75 jaar bevrijding

Bij Vestdijk is een verzetsheld een ‘verzetsheld’

Simon VestdijkBeeld ANP

Tot Bevrijdingsdag bespreekt Letter&Geest wekelijks een oorlogsklassieker. In februari: het verzet. Vandaag: ‘Pastorale 1943’.

Toen eind jaren vijftig, begin jaren zestig van de vorige eeuw het bestaan van de oorlog voor het eerst tot mij doordrong, was hij nog volop aan­we­zig in de hoofden van de mensen om mij heen. De oorlog, dat was natuurlijk de Twee­de Wereldoorlog, de enige die telde, en mijn zesjarig brein registreerde de onverzoenlijkheid die ermee gepaard ging. Duitsers waren nog moffen en irriteerden opnieuw met hun Wirtschaftswunder, in de wc van mijn grootouders hing nog het geuzenlied ‘Ons land is als dit kabinet’, mijn grootvader speurde in de krant naar mensen die fout waren geweest, en als ik honger had moest ik zeggen dat ik trek had want honger was gereserveerd voor oorlogskinderen.

Zo bezien moet het vlak na de oorlog voor Simon Vestdijk een riskante onderneming zijn geweest om zijn roman ‘Pastorale 1943’ te schrijven, met z’n relativerende kijk op de dan nog heilige illegaliteit. De titel alleen al, hoe kon er in de oorlog sprake zijn geweest van idylle? Nee toch! Vestdijk schreef zijn roman in de zomer van 1945, heet van de naald dus, nadat hij zich bij vrienden en kenners, onder wie ook een paar ex-NSB’ers, breed had georiënteerd over zijn onderwerp, het verzet; voor een ander element in het boek, gevangenschap in het Oranjehotel, kon hij op eigen ervaringen teruggrijpen. Vanaf 1946 begon de roman als feuilleton te verschijnen en in 1948 volgde het boek. Nederland was toen nog geheel in de ban van de oorlog en het bijbehorende goed-foutsentiment, en daar kwam deze grote literaire schrijver als eerste met een verzetsroman, maar dan eentje die dat verzet ook direct in een dubieus, soms zelfs belachelijk daglicht stelde. 

Hij kreeg er wel een literaire prijs voor maar een groot succes zou ‘Pastorale 1943’ niet worden, zo te zien wilden lezers er niet aan. Pas heel laat, zeker voor Vestdijks doen, in 1966, volgde een herdruk. Of ze het boek als ironie lazen, een oordeel van veel later, weet ik niet, eerder vonden ze het beeld van knullige verzetsdaden misschien ongepast. De criticus Ben Stroman las het in het jaar van verschijnen met weerzin en schreef “Het verzet wordt ons getoond als het werk van onbeduidende mannetjes, die in de donkere dagen de gelegenheid grijpen zichzelf te doen gelden. Het is eerder een ontluistering van de illegaliteit, dan een lofzang.” Max Nord, op de hand van Vestdijk, vond dat het verzet ‘nergens met zoveel nuancering’ beschreven was. En nuancering, dat was ook nieuw en ongehoord.

Het verhaal lijkt een klucht, een NSB’er wordt om de verkeerde reden op klunzige wij­ze geëxecuteerd, hoofd­per- soon Schults denkt dat hij vanwege verzetswerk in de bak zit maar het is vanwege een afgewezen aanbidster, onderduiker Jan verraadt zonder veel motief zijn hele onderduikersgroep inclusief Cohen die vlak voor hij opgepakt wordt nog een bizar feestje in Amsterdam meemaakt.

Kraamkamer van de grijs-discussie

Alles in deze roman is dubbelzinnig, Miep Algera lijkt fout maar blijkt goed, Mies Evertse lijkt goed maar is fout, Schults is half-Duits, onderduiker Jan besluit toch maar uit rancune bij de Arbeitseinsatz te gaan en van verzets‘held’ Eskens vraagt de schrijver zich af “of het mannetje, in Duitsland geboren, of in Nederland onder andere omstandigheden, niet een uiterst bruikbare partijman geworden zou zijn, agressief en ijdel en onverdraagzaam als hij was.” Kortom, Vestdijk stond in ‘Pastorale 43’ zo te zien helemaal niet per se aan de kant van het verzet, maar hij zweefde ergens boven goed en fout Nederland, als een alziende en alwetende inspecteur, een positie die pas veel later in Nederland salonfähig zou worden. Zijn roman is daarmee in zekere zin de, zeer vroege, kraamkamer van de grijs-discussie, het is het eerste literaire werk dat de ethische stellingnames rond de Tweede Wereldoorlog in twijfel zou trekken, en het werd gevolgd door talloze andere boeken die dat doen, van W.F. Hermans’ ‘De tranen der acacia’s’ en ‘De donkere kamer van Damokles’ tot aan ‘De aanslag’ van Harry Mulisch.

De broer van hoofdpersoon Schults, SS’er August Schultz, heeft het aan het eind over ‘de poppenkast van de illegaliteit’, en dat is wat ons in ‘Pastorale 1943’ getoond wordt, of zoals Hugo Brandt Corstius jaren na dato (2005) in deze (voormalige verzets-)krant over het realiteitsgehalte van ‘Pastorale 43’ zou schrijven: “Wij zijn geen helden en geen lafbekken, wel gefrustreerden en klungelaars, zoals overal en altijd.”

Simon Vestdijk
Pastorale 1943
De Bezige Bij

Lees ook: 

‘Quarantaine’ van G.L. Durlacher: Nooit meer buitenstaander

Tot Bevrijdingsdag bespreekt L&G iedere week een klassiek oorlogsboek. Allereerst ‘Quarantaine’ van G.L. Durlacher uit 1993.

‘Het bittere kruid’ leest als een dystopie

Tot Bevrijdingsdag bespreekt Letter & Geest wekelijks een oorlogsklassieker. In januari: de Jodenvervolging in Nederland. Vandaag: ‘Het bittere kruid’.

‘Het Achterhuis’ is veel meer dan een oorlogsooggetuigenverslag

Tot Bevrijdingsdag bespreekt Letter & Geest wekelijks een oorlogsklassieker. In januari: de Jodenvervolging in Nederland. Vandaag: ‘Het Achterhuis’.

Etty Hillesum creëerde een schuilplaats van woorden

Tot Bevrijdingsdag bespreekt Letter&Geest wekelijks een oorlogsklassieker. In januari: Jodenvervolging in Nederland. Vandaag: ‘Het verstoorde leven’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden