Review

Bilderdijk per kubieke meter

Wie binnentreedt in het huis van de Nijmeegse emeritus hoogleraar en letterkundige Piet J. Buijnsters, waant zich in een wonderkamer. De schijnbaar oneindige rijen ruggen van zeventiende-, achttiende- en negentiende eeuwse boeken, de tastbare aanwezigheid van de dames Wolff en Deken in eerste druk, Johannes Kinker in glimmend zwart driedeel en de immense verzameling banden van d’oude zwartkijker Bilderdijk, slaan een ogenblik met stomheid. Voor de bezitter van die duizenden boeken geldt dat in het geheel niet: ’Bilderdijk? Die kocht ik voor honderd gulden per kubieke meter.’

’Ach, meneer, gaat u rustig zitten," zegt Buijnsters vriendelijk. „U kunt zich geen voorstelling maken van hoe het was vlak voor en na de oorlog in het Nederlandse antiquariaat. Allemaal boeken die men nu voor waardevol verslijt, kon ik destijds voor een habbekrats mee naar huis nemen. Die Bilderdijkjes trof ik aan op de zolder van het oude veilinghuis Beijers in Utrecht. Die kocht ik ongezien per kubieke meter. Bij thuiskomst bleek dan dat ín die deeltjes ook nog handschriften en originele tekeningen zaten ingebonden van Bilderdijk zelf.”

Over die verloren, mysterieuze wereld van de handel in het oude boek publiceert Piet J. Buijnsters vandaag zijn kloeke ’Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat’. Is dat boek meteen de afsluiting van een tijdperk? „Ja, in zekere zin. Vroeger zaten in de Van Welderenstraat in Nijmegen wel acht antiquariaten, nu is er nog maar één. Dat is in alle oude binnensteden zo. Door de opkomst van internet en de torenhoge prijzen van de panden in stadscentra verdwijnen de winkeltjes old & rare. En die komen nooit meer terug.”

Al vanaf zijn studententijd was Buijnsters bezeten van de zoektocht naar boeken. „Toen wij net in Nijmegen woonden, ging ik samen met mijn vrouw op de fiets naar Arnhem. Dáár zaten pas antiquariaten! Met een reep chocolade en tien gulden – door de fiets hadden we de prijs van het treinkaartje uitgespaard – gingen we de zaken langs. Bij Gijsbers & Van Loon, een enorm pand vol met boeken. En naar Bob Israël. Bij hem waadde je tot je knieën door de eerste drukken. Alles ongesorteerd. Het enige wat je hoefde te doen was zo’n boek oppakken en kopen. Bob Israël was overigens een wildeman. Ik maakte eens de ernstige fout om te zeggen dat ik een boek wel érg duur vond. Toen scheurde hij het voor mijn ogen kapot. We zijn ook wel eens even over de prijs van een boek gaan nadenken. Na terugkomst was het boek niet goedkoper geworden, maar twee keer zo duur.”

Buijnsters is dat altijd blijven doen: ter voorbereiding van een boek dat hij zélf moest schrijven, verzamelde hij stapels oude boeken op een tocht langs ’s lands antiquariaten. Dat leidde onder andere tot de biografie van Betje Wolff en Aagje Deken, de Bibliografie van Nederlandse school- en kinderboeken 1700-1800 en het standaardwerk ’Het verzamelen van boeken’. „Al die speurtochten hebben geleid tot deze werkbibliotheek,” zegt Buijnsters. „Ik heb thuis ook jarenlang doctoraalcollege gegeven, want er staan hier meer achttiende-eeuwse boeken dan in de universiteitsbibliotheek. Vaak kwamen studenten aan de deur, die mij een boek lieten zien en vroegen: ’Is het wat? Heb ik een goede koop gedaan?’ Dan had ik het hart niet om te zeggen dat het exemplaar volstrekt waardeloos was.”

Buijnsters denkt dat hij in het antiquariaat meer heeft geleerd dan op de universiteit. „Je moet de boeken zelf zien en vasthouden, niet alleen erover lezen. Je vindt dan ook wat je niet hebt gezocht. Het zal u misschien verbazen, maar dat is geen algemene gedachtengang.” Hij staat op, bespeelt een rijtje ruggen als een pianist zijn vleugel, trekt een boek uit de kast en laat het titelblad zien: ’De groote bende van Jan de Ligte. Aalst, 1888.’

„Die titel kent u natuurlijk. Maar dit boek kent u niet. Dit is de anonieme bron waarop Louis Paul Boon zijn beroemde boek baseerde. Hyperzeldzaam, vind je nooit. Toen ik dit had verworven, vroeg ik aan een collega, die zich met niets anders dan Louis Paul Boon bezighield, of hij het wellicht eens wilde zien. En, wat dacht u? Nee hoor! Hij trok een vies gezicht. Oude boeken, bah! Die wilde zich louter bezighouden met sociologische prietpraat over Boontje. Ik schreef daar destijds een column over, ’De neerlandicus als boekenhater’ – en kreeg de grootste problemen. Maar dat is een ander verhaal.”

Aan de letters ’M.B.’ op het schutblad van het boek kan Buijnsters precies zien uit welke collectie het boek afkomstig is. „In Arnhem bezocht ik als student de winkel van H.F. Geerts, een knorrige Groninger. In die zaak dook ook vaak een groezelig mannetje op, dat zich op een dag aan mij voorstelde en zei: ik heb ook een boek geschreven. Kijk maar in de etalage. Daar las ik: ’M. Buisman, Populaire prozaschrijvers uit de zeventiende en achttiende eeuw’. Buisman vertelde me dat hij thuis nog veel meer had. Na een tijdje mocht ik daar komen kijken, liet hij me van alles zien wat ik nog nooit onder ogen had gehad. Uiteindelijk, toen hij al oud was, vertelde hij me dat ik na zijn dood de hele collectie zou kunnen overnemen. Het opmerkelijke was dat men in kringen van neerlandici niet eens wist dat hij nog leefde. In artikelen sprak men van ’wijlen Buisman’, terwijl ik elke maand bij hem op de thee ging.”

Het is typerend voor de wereld van verzamelaars en antiquaren: die is zeer gesloten. Verzamelaars laten je maar zelden binnen, verkeren graag in de anonimiteit, en bij de antiquaren van de oude stempel duurt het een tijdje voordat je daar als klant werkelijk iets te zien krijgt. Echt mooie boeken bevinden zich onder de toonbank of in een geheim gifkastje. „Ook ik moest ingewijd worden,” bevestigt Buijnsters. „Maar toen ik dat eenmaal was, viel ik van de ene verbazing in de andere.”

Die verwondering over en de liefde voor het vak – ’in feite ben ik natuurlijk zelf een antiquaar manqué’ – spreekt uit de vele portretten van antiquaren die Buijnsters’ Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat vullen. „Liefde en passie tekenen alle grote antiquaren van de afgelopen eeuwen, die in mijn boek de revue passeren. Frederik Müller, Menno Hertzberger, Nico Israel – ze hadden allemaal een verbluffende kennis, een grote hartstocht voor het vak en wisten op vernuftige wijze handel te drijven.”

Maar ze delen nog een karaktereigenschap. „Het zijn allemaal grote individualisten. Antiquaren kunnen zich maar lastig voegen in een systeem. Nico Israel had als lijfspreuk: „Niemands meester, niemands knecht.” Uit het laatste deel van de uitspraak spreekt de zucht naar vrijheid, het eerste deel kan verklaren waarom veel zaken ophouden te bestaan als de antiquaar er zelf mee stopt. Vaak zijn zij niet in staat om iemand op te leiden, en valt de zaak samen met de persoon.”

Soms was het voor Buijnsters lastig om saillante, onthullende details over de antiquaren te publiceren. „Ik had geen zin om als groot-inquisiteur op te treden.” Toch worden antiquaren niet zelden, net als antiquairs, geassocieerd met de Firma List & Bedrog. „Ach, zó erg is het nu ook weer niet,” haast Buijnsters zich te zeggen. „Met boeken wordt toch minder uitgevreten dan met schilderijen. Maar ik geef toe: overal worden boevenstreken uitgehaald.”

Sporen daarvan zijn in de Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat wel te vinden. Zo maakt Buijnsters gewag van ’de ring’ van handelaren, die onder één hoedje spelen op veilingen – en zo de particuliere koper geen kans laten. „In Engeland is de ring veel sterker, vergeleken daarbij spelen de Nederlandse handelaren een kinderspelletje.” Sommige antiquaren prijzen hun boeken misdadig hoog. „Ik weet van een boek dat op een veiling 70.000 gulden opbracht en dat een grote publieke bibliotheek kort daarna voor vier of vijf maal zoveel geld heeft aangeschaft. Ja, had een bibliotheekmedewerker gezegd, op de dag van de eerste veiling was er een bedrijfsuitje geweest, dus had men niet kunnen komen. Zo spoelt men ons belastinggeld door het putje.”

De prijzen van oude boeken zijn voor iedereen veel inzichtelijker geworden met de komst van internet. „Dat heeft een Umwertung aller Werte teweeggebracht. Je ziet dat antiquariaten die eerst een grote rol vervulden, nu zijn verdwenen. Omgekeerd is er een aantal antiquariaten, dat snel en goed op het internet is gegaan, en nu goede zaken doet. De prijzen zijn ook veranderd. Het modale boek is gezakt, maar voor het zeldzame boek is the sky the limit. En weet u: zeldzame boeken zijn vaak helemaal niet zeldzaam. Het is veel moeilijker om het spoorboekje van 1993 te vinden, dan een atlas van Blaeu. Als je maar betalen wilt.”

Internet betekent voor het antiquariaat volgens Buijnsters een omslag die alleen te vergelijken valt met de revolutie door Gutenbergs uitvinding van de boekdrukkunst. „Het is een bedreiging en een uitdaging tegelijk. De kleine antiquariaten verdwijnen. Echte vondsten kan je bijna niet meer doen. Dat is zonde. Maar veel boeken worden juist bereikbaar. Pessimistisch ben ik dus allerminst. Het boek en de handel houden nooit op te bestaan, meneer, let u op mijn woorden.”

Buijnsters grinnikt. „Het enige wat mij en mijn vrouw nog wel eens angst inboezemt, is dat het huis hier instort onder het gewicht van al het oud papier. Maar zelf dat heeft wel iets moois. Geen mooiere dood dan de boekendood.”

Piet J. Buijnsters, Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat. Uitgeverij Vantilt, geb. 475 blz. Intekenprijs tot 15 maart 2007: euro 39,90, daarna euro 45,00.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden