Review

Blinde liefde voor magisch Praag

Angelo Maria Ripellino: Magisch Praag. Vertaald door Anton Haakman. De Arbeiderspers, Amsterdam; 382 blz. - Fl. 69,90.

CHJRISTEL JANSEN

Toen ik enkele jaren geleden met een Tsjechische vriendin de Praagse Tynkerk bezocht en we bij de grafsteen van Tycho Brahe stilhielden, vertelde ze me de mythe van deze zestiende eeuwse meesterwaarzegger. Tycho Brahe, onder koning Rudolf II een vooraanstaand astroloog en alchimist, had als student tijdens een duel zijn neus verloren. Om dit gebrek te verhullen - en vanwege de stank die hij verspreidde - had Brahe zich een kunstneus van puur goud laten aanmeten. Een prothese waarmee de kleine, lelijke man aanzien en eeuwige roem verwierf.

In 'Magisch Praag', het levenswerk van Ripellino, de in 1978 overleden Italiaanse hoogleraar in de Russische taal en letterkunde, duikt de merkwaardige sterrenwichelaar weer op. En Brahe is niet de enige. Het boek is zo dicht bevolkt met mythische figuren dat het zelfs voor een inwoner van Praag een onmogelijke opgave is ze in één leven te leren kennen.

“Ik zie twee sleutels om Praag te ontraadselen,” schrijft Ripellino. “Niet alleen is het een reservaat van pracht en praal en schatten, muskaatnoten die in de loop der eeuwen dikwijls zijn aangevreten door vreemde wilde zwijnen, maar ook een hoop verdroogd en beurs afval, prullen doordrenkt met berustende droefgeestigheid. . .”

Deze tegenstrijdige kanten probeert de auteur te ontrafelen. Hij baant zich daarbij stapsgewijs een weg door de literatuur, kronieken, jaarmarktliedjes, reclameteksten, horoscopen en spookverhalen. Een minnaar als Ripellino is uiterst bedreven in het vinden van allerlei wetenswaardigheden over zijn geliefde. Soms slaat deze gedrevenheid om in dweperij zich uitend in een (hinderlijke) overdaad aan namen, maar dat wordt vergoed door de weergaloos mooie, geslepen stijl waarin de serenade is opgesteld.

De Praagse magie komt volgens Ripellino voort uit het gegeven dat Praag een drie volkerenstad is, bewoond door Tsjechen, Duitsers en (Duitse) joden. Een mengeling van culturen die zowel tot conflicten leidde als wederzijdse beïnvloeding, wat duidelijk naar voren komt in de joodsDuitse literatuur van Praag. Kafka is daarvan de bekendste exponent. In zijn brieven aan Milena Jesenska verzoekt hij haar om toch vooral in het Tsjechisch te schrijven, maar spreekt hij tevens het verlangen uit de Boheemse hoofdstad te verlaten. In zowel 'Het Proces' als 'Het Slot' geeft Kafka een detaillistische sfeertekening van de geheimzinnige bureaucratie die de stad in haar ban houdt en waaraan geen mens kan ontkomen. Ook Kafka niet: in het hart van Europa is ieder zelfstandig denkend wezen gedwongen tot een zwervend bestaan. Vandaar dat de pelgrim/zwerver de held is van de Praagse literatuur. Deze held-pelgrim lijdt evenwel aan een typisch Praags gebrek: hij is tweeslachtig en bereikt nooit zijn doel. Zo is de kring weer rond. De Pragenaar zit gevangen in een vicieuze cirkel, toont Ripellino overduidelijk aan.

Het mooiste deel van het boek gaat over de glorietijd van de Praagse magie: de late zestiende eeuw onder de heerschappij van koning Rudolf II. In deze periode werd de basis gelegd voor de hekserij en het onverwoestbare bijgeloof dat Bohemen nog steeds in haar greep heeft.

Rudolf II was een wezensvreemd mens, een 'dromer-koning', die het daglicht haatte, diplomaten soms maandenlang liet wachten en uitsluitend was geïnteresseerd in alchimie en zwarte kunsten. Rudolf II was zo bezeten van de wens zijn leven te verlengen en de Steen der Wijsheid te vinden, dat hij de alchimisten onder strenge bewaking in het Gouden Straatje liet wonen. Toen ze in opstand kwamen tegen deze vorm van slavernij, liet de koning hen ophangen in ijzeren kooien aan sparren. Ze stierven een wrede dood.

Het is aardig Ripellino's lezing van de Faust-legende te vermelden. Tijdens de Hussietenopstand emigreerde Faust naar Duitsland waar hij de naam van zijn geboortedorp Kuttenberg ('Kutna Hora' in het Tsjechisch) aannam. Faust was dus niemand anders dan Gutenberg, de uitvinder van de boekdrukkunst!

Een ander belangrijk personage in het gevolg van Rudolf II was Giuseppe Arcimboldo. “We zouden ons Praag kunnen voorstellen,” schrijft Ripellino die enkele boeiende hoofdstukken wijdt aan 'De vier jaargetijden' en met name aan het vindingrijke schilderij 'Zomertijd', “als een 'Inventio Arcimboldi', als een antropomorfe stad, die de bomen van Petrin als haren, de Hradcanyheuvel als voorhoofd, de paleizen van Mala Strana als ogen, de Karelsbrug als neus en het Oude-Stadsplein als mond heeft.”

Arcimboldo die profielen samenstelde uit allerlei onderdelen, was geïnfecteerd door de verzamelwoede van Rudolf II, wiens rariteitenkabinet Europese faam genoot. Na de dood van de koning verduisterde Maximiliaan van Beieren niet minder dan vijfhonderd karren vol kostbaarheden, waaronder het mes dat een boer tijdens een zwelgpartij had doorgeslikt en dat door een barbier negen maanden later operatief verwijderd was.

Het is verleidelijk te blijven citeren en legenden op te sommen omdat de excessen onder Rudolf II elke fantasie tarten. Maar laten we Ripellino verder volgen op zijn zoektocht naar de Praagse ziel. Hij graaft in het verleden van Wijk Vijf, beter bekend als Josefov, de wijk waar de joden opeengepakt leefden en die zo klein was dat de graven er over elkaar heen werden gebouwd. Toen aan het begin van de vorige eeuw de muren werden gesloopt en door metalen draden werden vervangen, verpauperde de buurt. Alleen de streng orthodoxe joden bleven achter, de leeggekomen huizen werden bevolkt door hoeren, opkopers en waarzegsters.

In deze wijk werd de mythe van de Golem geboren, de mensrobot van klei die door rabbijn Löw tot leven werd gewekt, maar wiens krachten zo onbeheersbaar waren dat de rabbijn zijn kleischepping weer terugbracht tot een hoopje aarde dat hij op de zolder van de Altneu-synagoge wegborg. De schrijver Egon Erwin Kisch zocht op de zolder en trof er niets dan oude rommel en spinnewebben.

Deel twee van 'Magisch Praag' luidt het 'provisorische' tijdperk in. Het is 1618, Matthias heeft zijn broer Rudolf II vervangen, de keizerlijke zetel is naar Wenen verplaatst. De spanning tussen de protestanten en de katholieken is te snijden in de Boheemse hoofdstad. Drie radicale protestanten vragen audiëntie aan op de Burcht alwaar zij de twee stadhouders en een secretaris met hun hoofd naar beneden het raam uitgooien. Alle drie blijven ze in leven. Met deze 'defenestratie' begint de Dertigjarige Oorlog.

De auteur vervolgt zijn tocht met het opsommen van even huiveringwekkende als fascinerende legenden. Zoals die van de beeldhouwster Flavia Sentini die werkte aan een Christus van klei. Op een avond ziet ze haar ideale model de brug oversteken en ze nodigt hem uit in haar paleis te Hradcany. Ze laat de jongeling vervolgens dagen en nachten lang hongerig en dorstig hangen, brengt sneden aan in zijn gezicht voordat ze zijn hart met een dolk doorboort. Eindelijk heeft ze wat ze wil, de juiste gelaatsuitdrukking bij een marteldood.

Of de legende van de tong van Nepomuk, die met de neus van Brahe en de figuren van Arcimboldo in de annalen is bijgeschreven. Het lijk van deze biechtvader, die het biechtgeheim van de koningin niet wilde verraden en daarom door de rakkers van koning Wenceslas II in het water was gegooid, werd jaren nadien opgegraven. In de schedel trof men een rode tong 'doordrenkt met vers levenssap'.

Het is deze tong, die het eeuwig zwijgen symboliseert en in strijd is met het gebabbel van de Praagse kroeglopers. Waarom verzint de Pragenaar zo graag legenden, vraagt Ripellino zich af? In een zoeken naar het antwoord op zijn vraag komen we in deze eeuw terecht. Een tijdperk nog te vers voor grote mystificaties. Ripellino beperkt zich tot een uitgebreide, en onverminderd boeiende, bespreking van het leven en werk van de beroepsfantast Jaroslav Hasek, wiens sullige soldaat Svejk de wereld heeft veroverd. Hij besluit met de invloed van de Franse dichter Guillaume Apollinaire op de Poëtisten, de avantgarde van de Tsjechische literatuur in de jaren twintig.

Op basis van zijn zorgvuldig en detaillistische werk komt Ripellino uiteindelijk tot de karige conclusie dat het Praagse verleden is opgebouwd uit anekdotes-in-anekdotes en dat deze schetsen de leefomstandigheden van de Tsjechische kleine man weerspiegelen. Die kleine man zou niet in staat zijn deel te nemen aan de geschiedenis en daarom noodgedwongen troost zoeken in de woordendiarree van zijn eigen kleine geschiedenisjes. Het is “de bittere wrok van een beschaving die aanhoudend werd doorbroken door brute inmenging van aanmatigende buren”.

Het is een magere verklaring van iemand die probeert de Praagse magie te doorgronden, maar eigenlijk de glans en de aantrekkingskracht daarvan wil behouden. Van iemand die verbitterd is omdat een weerzien met zijn geliefde was uitgesloten. Ripellino had zich na de Tweede Wereldoorlog in de Boheemse stad gevestigd. Na de inval van het Rode Leger in 1968 keerde hij nooit meer terug. Verteerd door heimwee schreef hij in Rome zijn essay-roman, zijn serenade.

Het afscheid nemen valt hem zwaar: “Er komt geen einde aan de betovering, aan het leven van Praag. De vervolgers, de lijkenpikkers zullen in een afgrond verzinken. En ik zal er misschien terugkeren. Ik zal er zeker terugkeren.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden