Review

Bonen doppen en vertellen

Eindelijk krijgt Nederland de kans de Poolse schrijver Wieslaw Mysliwski te ontdekken. Carl Friedman prijst een roman waarin honderden pagina’s lang bonen gedopt worden. Intussen trekt de geschiedenis van Polen voorbij.

’U komt bonen kopen? Bij mij? U kunt toch in elke winkel bonen krijgen? Maar komt u vooral binnen. U bent toch niet bang voor honden? Ze hoeven alleen maar even aan u te ruiken. Als iemand voor het eerst komt, moeten ze gewoon even aan hem ruiken. Dat zou ik niet weten. Dat hebben ze niet van mij. Dat doen ze uit zichzelf. Een hond is even ondoorgrondelijk als een mens.’

In ’Over het plukken van bonen’ is gedurende bijna vierhonderd pagina’s onafgebroken een oude man aan het woord. In gezelschap van twee honden beheert hij in een afgelegen deel van Polen vakantiehuisjes, die na het seizoen door de gasten zijn verlaten.

Plotseling krijgt hij bezoek van een onbekende die om een portie bonen vraagt. Terwijl hij samen met de vreemdeling de bonen in kwestie dopt, vertelt hij spontaan zijn levensgeschiedenis.

Dat gebeurt niet chronologisch, maar verbluffend natuurgetrouw. De oude man laat zich meevoeren door herinneringen, gedachten en beschouwingen die hem invallen. Afwisselend staat hij stil bij zijn jeugd en zijn volwassenheid. Hij dwaalt af, hij weidt uit, hij heeft geen haast.

Het doppen van de bonen is een geduldwerk dat hem noopt tot neerzitten. En doordat zijn handen almaar dezelfde beweging maken, krijgen zijn gedachten de vrije loop. Die komen even gemakkelijk, ja, in hetzelfde gestage tempo tevoorschijn als waarmee zijn vingers de bonen uit hun dop duwen. Niet voor niets heet het ergens dat bonen ’elk geheugen tot op de bodem openzetten’.

Het geheugen van de oude man staat wijd open. En hij vertelt, vertelt, vertelt. Bijvoorbeeld over zijn vader, die ’s avonds sigaretten rokend op een bank bij het raam naar buiten keek. „Iemand zou misschien zeggen dat hij naar de schemer zat te kijken. Maar kan men weten waar iemand naar kijkt? Men denkt al gauw dat hij hier of daar naar kijkt, maar ondertussen kijkt hij naar zichzelf. Van tijd tot tijd liet hij dat gestaar van hem vergezeld gaan met een: ’O, de dagen worden korter. Almaar korter. Een mens past er niet meer in.”’

Langzaam maar zeker krijgen we inzicht in het verleden van de oude man. Hij blijkt in deze streek te zijn opgegroeid, niet ver van de plaats waar zich nu de vakantiehuisjes bevinden. In de oorlogsjaren werd zijn boerenfamilie door Duitse soldaten vermoord, terwijl hij zich als jongetje schuil hield in een aardappelkelder. Door de schok van de gebeurtenissen verloor hij het vermogen om te spreken. „Pas na de oorlog bleek wat die oorlog was geweest, wat een enorme nederlaag niet alleen van de mens, maar ook van God. Je zou verwachten dat de mens zich niet meer zou oprichten, dat hij zijn maat had overschreden.”

Maar het onverwachte voltrok zich aan hem: hij krabbelde overeind en hij vond tijdens omzwervingen met een groep partizanen zijn stem terug. Na de bevrijding belandde hij in een weeshuis waar hij een opleiding kreeg. In het nieuwe, communistische Polen ging hij werken als elektricien.

Over de politieke terreur van die tijd wordt in het boek weinig gezegd, er wordt hooguit in bedekte termen naar verwezen. Toch laat Mysliwski aan duidelijkheid niets te wensen over. Hilarisch is het voorval dat hij beschrijft in een heren-wc, waar een urinerende man zijn geslacht toespreekt met de woorden: „Socialisme, kapitalisme, allemaal geen cent waard. Jij bent een grootmacht. Op jou rust de wereld. Hoewel, wie ben jij in feite? Je zit daar maar in die broek van mij. Een knusse, stille plek. Een toevluchtsoord. Zo nu en dan zou een mens zich daar willen terugtrekken, als hij dat kon.”

Hier wordt het Polen van Gomulka gekarakteriseerd als een land waar men nergens veilig is, tenzij in het donker van de eigen schaamte.

Overigens geeft de oude man niet al zijn geheimen prijs. Sommige van de door hem vertelde gebeurtenissen zijn zo curieus, dat ze ons blijven verwonderen, lang nadat we het boek ten einde hebben gelezen. En wat ons vooral in spanning houdt: wie is toch de mysterieuze bezoeker die om bonen is gekomen? Waarom vraagt de oude man niet naar zijn identiteit? Intussen mengt hij door zijn herinneringen filosofische bespiegelingen. „We leven in wat wordt verteld. De wereld is wat wordt verteld.”

Ik vertel, dus ik ben? In dat geval is Wieslaw Mysliwski jarenlang dood geweest in Nederland, want in het verleden zagen Nederlandse uitgevers niets in zijn werk. Vertaler Karol Lesman leurde jarenlang onverrichter zake met het in Polen bekroonde oeuvre van de schrijver, totdat hij Querido bereid vond om ’Over het doppen van bonen’ te laten verschijnen. Het is dus de verdienste van Lesman dat de Nederlandse lezer eindelijk met dit prachtige proza kan kennismaken.

De van het platteland afkomstige Mysliwski heeft in zijn leven heel wat bonen gedopt. In zijn jeugd was het een gemeenschappelijke bezigheid waarbij huisvlijt werd verenigd met sociaal verkeer. Met het hele gezin of het halve dorp zat men ’s avonds in een kring bonen te doppen, terwijl er over van alles en nog wat werd gesproken, over vroeger en vandaag, over de mensen en God, over liefde en oorlog, leven en dood. Iedereen droeg aan de conversatie bij, ook de kinderen. „Er waren geen beperkingen,” aldus de schrijver.

De verbale structuur van zulke gesprekken wordt zo overtuigend nagebootst dat de lezer verandert in luisteraar. Na afloop verkeert hij in de waan dat hijzelf de onbekende bezoeker is tot wie de oude man zich heeft gericht en van wie hij afscheid neemt met de woorden: „Ik laat de honden bij u achter. Weest u niet bang van ze. Blijft u maar bonen doppen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden