worden gezegd dat die stevig door de samensteller zijn geredigeerd. Meer dan eens zijn twee of drie aparte stukken bewerkt tot een geheel waarvoor niemand anders verantwoordelijk is dan Hanssen zelf.

Dat Ter Braak onder de tekstbezorgende hand niet is getransformeerd tot een buiksprekende pop, is te danken aan zijn karakteristieke, eigen stemgeluid, al moet worden opgemerkt dat er hier en daar teksten zijn gekozen die hem niet bepaald flatteren. Over Stevin, Vondel, Beets en Busken Huet (de laatste twee neergezet als tegenpolen van de bewonderde Multatuli) had hij weinig te zeggen en bij het weinige vrijwel niets positiefs, maar ze komen nu eenmaal in Hanssens canon voor, dus moesten er teksten voor ze worden gevonden.

Over Nijhoff, toch een van de belangrijkste Nederlandse dichters, was kennelijk niets geschikts voorhanden, tenzij we moeten aannemen dat hij in Hanssens ogen geen genade heeft kunnen vinden.

Anders dan zijn vaste compaan Du Perron, bij wie kritische waardebepalingen haast altijd neerkwamen op 'vriend of vijand', was Ter Braak op zijn best in de nuancering van zijn bewondering of antipathie. In het meesterlijke portret van Couperus valt op hoe hij naast de sterke kanten ook de zwakke belicht. Maar hij vertelt er meteen bij dat Couperus ook daarin zichzelf is en blijft, en dat men er hem des te meer om kan liefhebben. Hetzelfde laat hij gelden voor Marsman. En wanneer de echte affiniteit ontbreekt, in het geval van Lodewijk van Deyssel bijvoorbeeld, is hij altijd wel bereid om iets goeds te zien.

'De canon' levert een geschakeerd beeld op, ook van Ter Braaks blinde vlekken. In zijn hoedanigheid van allround boekbespreker schreef hij wel over poëzie, maar hij had er te weinig gevoel voor om er ook echt in door te dringen. Zijn belangstelling richtte zich steevast op de denkwereld of de persoonlijke preoccupaties waaruit het gedicht afkomstig is, en om die reden had hij meer op met Bloem en Roland Holst dan met Leopold, meer met ideeën dan met muziek, meer met persoonlijkheid dan met esthetiek, meer - om die frase nog maar eens te gebruiken - met vent dan met vorm. De basis voor deze literatuuropvatting is het contact met Du Perron die Ter Braak eind 1930 leerde kennen. Voor die tijd was hij estheet onder de estheten en schaamde hij zich niet een portret van Leopold in zijn kamer te hebben hangen.

Frappant is dat de criticus Ter Braak af en toe een interessant spoor te pakken heeft, maar niet bereid is het te volgen. Zo merkt hij naar aanleiding van de scabreuze en volkse kluchten van Hooft en Huygens op dat ze staan voor een tijdelijke bevrijding uit het harnas van sociale en culturele conventies en 'een spontane bevrediging van instincten, die gewoonlijk door 'de toewijding aan de wet' bevredigd werden'. In dat verband verwijst hij naar het door Nietzsche gemunte begrippenpaar dionyisch en apollinisch.

Je zou wensen dat Ter Braak, als cultuurfilosoof en cultuurhistoricus toch niet de geringste en bovendien auteur van 'Carnaval der burgers', meer werk had gemaakt van dit dionysische element. Was het angst voor de afgrond in de eigen ziel die hem weerhield? Feit is dat hij wel vaak sprak over het dionysische, maar uiteindelijk te nuchter of te bang of allebei was om eraan toe te geven. Hanssen hekelt de clichés die over Ter Braak de ronde doen (emotionele linkshandigheid en cerebrale inslag), maar in dit geval zijn ze wel heel erg waar.

Dat niet alle stukken in `De canon' even diep graven, heeft diverse oorzaken. Ze zijn vrijwel zonder uitzondering afkomstig uit de krant, en hoewel Ter Braak veel meer ruimte claimde en kreeg dan de criticus van vandaag de dag en ook heel wat erudieter was, bleef hij aan zekere grenzen (van medium en publiek) gebonden. Verder valt op dat hij het besproken object maar al te dikwijls gebruikt als uitgangspunt voor een eigen vertoog dat maar zijdelings raakt aan de auteur of het boek in kwestie. Tenslotte wreekt zich hier opnieuw Hanssens opzet. Ook als Ter Braak met een figuur niet lekker uit de voeten blijkt te kunnen, niet meer in huis heeft dan een bespreking van een minder prominent of interessant boek of moet volstaan met het verslag van een excursie naar het huis van de erflater in kwestie (Huygens en Spinoza), dan nog moeten wij het er maar mee doen.

En dan is er de beperking tot Nederland, die ertoe dienen moet om aan de hand van Ter Braak ingeleid te worden in de eigenheid van onze kunst en cultuur. Ook in dit geval is de suggestie misplaatst als zou het gaan om 'de canon van Ter Braak'. In de voorkeuren van deze criticus was minder plaats voor Poot, Van Eeden en Henriette Roland Holst dan voor Nietszsche, Elsschot en Thomas Mann. Bijdragen over hen en andere figuren van internationale allure zou Hanssens boek er belangwekkender en wervender op hebben gemaakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden