Review

Boelgakov had reden Stalin te ontzien

“Lafheid is ongetwijfeld een van de ergste ondeugden, sprak Jesjoea Ha-Notsri. Nee, filosoof, ik moet je tegenspreken: het is de allerergste!” We bevinden ons in de droom van Pontius Pilatus, de gekwelde procurator van Judea. De dag ervoor heeft hij, tegen zijn zin maar onder zware druk van de joodse hogepriester Kajafas, de zonderlinge maar ongevaarlijke zwerver Jesjoea Ha-Notsri ter dood veroordeeld. De man had hem geïntrigeerd toen hij hem was voorgeleid. Vooral met de opvatting dat er in wezen alleen maar goede mensen bestaan. Was het om hem te logenstraffen dat Pontius Pilatus tot zijn laffe daad was gekomen?

Even had hij nog gehoopt de man te kunnen redden. Het was Pesach en dan werd traditioneel een veroordeelde gratie verleend. Maar Kajafas had weten door te drukken dat niet Jesjoea maar de moordenaar en oproerkraaier Bar-Abbas werd vrijgelaten. Er bleef Pilatus niets anders over dan Jesjoea Ha-Notsri te laten terechtstellen, en liefst zo snel mogelijk, om het volk niet de gelegenheid te geven een rel te schoppen.

Vanaf dat moment had hij alles in het werk gesteld om de gevolgen van zijn daad tot een minimum te beperken. Vergeefs. De man die Jesjoea bij de geheime dienst had aangegeven, ene Jehoeda van Karioth, bleek al te zijn vermoord voordat hij hem kon redden. En Mattheus Levi, de voormalige belastinginner die have en goed verlaten had om Jesjoea te volgen, weigerde zwijggeld van hem aan te nemen.

Wel gunde Mattheus de procurator een blik in het perkament waarin hij alles noteerde wat Jesjoea predikte. Het bleek vol te staan met mystieke wartaal. Maar helemaal onderaan las Pilatus woorden die hem deden huiveren: “. . . een nog grotere zonde. . . lafheid.”

In zijn droom zocht Pilatus verlichting voor zijn gekwelde geest. Hij wandelde over een doorschijnende blauwe weg richting maan, in gezelschap van zijn onafscheidelijke hond Banga en de zwervende filosoof Jesjoea, met wie hij eindeloos disputeerde over goed en kwaad en de zin van het bestaan. In zijn slaap lachte hij van geluk.

Met dat droombeeld van het geanimeerde dispuut tussen Jesjoea en Pilatus eindigt de parabel, geschreven door de naamloze hoofdpersoon van 'De meester en Margarita'. Een schitterende parabel, vol prachtige beschrijvingen van het zinderende Jersjalajim, de door Pilatus zo gehate stad, waar het onophoudelijk broeit van etnische geschillen, godsdiensttwisten en politieke kuiperijen. De parabel gaat natuurlijk over de veroordeling van Jezus, maar de schrijver, die verder alleen 'de meester' heet, heeft het verhaal naar zijn hand gezet, hetgeen hij benadrukt door allerlei kleine afwijkingen in de namen. Jesjoea Ha-Notsri is bijvoorbeeld de Aramese benaming van Jezus van Nazareth.

De parabel is in haar geheel opgenomen in 'De meester en Margarita', verspreid tussen de hoofdstukken van het eigenlijke verhaal. Dat eigenlijke verhaal speelt in Moskou, in de tijd dat het leven er beheerst werd door angst, verraad, intriges, kinnesinne en huichelarij. Het speelt in de wereld van literatuur en theater, een wereld waarmee de schrijver, Michail Boelgakov (1891-1940), maar al te vertrouwd was.

Zijn schrijversleven lang (eerder was hij arts) is Boelgakov het slachtoffer geweest van tegenwerking, laster, censuur, lafheid en chantage. Al die machinaties waren het werk van critici, theaterdirecteuren, collega-schrijvers en bureaucraten. Vreemd genoeg legde Boelgakov geen verband tussen die verdorven wereld vol achterdocht en verraad, en de man die voor die wereld de morele en politieke verantwoordelijkheid droeg: Stalin. Het lijkt er sterk op dat Boelgakov voor Stalin hetzelfde mededogen koesterde dat de meester in de parabel aan de dag legt tegenover Pontius Pilatus: een gekwelde, door lafheid lamgeslagen geest, “die steeds het goede wil, en steeds ten kwade werkt”.

Boelgakov had redenen Stalin zo te zien. Het was immers Stalin die openlijk zijn waardering uitsprak voor Boelgakovs toneelstuk 'De dagen der Toerbins' en er daarmee voor zorgde dat het zijn meest gespeelde stuk werd. En het was Stalin in hoogst eigen persoon die de schrijver opbelde om hem te melden dat hij weer als dramaturg bij het theater aan de slag kon nadat allerlei kuiperijen hem brodeloos hadden gemaakt. Maar het was ook Stalin die Boelgakovs vele smeekbeden om naar het buitenland te mogen reizen onbeantwoord liet.

Boelgakov was realist genoeg om te beseffen dat er onder al die ongerijmde omstandigheden geen sprake van kon zijn dat 'De meester en Margarita', de roman die hij als zijn levenswerk beschouwde, ooit kon worden gepubliceerd. De lotgevallen van zijn eerdere satirische romans 'De eieren der Rampp-spoed' en 'Hondehart' hadden hem wat dat betreft iedere illusie ontnomen. Vandaar dat hij in 'De meester en Margarita' vrijuit schreef over de onderdrukking van een manuscript, te weten het manuscript van de meester met de parabel over Pontius Pilatus.

De lotgevallen van dat manuscript vertelt Boelgakov op een volstrekt andere toon dan de nogal lyrische parabel. Het manuscript speelt een diabolische rol in de lichtvoetig vertelde maar toch roerende liefdesgeschiedenis tussen de meester en het burgervrouwtje Margarita. In de roes van de liefde en aangemoedigd door haar opgetogen reacties voltooit hij het manuscript en biedt hij een hoofdstuk ervan ter publicatie aan. Wanneer de reacties desastreus zijn, raakt hij zo depressief dat hij het manuscript in de kachel stopt. Margarita is er te laat bij, ze weet slechts een enkel hoofdstuk aan de vlammen te ontrukken. Het mag niet baten, de meester raakt definitief het spoor bijster en belandt in een inrichting. Maar dan komt uit onvermoede hoek redding aangesneld.

De grote redder dient zich al meteen in het begin van de roman aan, wanneer de meester nog lang niet in zicht is. In het allereerste begin van het boek zelfs: het motto. Dat luidt: “Maar goed, wie zijt ge dan?/ Deel van die kracht en sterkt/ die steeds het kwade wil/ en steeds ten goede werkt.” Het zijn de woorden waarmee Goethe's Mefistofeles zich aan Faust bekendmaakt. De redder van de meester en Margarita, tevens de redder van des meesters manuscript, is de mefistofelische figuur Woland.

En dat brengt ons bij de derde dimensie, of verhaallijn, of laag, in de roman van Boelgakov: de hilarische, surreële, diabolische lotgevallen van de duivelse Woland in Moskou. Het is in feite de buitenste laag, de laag die de andere twee verhalen omvat en uiteindelijk zelfs bij elkaar brengt.

De openingsscène is beroemd en heeft voor de liefhebbers van de roman - en dat zijn er, zeker in het huidige Rusland, nogal wat - een soort cultstatus verworven. Twee heren, een redacteur en een dichter, zitten op een bankje in het park rond de Patriarchvijver. Ze discussiëren over de jongste pennenvrucht van de dichter, een poëem over Pontius Pilatus. Een vreemd heerschap bemoeit zich met het gesprek. Hij dringt hun zijn versie van de Pilatus-geschiedenis op, een versie die, naar later blijkt, woordelijk overeenkomt met de versie van de meester.

De vreemdeling, die uiteraard niemand anders is dan de duivelse Woland, verbluft zijn gesprekspartners vervolgens door een van hen, de redacteur, een spoedige dood te voorzeggen. En inderdaad, weinige minuten later komt de man om het leven op de manier die Woland tot in detail had beschreven: hij struikelt, waarna een tram zijn hoofd van zijn romp scheidt. Dit alles onder het oog van de dichter, die prompt tot waanzin vervalt en na een reeks bizarre avonturen in de inrichting belandt - dezelfde inrichting waarin de meester blijkt te zijn opgesloten.

Woland neemt met een stel exotische vrienden zijn intrek in de woning van de onthoofde redacteur, een woning niet ver van het Patriarchpark. Park en woning bestaan nog steeds en zijn inmiddels bedevaartsoorden voor de fans van 'De meester en Margarita'. Het trappenhuis dat naar de woning leidt - waar overigens de schrijver zelf ook nog enige jaren heeft geleefd - is door de Boelgakov-pelgrims van boven tot onder volgekalkt met satanische spreuken en formules.

Vanuit die woning voert Woland een waar schrikbewind uit over Moskou. Slachtoffer van dat bewind is de culturele elite van de stad en haar talloze epigonen, door Boelgakov zorgvuldig gemodelleerd naar de personen die hem in zijn schrijversloopbaan hebben dwarsgezeten. In de door Woland geregisseerde, doldwaze gebeurtenissen wordt de ganse sovjetsamenleving meedogenloos te kakken gezet.

Dat element van de roman sprak uiteraard sterk tot de verbeelding van de Russische lezers toen in 1966, een kwart eeuw na de dood van de schrijver, 'De meester en Margarita' voor het eerst werd gepubliceerd, zij het in een zwaar gecensureerde editie. Voor de huidige en met name ook de niet-Russische lezers zullen daarentegen de andere twee verhaallijnen, de liefdesgeschiedenis van de meester en Margarita, en de geschiedenis van Jesjoea en Pilatus, zwaarder wegen in hun waardering van de roman.

De liefdesgeschiedenis neemt een wending ten goede op het moment dat Margarita een pact sluit met Woland. Ze wordt eregast op een uitzinnig satansbal ten huize van Woland. Als ze de even bloedige als erotische rituelen aldaar goed heeft weten te doorstaan, beloont Woland haar door haar diepste wens in vervulling te doen gaan: hij ontvoert de meester uit de inrichting en brengt de geliefden weer bij elkaar.

Meer nog: hij tovert het manuscript te voorschijn dat de meester in zijn wanhoop in de kachel had gestopt en spreekt daarbij de beroemd geworden woorden: “Manuscripten verbranden niet” - beroemd onder meer omdat ook Boelgakov wel eens manuscripten van zichzelf heeft verbrand, manuscripten die uiteindelijk in de jaren zestig toch weer opdoken.

Dan wordt het tijd voor de duivelse Woland om zijn laatste goede daad te verrichten: hij schenkt de meester en Margarita hun welverdiende, eeuwige rust. Hij verricht die daad overigens op voorspraak van Jesjoea, die zijn wens via Mattheus Levi aan hem kenbaar maakt. Ja, op het laatst is alles mogelijk in de roman. Ook dat de meester, onderweg naar zijn eeuwige rust, de nog immer tobbende Pilatus aantreft in diens leunstoel, waarin hij vergeefs de slaap probeert te vatten.

“Zo, en nu kunt u uw roman voltooien met één zin!” spreekt Woland op dat moment tot de meester. “Het was alsof de meester, die onbeweeglijk naar de zittende procurator had staan kijken, dit al verwacht had. Hij vormde met zijn handen een schreeuwtrompet en schreeuwde: Je bent vrij! Vrij! Hij wacht op je!” Waarna Pilatus, huilend of lachend van geluk, dat viel niet uit te maken, de maanweg opsnelde om eindelijk het gesprek met Jesjoea te gaan voeren waar hij al zo lang van had gedroomd.

Na aldus zijn parabel te hebben voltooid, kan de meester zijn intrek nemen in zijn 'huis voor eeuwig'. Een nogal saai huis, moet gezegd, met een eeuwig redderende Margarita, met ontluikende kersenbomen en wijnstokken, met een ganzenpen om mee te schrijven, en 's avonds met kaarslicht en Schubertmuziek en alleen maar interessante vrienden op visite.

“Er was iemand die de meester de vrijheid hergaf”, heet het dan, “zoals hij zelf even voordien de door hem geschapen romanheld de vrijheid had hergeven.” Wie is die 'iemand'? Is dat Boelgakov? Of Jesjoea, die immers Woland had verzocht de meester eeuwige rust te schenken? Of doet dat er niet toe en speelt Boelgakov hier gewoon de rol die elke schrijver tegenover zijn personages speelt: die van God?

Het is het laatste raadsel in een boek vol raadsels. Waaronder ook onbedoelde raadsels, zoals de vraag of Margarita en de meester aan het eind nu dood zijn of alleen maar verdwenen. De tekst van de roman spreekt zichzelf op dat punt tegen, wat erop wijst dat Boelgakov, toen hij op zijn sterfbed de laatste correcties aan zijn vrouw dicteerde, toch nog het een en ander over het hoofd zag. Desalniettemin hebben we nu de meest complete en meest verantwoorde editie van Boelgakovs meesterwerk tot onze beschikking. En ook nog eens in een fraaie vertaling (Marko Fondse heeft zijn eerdere, wat al te zwierige vertaling samen met Aai Prins opnieuw doorgeploegd) en in een fraaie uitvoering (in de roemruchte Russische Bibliotheek van uitgeverij Van Oorschot).

Er kleven echter voor de hedendaagse lezer wel enkele bezwaren aan deze, bij verschijning zoveel geprezen roman. Het magisch realisme, tot welk genre de hoofdmoot van de roman, de Woland-geschiedenis, behoort, is eigenlijk nogal gedateerd. Boelgakovs satire op de sovjetsamenleving, hoe onweerstaanbaar komisch ook, heeft nu de Sovjet-Unie niet meer bestaat aanzienlijk minder effect. Maar de kern van het verhaal, de Jesjoea-parabel over zulke eeuwige kwesties als goed versus kwaad en moed versus lafheid, houdt het boek fier op de been.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden