BoekrecensieRoman

Boos in het ziekenhuis, in de nieuwste zorgroman van Alfred Birney

Beeld Trouw

Na Brouwers komt nu ook Alfred Birney met een monoloog van een foeterende, zieke zestiger.

Het lijkt wel een nieuw genre, de zorgroman. De opvolger van de dementie- of alzheimerroman die tot voor kort onze ouderdom in beeld trachtte te brengen. Vanuit ziekenhuizen en zorginstituten roepen en foeteren de patiënten en bejaarden ons toe. En dat alles dateert nog van voor de coronacrisis, dus wie weet wat ons de komende tijd nog te wachten staat.

De zorgroman is niet alleen sociologisch interessant met z’n kijkje in een redelijk onbekende wereld maar ook literair: het levert een nieuw soort scheldliteratuur op. In het voetspoor van de succesvolle verhalen van Hendrik Groen schreven Erik Nieuwenhuis met ‘Niemand vertelt je hier ooit wat’ en Jeroen Brouwers met ‘Cliënt E. Busken’ zulke romans, waarin de hoofdpersonen min of meer tegen hun zin, dus boos en gefrustreerd, vastgehouden worden in zorginstituten.

Alfred Birney, nog maar onlangs doorgebroken met zijn bekroonde roman ‘De tolk van Java’ (goed voor de Libris Literatuurprijs en de Henriëtte Roland Holstprijs!) voegt zich in dat rijtje met ‘In de wacht’, opstandige observaties ditmaal uit het ziekenhuis.

Onbeschaamd ethisch profileren

Alan Noland, zestig jaar, ligt na een hartaanval in het ziekenhuis en beschrijft niet alleen wat hem daar allemaal overkomt maar ook hoe zijn leven er tot nu toe uitziet. Noland, de naam zegt het al: deze man komt eigenlijk nergens vandaan, hij is een smeltkroes-Indo met Chinees, Indisch, Nederlands en Schots bloed, en met al die verschillende bloedbanen in zijn lijf permitteert hij het zichzelf om onbeschaamd etnisch te profileren. Dit soort romans moet het, in het voetspoor van Céline zeg maar, vooral hebben van de ongeremde emoties, het gefoeter en gemopper, naast de momenten van inkeer, van de plotse warme gevoelens. Van het temperament van de spreker dus. Dat geldt zeker ook voor Birney’s protaganist Noland, in het dagelijks leven gitaarleraar, die vanuit zijn ziekenhuisbed lekker tekeer gaat. Over artsen die hem niet bevallen, medepatiënten van wie hij last heeft, verpleegsters die hem nu eens hardhandig dan weer liefdevol verzorgen, psychologen met hun mooie praatjes: “zeuren is lekker als je geen gitaar in je fikken hebt. Zeuren is geen blues, maar het is wel muziek. Zeikmuziek, dat wel. Wat zeik ik.”

En zo wordt er in dit boek flink en virtuoos gezeikt, er deugt maar weinig van de wereld. Dat betreft niet alleen het ziekenhuis maar ook de rest van zijn omgeving. Noland zeurt over zijn moeder die maar niet langskomt, over zijn ex-vrouw Tara die niet deugt, over zijn broer die hem bedrogen heeft, het minst nog over zijn zoon Stevie, zijn hoogbegaafde oogappel, die thuis zit te blowen en aura’ s ziet, over de Nederlanders, door hem Batavieren genoemd, maar net zo goed over Hindoestanen, of over Surinamers, Chinezen, ja wie niet eigenlijk?

Maar onder al dat gefoeter proef je de pijn van andere minder grijpbare zaken, een postkoloniaal trauma vermengd met de desillusies van een protestgeneratie, van een ouwe hippie, want babyboomer Noland stamt uit een tijd dat alles nog kon, en dat de wereld vol bloemenmeisjes en beloften zat. Aan het woord is dus een verzuurde maar levendige en energieke man, die zijn lege ziekenhuisdagen vult met veelal sombere en hypochondrische bespiegelingen: “Ik durf te wedden dat als ik slaap straks, ze me opeens komen halen voor een scan. Ze klooien maar wat aan, net als in de VOC-tijd. Met een beetje geluk wordt het morgen.”

Klaagzang

Nolands woordenrijk gelamenteer is leuk, vermakelijk maar het heeft ook iets vrijblijvends en populistisch. Vandaar dat de momenten van contemplatie en melancholisch inzicht mij eigenlijk het beste bevallen in deze weinig verheven klaagzangen. Bijvoorbeeld als Noland zijn uitzicht beschrijft: “Van hierachter kun je het oude en het nieuwe centrum van de stad met elkaar in gevecht zien. Treurige oude kerken staan met hun handen in het haar te zoeken naar hun vergeten gebeden, terwijl agressieve spitse daken van miniwolkenkrabbers oprukken naar een slagveld zo chaotisch dat zelfs moskeeën luchtspiegelingen veroorzaken.”

Of als tegen het eind een onbespoten, orthodox-christelijk verpleegster uit Ede aan zijn ziekbed verschijnt, een ware engel van een ‘enorm aantrekkelijke saaiheid’. Die ingetogen saaiheid betracht Birney in zijn multiculturele ziekenhuisspektakel geenszins. Integendeel, kun je wel zeggen.

Oordeel: vermakelijk gescheld met beklijvende momenten van melancholie.

Alfred Birney
In de wacht
De Geus; 320 blz. € 22,50

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden