Bij Marga Minco komt altijd toch de oorlog weer boven

Marga Minco in 2005 in haar werkkamer te Amsterdam-Oost. Beeld Mark Kohn

Schrappen, herschrijven, nog eens opnieuw beginnen. Met grote precisie schreef Marga Minco een klein maar fijn oeuvre bij elkaar, dinsdag bekroond met de P.C. Hooftprijs voor proza 2019. “Per verhaal flikker ik soms een volle Albert Heijn-tas met eerdere versies weg.”

 Marga Minco (98) geeft al jaren geen interviews meer. Haar gehoor is te veel achteruitgegaan. Ze leeft een teruggetrokken bestaan in Amsterdam. Maar uit de vele vraaggesprekken van vóór 2010 rijst een helder beeld op: een perfectionistische, gedreven schrijfster die over elk woord nadenkt en altijd heeft gezocht naar vernieuwing.

Haar grote doorbraak was ‘Het bittere kruid’ (1957), de debuutnovelle die haar oeuvre zou domineren. In 22 korte hoofdstukken tekende ze herinneringen op aan de oorlogsjaren, waarin ze moest onderduiken. Vrijwel al haar familieleden werden gedeporteerd. Alleen zijzelf en één oom overleefden. Haar belangrijkste drijfveer bij het schrijven, zei ze in 1980 tegen schrijver Jan Brokken, was dat ze haar familieleden ‘verder wilde laten leven’.

Het boek verscheen in een tijd waarin Nederlanders collectief over de oorlog zwegen. Geen mens wil dit boek lezen, vreesde Minco dan ook. Het verhaal leek haar hooguit interessant voor een paar mensen om haar heen. Ook de uitgever twijfelde. Hij zag de kwaliteit, maar liet het werk een jaar in de la liggen, uit angst dat het verkeerd zou vallen. Uiteindelijk kwam het op de markt, maar aangekleed met tekeningen, anders zou het ‘niet verkoopbaar’ zijn, zei Minco in 2003 tegen journalist Ischa Meijer.

Ondanks het voorgevoel oogstte ‘Het bittere kruid’ direct lovende kritieken, vooral vanwege de sobere schrijfstijl. Ben Stroman, criticus van het Algemeen Handelsblad, noteerde in het jaar van publicatie: “Geen spoor van pathos, geen zweem van sentimentaliteit, geen poging tot literatuur, geen ogenblik van wrok”. Wat hem vooral trof, was ‘de sfeer van argeloosheid, onwetendheid en goed vertrouwen’. De familieleden in de novelle gaan er lang vanuit dat het allemaal wel zal loslopen. ‘Zie je wel, ze doen ons niks’, zegt de vader tegen zijn dochter als in 1940 de eerste Duitse soldaten langswandelen. De lezer weet wel beter en ervaart de ‘dramatische ironie’ van de opmerking.

Sara

Minco had een relatief zorgeloze kindertijd. Ze werd in 1920 in het Brabantse Ginneken geboren als Sara Menco; de ‘e’ was een schrijffout van een ambtenaar. Het meisje groeide op in Breda, in een joods gezin met boven haar de vijf jaar oudere broer Dave en de één jaar oudere zus Bettie. Haar vrome vader wilde zijn kinderen een orthodoxe opvoeding geven, maar haar moeder probeerde hem daarin te matigen.

Als kind hield Minco al van schrijven. Ze schreef verhaaltjes, hield dagboeken bij en maakte verslagen van vakantiereizen. Op haar zeventiende publiceerde ze haar eerste verhaal in het Algemeen Handelsblad. Na de middelbare school ging ze in de journalistiek. Van 1938 tot 1940 werkte ze als verslaggeefster bij De Bredasche Courant. Eén dag na de capitulatie was zij de eerste joodse journalist in Nederland die vanwege haar afkomst werd ontslagen. Haar werkgever durfde haar niet in dienst te houden en liep vooruit op maatregelen van de bezetter.

Tijdens een razzia in Amsterdam, waar haar ouders gedwongen heen waren verhuisd, ontsnapte Minco op aandringen van haar vader via het tuinpoortje, zoals in ‘Het Bittere Kruid’ beschreven. Ze zou haar ouders nooit terugzien.

Na de oorlog, die ze op verschillende onderduikadressen doorbracht onder de schuilnaam Marga Faes, trouwde ze met dichter en vertaler Bert Voeten (1918-1992). Ze werkte voor diverse kranten en tijdschriften. Voor het maandblad Mandril schreef ze tussen 1950 en 1954 korte verhalen vol zwarte humor.

In die tijd werkte ze ook al aan ‘Het bittere kruid’, dat over een periode van maar liefst vijftien jaar tot stand kwam. Eén hoofdstuk – het veertiende uit het boek – schreef Minco zelfs al tijdens de oorlog. Het ging verloren, maar de schrijfster wist het vele jaren later vrijwel woordelijk uit haar geheugen te reproduceren.

Verhalenbundels

Na ‘Het bittere kruid’ publiceerde Minco nog zo’n vijftien dunne boeken, veelal verhalenbundels, gedomineerd door het thema oorlog en de eruit voortvloeiende eenzaamheid. De geringe omvang van haar oeuvre verklaarde ze in 2005 in Trouw uit het feit dat ze niet van ‘dikke pillen’ hield, en ook niet van – vaak overbodige – bijvoeglijke naamwoorden, gepsychologiseer of lange beschrijvingen. Ze schrapte meer dan ze schreef. “Per verhaal flikker ik soms een volle Albert Heijn-tas met eerdere versies weg”, bekende ze aan de Volkskrant. Ze noemde haar kernachtige stijl zelf ‘taaleconomie’ of ‘taalhygiëne’.

Als bijkomende verklaring voor haar geringe productie voerde ze aan dat ze nooit een snelle schrijfster is geweest, maar iemand die eindeloos bleef zoeken naar de juiste vorm. “Ik ben min of meer een perfectionist.” Die zelfkritische houding vormde haar hele carrière een last: Minco vond dat ze zich na het succes van ‘Het bittere kruid’ geen slecht boek kon permitteren.

Na haar debuut wilde Minco over iets anders schrijven, want de oorlog kwam ‘haar strot uit’. Het openingsverhaal uit de verhalenbundel ‘De andere kant’ (1959) heet niet voor niets ‘Iets anders’. Het gaat over een eenzame vrouw die in een opwelling een winkeldiefstal pleegt. Net als andere hoofdfiguren is deze vrouw een typisch Minco-personage: onthecht en vervreemd van haar omgeving.

Maar steeds keerde de schrijfster toch naar de oorlog terug; die zou haar inspiratiebron en tegelijkertijd ‘een donker gat’ blijven. Ze deed echt haar best om elders onderwerpen te vinden, maar het verleden was te krachtig. “Wanneer ik dan daadwerkelijk aan de slag ga, komt die oorlog toch weer boven. Altijd.”

Rijker oeuvre

De jury die haar gisteren de P.C. Hooft-prijs voor verhalend proza 2019 toekende, wijst erop dat Minco’s oeuvre – haar laatste verhalenbundel met vooral ouder werk verscheen in 2015 – rijker is dan alleen haar debuutnovelle. In veel van haar werk ruimt de schrijfster bijvoorbeeld een opvallend grote plaats in voor de fantasie. Neem het verhaal ‘Meneer Frits’ (1954), over een man die in zijn tuin een gat wil graven naar de andere kant van de wereld. Het is een absurde vertelling vol Kafkaëske elementen.

Minco’s oeuvre mag dan bescheiden zijn van ‘toon en omvang’, het getuigt volgens de jury ook van ‘wijsheid en vitaliteit’ en ‘wint met iedere generatie aan zeggingskracht’. Eerder al werd haar werk bekroond met de Annie Romeinprijs (1966) en de Constantijn Huygensprijs (2005).

Lees ook:

P.C. Hooftprijs voor Marga Minco (98): ‘Een daad van historische rechtvaardigheid’

Marga Minco krijgt de P.C. Hooft­prijs voor verhalend proza. De schrijfster van ‘Het bittere kruid’ is inmiddels 98 jaar oud, maar: ‘Beter laat dan nooit’.

Grunberg ontmaskert onze naïviteit, maar wint hij ook de P.C. Hooft-prijs?

Op de sociale media is geopperd dat Marga Minco nodig eens de P. C. Hooftprijs moet winnen. Tot dusver heeft de jury haar steeds overgeslagen, en ze is al 98. Het lijkt dus nu of nooit, zeker omdat de prozaprijs maar eens per drie jaar valt. Maar drie literatoren die Trouw benaderde, noemden haar niet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden