Review

Bouazza's trip met de Nederlandse taal

Het debuut van Hafid Bouazza, 'De voeten van Abdullah', had wel iets. Je kon je voorstellen dat deze schrijver, na meer zelfkritiek en ervaring, zou kunnen uitgroeien tot iemand die het vertellen van verhalen als zijn hoogste roeping beschouwt. Hij had aandacht voor de taal waarin dat moest gebeuren, misschien wel wat te veel aandacht, want hij flirtte graag met ongebruikelijke woorden. De eigen stijl komt daardoor onder druk te staan en krijgt de trekken van een maniërisme of een parodie.

T. VAN DEEL

In de loop van de tijd is Bouazza zijn taalgebruik in de verkeerde richting gaan ontwikkelen, ook in de beschouwelijke stukken die hij in kranten schreef. Het resultaat is een volstrekt potsierlijke vorm van taalpathetiek, waar vermoedelijk van verwacht wordt dat de dichterlijke of visionaire kwaliteiten in het oog zullen springen. Maar ze doet eerder denken aan de dicteezinnen die we vroeger op school moesten schrijven en die boordevol zaten met lastig te spellen rarigheden.

De tekst van zijn roman 'Salomon' lijkt in de mond gelegd van een ernstig gedrogeerde ziel, die zichzelf buitengewoon sensitief, non-conformistisch, liefdevol, eenzaam, bont, veelbesnaard, zeer conversabel vindt en die ook nog beschikt over een fenomenaal observatievermogen -ik laat de aanhalingstekens nu maar even weg.

De taal van deze roman is blufpoker en valt zin na zin door de mand. Het is de opgeklopte variant van Bouazza's vroegere, nog onzeker stilerende zinsbouw. De stijl ligt uit balans, kermiszinnen met veel toeters en bellen worden afgewisseld met niksigheid in de trant van 'Hij was niet eens zo'n slechte kerel'. Die barokke overdaad voorkomt voornamelijk dat je door wilt lezen. Wie wil er nu uitsluitend quasi-tekst lezen? ,,Ik bedauwde de klimopbladvormige beharing op haar venusheuvel, die ik in mijn geheugen altijd liefdevol had gehovenierd tussen de akkervoren van haar onderbuik, de warme hooischelven rondom haar zeemleren lippen waarop mijn kouter zo bot was geweest.'' Ook Nabokov was natuurlijk een aansteller, maar wel een geniale en hij zou nooit een dergelijke opzichtig doorzichtige zin geconstrueerd hebben. Bouazza is het spoor bijster geraakt, hij weet niet meer wanneer zijn zinnen niet meer knap of mooi, maar ronduit lachwekkend zijn.

Allengs toefden in dit boek twee lenige en bratte nijlpaarden onder het lommer van een dierentuin waarin pijn mijn aderen louterde en ik vervolgens in het herentoilet mijn reservoir tranen droog weende. Wat kluiverde ze en wat huiverde haar lijf! Allengs lag ik alzijds in uw peluwen armen en schonk ik vergiffenis voor al haar daden en maden die mijn hartenroos aanvraten, gekleed in een witte badjas met kragen die juksgewijs haar ingekeepte boezem zeulden, ze wimperblikte mij toe. Combinaties van Bouazza-taal zonder aanhalingstekens. ,,Waarom monkelt een vrouw mij niet haar fluweellach toe en meert zij haar volle tepelheid niet aan de oevers van mijn boezem? Waarom vallen de fonkelingen van haar ogen niet op het nimmer betreden marmer van mijn geest en vermenigvuldigt haar gezucht zich niet tot een koorzang in de lege hallen van mijn hart?'' Met aanhalingstekens.

Wekt de taal alleen al een geduchte weerzin op tegen 'Salomon', het verhaal, als dat al ontwaard kan worden, stelt evenmin iets voor. De hierboven door zichzelf zo uitbundig gekarakteriseerde hoofdfiguur is gefascineerd door zijn overbuurman, Kai, die in de bibliotheek beloerd wordt terwijl hij geile strips aan het lezen is. Hij krijgt een zekere Bileam in huis die ritueel een schaap slacht en weet een aanbeden barmeisje tegen zich in te nemen. Verder heeft hij ongelooflijk de pest aan de Amsterdamse duif, al komt die ook met hem overeen, 'want deelde ik niet hun zucht naar een rustplaats?' Deze hoofdpersoon is zeer te beklagen: ,,En mijn verdriet wist mijn temeier en moeder bereid mijn onophoudbare snotteringen in haar beddingen en bekken op te vangen, mijn hulpeloosheid aan haar tepelrijke uiers te leggen.''

Een boek dat vrijwel geheel is opgetrokken uit dit soort linguïstische beeldhouwwerkjes kan twee kanten op: of het is een meesterwerk, of het is een jammerlijke mislukking. Dat laatste is het geval. Bouazza beheerst de vorm niet, erger nog, de vorm brengt zichzelf door zijn potsierlijkheid om. Deze roman had kunnen bestaan uit een verheven geoudehoer waar Gods zegen op rust, maar is daar een parodie op geworden.

Het derde en laatste deel van 'Salomon' laat stilistisch nog iets anders zien, namelijk een tekst zonder punten en komma's. Ook in dat genre blinkt Bouazza allesbehalve uit, want terwijl dit soort proza een dwingende voortgang moet hebben, struikel je bij hem geregeld over de onhandig gemonteerde zinnen. Gelukkig ontbreken in dit deel de gewrochte zinnen, hier is het dictee als stijloefening uitgebannen, maar wat ervoor in de plaats komt heeft weinig allure: ,,Ik zei vroemvroem en maakte rijbewegingen met mijn handen en deed alsof ik een sleutel in het contact stopte en hij zei ah si en ging de sleutels halen want ik had zin om wat te gaan rijden ik voelde me heel naar na die droom die ik bij het zwembad had gehad toen ik topless aan het zonnen was dat vertel ik straks wel maar het grappige was'' etcetera.

In een gesprek met Elisabeth Lockhorn, zojuist verschenen in haar boek 'Geletterde mannen', beschrijft Bouazza de ontdekking van het Woordenboek der Nederlandse Taal, het WNT, als een sensatie. ,,Het was een soort trip, een bedwelming.'' Ook als je Van Dale openslaat, kun je onder de indruk raken van de letterlijk ongekende rijkdom van de Nederlandse taal. Het heeft geen enkele zin om uit die reusachtige pap een flink aantal archaïsche of curieuze krenten te pikken en die mee te bakken in je hedendaagse proza. Dat werkt niet in proza, hooguit kan het, mits met mate aangewend, in poëzie bepaalde effecten sorteren.

Bouazza's trip met de Nederlandse taal heeft een ondoorkomelijke warboel opgeleverd, een ontspoord boek. Wat moet doorgaan voor brille mist scherpte en, vooral, humor. Een keer niet, maar dat is te weinig: ,,Ik wilde mijn ogen hun glorievaandel op haar heuvelheiden laten wapperen. Ik wilde mijn blik als bezwete rossen dankbaar laten grazen in de dellen en op de lillende billen van haar volvormelijkheid. Ik wilde -ik had een borrel nodig.'' Ik ook.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden