Blik op ongeziene wereld

Bij zijn leven leidde de belangstelling voor zijn werk tot twee kampen: één deel van het publiek bewonderde het mateloos, het andere deel kon gevoelens van afschuw niet onderdrukken. Geen schilder in de laatste kwart van de vorige eeuw schiep zulke uiteenlopende gevoelens als Frans van den Berg (1919-1998), kortweg Johfra genoemd. Drie jaar na zijn dood is een biografie annex oeuvrecatalogus verschenen en het Westfries Museum in Hoorn brengt een overzicht van zijn werk. Een dubbelpresentatie derhalve, met als doel meer dan de herinnering aan Johfra levend te houden, een monument te scheppen voor een schilder die enigszins in de vergetelheid was geraakt.

Cees Straus

De belangstelling voor het werk van Johfra, die voluit Franciscus Johannes Gijsbertus van den Berg heette -terecht een veel te lange naam voor een schilder die het van naamsbekendheid moet hebben- bereikte al in de jaren zeventig een hoogtepunt. Destijds voltooide Johfra een fantasierijke serie schilderijen gewijd aan de twaalf tekens van de dierenriem. Posterkoning Engel Verkerke gebruikte de schilderijen voor een reeks affiches, die voor een gering bedrag te koop waren. Het leidde ertoe dat het werk van Johfra onder 'de gewone man' een brede verspreiding kreeg. Wie geen portret van Che Guevara of Mao Zedong aan de muur wilde hebben, was met Johfra goed uit. Even leek het er op dat Johfra een cultfiguur werd, een alternatief voor Rien Poortvliet of Anton Pieck, die bij een ouder publiek hoog scoorden.

Het waren ook de jaren dat Johfra tot een aantal stijlwijzigingen kwam. Mede onder invloed van de Haarlemse kunstcriticus Hein Steehouwer, die als de geestelijke vader van deze stroming kan worden beschouwd, was Johfra voortaan de voorman van het zogeheten meta-realisme. Tot deze stroming behoorde aanvankelijk een kleine groep schilders (onder wie Victor Linford, Frans Erkelens, Diana Vandenberg) die als de harde kern mocht worden beschouwd. Na de jaren tachtig boette deze stroming snel aan belang in. Maar Johfra bleef, nadat hij het surrealisme van Max Ernst, Salvador Dalí en Jopie Moesman aan een jongere generatie had doorgegeven, het meta-realisme trouw.

Voor zover binnen deze stroming de ongeziene wereld zichtbaar werd gemaakt, ging het Johfra altijd om duidelijk te maken dat de wereld een goddelijke schepping was. Een schepping waarin het de mens vrij stond om er uitputtend van te genieten. Bijna tastbare zinnelijkheid, aangegeven in klassiek naakt, is een essentieel gegeven in Johfra's schilderkunst geweest, totdat zij voor meer spiritualiteit plaatsmaakte.

Johfra was geen schilder die de schilderkunst eigenhandig wilde vernieuwen. Het ging hem er meer om zijn vaste onderwerp, namelijk de uitbeelding van het ongeziene, op een hoger plan te brengen. De techniek die hij daarvoor aanwendde, was eeuwenoud. Door zich op de schildersbijbel van Max Dörner ('Malmaterial und seine Verwendung im Bilde') te beroepen, creëerde hij een continue voortzetting van de opvattingen en ideeën van de schilders vanaf de zeventiende eeuw tot en met heden. Hedendaagse fijnschilders, zeg maar de generaties ná Johfra, doen tegenwoordig niet anders. In de jaren vijftig tot zeventig stond het realisme in een kwaad daglicht, want abstract à la Mondriaan of expressief genoeg à la Cobra was in. Voor Johfra was het realisme de enige techniek om de meta-realiteit te kunnen aantonen, om spiritualiteit te verbeelden die hij in de concrete kunst van die tijd miste.

Om tot die schilderwijze te komen was het noodzakelijk dat Johfra de voorliggende stromingen als magisch- en fantastisch surrealisme goed moest kennen. In de jaren vijftig oriënteerde hij zich inhoudelijk niet alleen op grote voorbeelden als Dalí en Ernst, maar ook op -verrassend genoeg- de Italiaanse modern-klassieker De Chirico. Bij hem moet Johfra aanwijzingen voor het bestaan voor het paradijs hebben gevonden. De Chirico's invloed was nog duidelijk aanwezig in 1962 ('Het offer aan zee', een sleutelstuk in Johfra's ontwikkeling) maar nam af ten gunste van andere schilders die zich meer op het arcadische landschap richtten, zoals Claude Lorrain. Diens mythologische voorstellingen zijn aanwijsbaar in Johfra's landschappen terug te vinden.

In de jaren zeventig ontwikkelde Johfra binnen zijn landschap ook de sindsdien zo typerende druipsteengrotten, kruisingen tussen sprookjespaleizen en vroeg-zeventiende-eeuwse bosschages die als eindeloos voortwoekerende amorfe vormen het paradijs bij tijd en wijle onleefbaar maken. Daar tussendoor wandelt altijd een menselijk wezen, waarschijnlijk van menselijke afkomst, op weg naar een eindbestemming, belaagd door verschrikkingen, maar nooit van levenslust gespeend. Met die ongeziene wereld heeft Johfra een unieke plek in de kunstgeschiedenis veroverd. Dat hij af en toe in pathetische zin ontspoorde, moet hem worden vergeven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden