Boosheid om van te smullen

Jeroen Brouwers, het meest virtuoze scheldkanon van de Nederlandse letteren (Trouw) Beeld Merlijn Doomernik/Hollandse Hoog
Jeroen Brouwers, het meest virtuoze scheldkanon van de Nederlandse letteren (Trouw)Beeld Merlijn Doomernik/Hollandse Hoog

De literatuur kent veel mopperpotten: Dickens en Nabokov klaagden steen en been over critici. Jeroen Brouwers en Thomas Bernhard laten zich honend uit over armoedige prijzen als 16.000 euro of 25.000 shilling: „Waarom niet meteen vijf miljoen?” Hebben ze een punt? Meestal niet, vindt Rob Schouten. Want de litanie is een genre dat de aanleiding ver overtreft.

Rob Schouten

Schrijvers zijn vaak gevoelige en kwetsbare wezens, des te meer omdat ze door te schrijven juist hun nek uitsteken. ‘Ernst ist das Leben, heiter die Kunst’, beweerde Schiller, maar het tweede gedeelte van die uitspraak is voor velen twijfelachtig. Met hun gevoelige ego’s voelen schrijvers zich nogal eens miskend of op hun tenen getrapt. Misschien dat ook andere groepen kunstenaars, musici, schilders, toneelspelers zich wat sneller door de maatschappij belaagd voelen dan beoefenaars van gewone burgerlijke beroepen, maar je hoort ze er niet zo over.

Wat schrijvers van hun broeders in de kunst onderscheidt is dat ze het wapen bij uitstek bezitten om die kwetsbaarheid vorm te geven en wie weet er zo zelf beter mee om te kunnen gaan: de pen.

Al sinds er literatuur is, heeft de verongelijkte schrijver zijn wapen gewet en is ermee naar de publieke ruimte gegaan om aandacht te trekken voor zijn zaak. Charles Dickens bijvoorbeeld, die toch niet over gebrek aan aandacht te klagen had, maakte er een gewoonte van om met ingezonden brieven op gekwelde toon in de krant te reageren, zodra hij zich door een criticus miskend voelde. Vladimir Onbuigzaam Nabokov, zoals hij zich ergens noemt, hanteerde de op een na superieurste methode, zweeg dus niet maar reageerde vol verachting en cynisme zodra hij zich kwalijk bejegend voelde. ’Zuivere kleuren’, een uitgave van Nabokovs epistels, staat vol met ingezonden brieven aan kranten die volgens hem iets fouts omtrent zijn persoon of werk hadden gepubliceerd: „Dit gezwets is om diverse redenen onverkwikkelijk voor mij”, „De bewering van de heer Fuller daarentegen is lasterlijk”, „Geachte redactie, ik sta op het punt een allesverwoestende oorlog tegen gemaniëreerde wanvertalers te beginnen. Dit is echter een incidentele expeditie.” Boosheid om van te smullen.

Dichter bij huis wijdde Jan Kal eens een hele dichtbundel aan het Fonds voor de Letteren, dat hem geen stipendium gaf, met onder andere de regels:

Oligofrenen en microcefalen,

minkukels in de uitvoering der wet,

u dient een echte dichter te betalen.

Rood aanlopende schrijvers zijn vaak erg geestig en scherp, dat is immers hun stiel. Uitgevers, kranten, politici maar ook onschuldige lezers of niet-lezers krijgen er striemend van langs.

De Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) behoorde tot het genus der hooghartige minachters. In ’Mijn prijzen’ somt hij met veel dédain de literaire prijzen op die hij bij zijn leven ontving en die stuk voor stuk tot walging en narigheid leidden. Dat hij de Triumph Herald die hij voor het prijzengeld van de Julius Campeprijs kocht, onmiddellijk in de prak reed, valt enigszins buiten dit bestek maar geeft wel aan dat dankbaarheid voor de uitgereikte eregelden niet loonde. Zo beschrijft hij gretig een tijdens een prijsuitreiking snurkende minister, elders heeft hij het over ‘de stompzinnigheid en huichelarij’ van degenen die hem de Kleine Staatsprijs toekenden, let wel de vernederende Kleine: „Dat zat me buitengewoon hoog en wekenlang liep ik bijna brakend rond. Maar ik wilde niet het risico nemen van een weigering, want dan hadden ze me weer uitgemaakt voor arrogant en megalomaan.” Dan weer vervloekt hij het Verbond van Ondernemers dat hem vijfentwintigduizend schilling toekent terwijl ze hem beter vijf miljoen schilling hadden kunnen geven.

Bernhard was een doorgewinterde mopperpot, die graag de hand van wie hem voedde beet, maar hij ontzag ook zichzelf niet. Telkens weer neemt hij het geld toch maar aan immers: „Geen mens verwijt een bedelaar op straat dat hij geld accepteert van mensen zonder te vragen hoe ze aan het geld komen dat ze hem geven.” „Ik ben inhalig, ik ben karakterloos, ik ben zelf een smeerlap” geeft hij ergens toe. Met gepaste literaire overdrijving verzwijgt hij van de ’weerzinwekkende’ Grillparzerprijs dat er wel degelijk een geldbedrag bij hoorde, en doet alsof hij de Büchnerprijs alleen in ontvangst neemt om zijn tante een uitje te bezorgen. Het zijn even schaamteloze als vermakelijke litanieën.

Natuurlijk is het voor grote kunstenaars moeilijk om kleine geldbedragen toegestopt te krijgen, maar het is ook moeilijk om met je prachttalent door letterknechten gedirigeerd te worden. In ’Herinneringen aan mijn uitgevers’ beschrijft L.H. Wiener zijn betrekkingen met al zijn uitgevers, een stuk of acht zijn dat er wel geweest, en dat getal alleen al geeft aan wat voor een lastpak hij moet zijn. Maar wat kan ons, lezers, al dat kleinzielig geruzie schelen? Niets, dat vermoedt de schrijver ook wel, daarom doet hij zijn best het zo mooi mogelijk op te schrijven, als het ware om ons de aanleiding te doen vergeten.

Klachten en miskenningen behoren onmiskenbaar tot Wieners literaire ransel. Zo pakte hij in zijn roman ’Eindelijk volstrekt alleen’ nogal buiten de orde de criticus Jeroen Vullings aan, die hem in de kolommen van Vrij Nederland zou boycotten. In ’Herinneringen aan mijn uitgevers’ worden nu zijn literaire broodheren geroosterd. Gezegd moet worden dat hij het hier en daar ook met liefde doet, zo voel je tussen hem en Geert van Oorschot ondanks alle strubbelingen toch ook sympathie en achting. Zoon Wouter van Oorschot daarentegen, die hem verbiedt de correspondentie te openbaren, staat „als de ideale zoon en zaakwaarnemer het erfgoed van zijn vader op de barricaden van de burgerlijke benepenheid (...) te verdedigen”, aldus Wiener, die daarmee direct de traditionele tegenstander van de kunstenaar ontmaskert: het burgerdom, de bourgeoisie.

Een andere uitgever die het, na een vriendschappelijke start, moet ontgelden is Mai Spijkers, die wordt heengezonden met de volgende woorden: „als ik aan Mai Spijkers denk, hetgeen door de soms onafhankelijke werking van ons brein niet altijd te vermijden is, dan denk ik aan een verloren ziel, een vuige leugenaar, een engerling, die meer en meer lijkt te gloriëren in zijn eigen verloochening.”

Het is duidelijk dat verongelijkte schrijvers niet in de eerste plaats hun gram kwijt willen maar vooral ook willen laten zien hoe fraai hun kwaadheid eruitziet. Als de pest mijden ze de kans dat ze zelf zielig gevonden zullen gaan worden.

Het meest virtuoze scheldkanon van de Nederlandse literatuur is nog altijd Jeroen Brouwers, bij wie de scheld- en vloekschriften steevast hun aanleiding overtreffen. Vér overtreffen want wie herinnert zich nu nog dat Brouwers de Prijs der Nederlandse Letteren weigerde omdat hij het bedrag van 16.000 euro maar minnetjes vond en geen zin had om voor de Taalunie door het stof te gaan? Maar in ’Sisyphus’ bakens’ blaast hij deze kwestie alsnog op tot een weergaloze en bittere aanklacht tegen de Taalunie en vooral tegen de Nederlandse cultuurminister, ‘ijdeltuit Plasterk, Haantje Hoedemans’, volgens Brouwers de kwade genius achter het conflict, en neemt hij en passant ook diverse leden van de beide koninklijke huizen der lage landen op de korrel.

Schrijvers als Bernhard, Wiener en Brouwers hebben een olifantsgeheugen, ze bewaren alles om het hun vijanden later te kunnen nadragen. Echter niet de bewijslast overtuigt maar de stijl waarin de ‘apenkoning’, ‘de ezelgod’, de ‘Hoog Heid’ en andere ‘Hoofden van Labbekak’ het moeten ontgelden. ’Sisyphus bakens’ is ongetwijfeld het zoveelste hoogtepunt in de naoorlogse scheldliteratuur, ik heb de laatste jaren niet zulke vermakelijke literatuur gelezen, al geloof ik beslist dat Brouwers met ‘zijne hoogheid, voorheen als exacte wetenschapper in de weer geweest met fruitvliegen en wurmachtigen van 1 millimeter, deze ex-professor, kaviaarsocialist, vrijetijdsschilder en amateurzanger’ de verkeerde op de korrel neemt. Doch niet de inhoud en de argumenten tellen maar de vorm en de stijl, en dat weet Jeroen Brouwers als geen ander.

Literaire verongelijktheid, het gevoel miskend te zijn is van alle tijden maar misschien is het in onze tijden toch nog wat prangender dan vroeger. Immers de markt is de laatste jaren drastisch veranderd. Schrijvers moeten op tv om aandacht te trekken, meelopen in het circus van de literaire prijzen, een toegankelijk gezicht opzetten. Dat is voor mensen als Brouwers en Wiener even onmogelijk als het voor Bernhard en Nabokov zou zijn geweest.

Natuurlijk zou het van ware grootheid getuigen zulke miskenning maar superieur te slikken en je kaarten op de eeuwigheid te zetten, maar dat lukt de kwaaie kluizenaars niet. Dus slingeren ze van tijd tot tijd van een afstandje en vol afkeer hun prachtwoorden in het publiek, waar het klootjesvolk, de populisten en de zeepkistredenaars de dienst uitmaken. Paarlen voor de zwijnen natuurlijk, al lijken die laatsten zulke schotschriften toch niet te versmaden en dat is op een paradoxale manier zelfs voor de beledigde schrijver toch wel vleiend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden