Interview

Bilderdijk verloor tien kinderen, maar ging pas kapot toen zijn zoon Julius overleed

'Huilende Rachel', een schilderij van Charles Wilson uit 1776, staat op de omslag van het boek. Beeld *

Romans en gedichten over dode kinderen roepen tegelijk afschuw en fascinatie op. Een overzichtsbundel illustreert nu de rijkdom van dit genre.

Literatuur over dode kinderen, veel dramatischer kun je het niet krijgen. Leidse letterkundigen publiceren nu de eerste overzichtsbundel over dit thema in de Nederlandse literatuur. In de loop der eeuwen veranderde de vorm, maar het verdriet bleef hetzelfde, vertelt samensteller Rick Honings, universitair docent moderne letterkunde aan de Universiteit Leiden.

Dode kinderen, vond u dat geen luguber onderwerp?

Het is vrij luguber, ja. Vooral als je bedenkt dat ik ruim twee jaar geleden, toen we met dit thema aan de slag gingen, zelf net vader was geworden van mijn eerste kind. Iedere ouder kan zich voorstellen wat het moet zijn om een kind te verliezen. Dat is zo'n beetje het ergst denkbare. Maar het levert wel aangrijpende literatuur op. Het heeft iets van 'het sublieme': afschuwelijk en fascinerend tegelijk.

Waarom wilde u er een overzichtswerk over maken?

In Engeland was in 2000 een soortgelijke bundel verschenen voor de Angelsaksische literatuur: 'Representations of Childhood Death'. Voor de Nederlandse letterkunde bestond zoiets nog niet, terwijl er de afgelopen jaren veel romans zijn geschreven over de dood van kinderen. Denk aan 'Tonio' van A. F. Th. van der Heijden, 'Schaduwkind' van P. F. Thomése en 'Contrapunt' van Anna Enquist. Het onderwerp had dus een zekere urgentie.

Sinds wanneer duiken er dode kinderen in de literatuur op?

In Nederland begint het in de Middeleeuwen. Dan wordt er vooral geschreven over Maria en haar dode zoon. Ook zie je heiligenlevens en mirakelteksten waarin dode kinderen tot leven worden gewekt. Die verhalen zijn nog vrij onpersoonlijk; er wordt niet uitvoerig stilgestaan bij de rouw van de ouders. Dat begint pas in de Renaissance, zoals in het beroemde gedicht 'Kinder-lijck', dat Vondel in 1632 over zijn zoontje Constantijn schreef. In het gedicht zegt Constantijntje troostend: 'Ik heb het nu goed in de hemel.' Vondel wilde met dit gedicht ook een theologisch statement maken tegen de predestinatieleer, die stelde dat dode kinderen mogelijk niet in de hemel zouden komen.

Hieronder draagt Olga van Marion het gedicht 'Kinder-lijck' van Vondel voor. Daaronder staat de tekst van het gedicht, met uitleg van een paar woorden. Het artikel gaat daaronder verder.

Door de eeuwen heen worden de teksten steeds persoonlijker?

Zeker vanaf de negentiende eeuw. In de Romantiek verschuift de nadruk van het kind naar de ouders. Dan krijg je heel emotionele poëzie, waarin de nabestaanden van de daken schreeuwen dat ze zich geen raad meer weten omdat het verdriet zo overstelpend is. Bij dichters slaat dan ook de twijfel toe of God nog wel troost biedt.

In de twintigste eeuw verdwijnt God helemaal uit beeld. Schrijvers kunnen dan niet meer berusten in de dood van hun kind. Ze gebruiken de roman dan om een taalmonument op te richten waarmee ze de dood willen bezweren. Door middel van de literatuur proberen ze het kind levend te houden.

Is dodekindliteratuur altijd autobiografisch?

Meestal wel, maar auteurs maken er een op zichzelf staand kunstwerk van. Vondel slaakte niet zomaar een kreet, hij schreef een zeer gestileerd gedicht. A. F. Th. van der Heijden verwerkte in zijn requiemroman een spannende verhaallijn met thrillerelementen. Maar het verst ging Boudewijn Büch. Die wekte met 'De kleine blonde dood' bij iedereen de indruk dat dit boek over zijn eigen kind ging. Hij liet z'n vrienden zelfs meebetalen aan de crematie. Pas na Büchs dood bleek dat hij alles had verzonnen. Fictie over zo'n zwaar onderwerp, dat is curieus en uniek.

Wat vindt u de aangrijpendste tekst in dit genre?

Dan denk ik aan de romantische dichter Willem Bilderdijk. Die verloor niet één, maar meer dan tien kinderen, de vele miskramen nog niet meegerekend. Het verdriet moet ongelofelijk zijn geweest. Eén zoon heette Julius, net als mijn eigen zoon. Die ging op een schip naar Indië en overleed op zijn twintigste in de Oost. Bilderdijk was er kapot van. Het verdriet was volstrekt onvergelijkbaar met wat hij eerder had meegemaakt bij al die dode peuters en kleuters. Bilderdijk en zijn vrouw schreven er zeer aangrijpende gedichten over, waarmee je heel dicht bij hun rouw komt. Er gingen destijds veel vaker kinderen dood dan nu, maar het verdriet was er niet minder om.

Waarom storten zoveel schrijvers zich op hun dode kind?

Ze schrijven het verdriet van zich af. Dat werkt therapeutisch. Maar het zijn toch vaak de grotere auteurs die zich aan dit onderwerp wagen. Blijkbaar vereist het een groot talent om het onzegbare te verwoorden.

'Van Constantijntje tot Tonio. Het dode kind in de Nederlandse literatuur.' Redactie: Rick Honings, Olga van Marion en Tim Vergeer. Uitgeverij Verloren, 269 blz., € 29.

Lees ook: 'Requiemromans krijgen altijd lof om de verkeerde reden'

P.F. Thomése schreef in 'Schaduwkind' (2003) over het verlies van zijn dochtertje. Hij vindt dat er met name in Nederland iets geks aan de hand is zodra er over dit genre wordt gesproken of geschreven door literaire critici. "Je hoeft er niet zo 4 mei-achtig over te doen."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden