Reportage Schilderkunst

Bij gebrek aan opdrachtgevers maken kunstenaars maar portretten van hun familie

Marten en Oopjen, de twee Rembrandt-portretten die begin dit jaar voor 160 miljoen euro zijn gekocht door Nederland en Frankrijk, in het Rijksmuseum. Beeld ANP

Kunstenaars krijgen nog maar weinig betaalde opdrachten voor een portret. De meesten portretteren daarom hun vader, man, kinderen of zichzelf, blijkt uit de inzendingen voor de Nederlandse Portretprijs. Waarom heeft de portretkunst zo’n geringe status in Nederland?

Bij de uitvinding van de fotografie waren portretschilders al bang dat de nieuwe techniek de schilderkunst overbodig zou maken. Een foto was sneller en goedkoper te maken dan een schilderij en bovendien veel nauwkeuriger. Nu zijn we 180 jaar verder; heeft de portretkunst nog bestaansrecht?

Oude portretten krijgen ook nu nog aandacht genoeg: we vergapen ons graag aan Rembrandts schilderijen, de politiek heeft er veel geld voor over. Ook zijn er genoeg kunstenaars, amateurs én professionals, die graag een portret maken.

Dit jaar ontving de Nederlandse Portretprijs meer dan 1250 inzendingen. De kunstenaars verbeelden zichzelf, familieleden en willekeurige vreemden. Ook stuurden ze portretten in van het koninklijk paar, van Annechien Steenhuizen die het programma ‘Project Rembrandt’ op tv presenteerde en van Johan Cruijff.

Maar heel anders dan in de tijd van Rembrandt en Frans Hals zijn de portretten bijna nooit in opdracht gemaakt. Ook kunsthistoricus en juryvoorzitter Rudi Ekkart constateert dat het vooral om ‘vrije werken’ gaat. Dat kan, zo schrijft hij in de catalogus, deels komen doordat de kunstopleidingen weinig aandacht hebben voor het genre. Kunstenaars worden er dus niet goed in opgeleid. Mogelijk schrikt de geringe kwaliteit van de portretten potentiële opdrachtgevers af.

Toch zijn er ook vele goede inzendingen voor de portretprijs. Er moeten ook andere verklaringen zijn voor de geringe belangstelling voor het portret-in-opdracht. Het genre heeft een ima­goprobleem, in Nederland welteverstaan. In Groot-Brittannië bestaat al sinds 1980 een jaarlijkse nationale portretprijs en is er al sinds 1859 een portrettenmuseum, de National Portrait Gallery in Londen. In Duitsland is er op de eerste verdieping van de Bundestag een Kanzlergalerie, met portretten van alle voormalige bondskanseliers. En de Verenigde Staten hebben sinds 1968 in Washington een National Portrait Gallery, waar nu de veelbesproken portretten van president Barack Obama en zijn vrouw Michelle te zien zijn.

Bij Nederlandse wetenschappers bestaat er nog wél een portrettraditie, denk aan de portrettengalerijen van hoogleraren. Maar wat weerhoudt andere opdrachtgevers, politici in het bijzonder? Heeft het geringe animo een anti-katholieke oorsprong, een protestantse afkeer van het aanbidden van afbeeldingen van personen? Maar aan foto’s, ook in opdracht gemaakt, is geen gebrek, en dankzij de smartphone en sociale media worden die afbeeldingen enthousiast gedeeld. Er lopen in Nederland ook vele goede fotografen rond. Heeft de charme van de fotografie het nu toch gewonnen van verf, klei en brons?

De organisatie van de Nederlandse Portretprijs zegt te dromen van een Nederlandse portrettengalerij. Hoogstwaarschijnlijk een waarin foto’s, net als bij de wedstrijd, voor één keer niet welkom zijn.

Uit de inzendingen maakte de jury een selectie van vijftig werken, die nog tot 17 november te zien zijn in Slot Zeist. Zondag 3 november worden de winnaars bekendgemaakt.

Beeld -

Net als vroeger, dicht bij het schoonheidsideaal

Herman Tjepkema
schilderij ‘Marlene’,
van Marlene van der Velden

Het is een imponerend schilderij van een iel, bijna transparant meisje. ‘Marlene’ heet het werk van Herman Tjepkema. Met haar grote groenblauwe ogen, rossig haar en lichte flap­oren zou ze in werkelijkheid een bijzondere verschijning zijn. Maar anders dan de meeste portretten in de selectie van de Portretprijs is dit geen natuurgetrouw portret.

Tjepkema begínt wel met een bestaand persoon. ‘Bleke meisjes’ noemt hij de tieners die hij zoekt, ‘Marlene’ is deel van een serie die steeds langer wordt. Tjepkema zoekt, geïnspireerd door de portretten uit de Renaissance, naar jonge vrouwen met hoge opgeschoren voorhoofden en een mysterieuze blik, en met een bleke, haast transparante huid. “Daarop zie je reflecties en kleuren zo mooi terugkomen, het lijkt wel parelmoer.” Marlene van der Velden was in 2016 aan het werk in de Oude Kerk in Delft toen Tjepkema haar aansprak en vertelde dat hij haar wilde schilderen. Hij gaf haar zijn kaartje, en Van der Velden vond het wel interessant. “Waarom ook niet?”, dacht ze.

Tjepkema bezocht haar in haar studentenkamer in Leiden. Daar maakte hij een grote hoeveelheid foto’s. “En dan ga ik daarmee rommelen”, vertelt hij. “Fotografie is zo’n fantastisch medium, er zijn uiterst professionele fotografen die portretten kunnen maken waar geen schilderij tegenop kan. Het is een hardnekkig misverstand dat je met een schilderij meer persoonlijkheid kunt tonen dan met een foto. Maar mij gaat het niet om het individuele gezicht. Ik wil een ideaalbeeld tonen, net als vroeger, toen mensen ook een portret lieten maken dat dichter bij het schoonheidsideaal kwam te staan.”

Op de blote bovenarm heeft de geschilderde Marlene een tatoeage zitten. Het blijkt ‘portret met binnenruimte’ te zijn, een veelgebruikt symbool van de in 2015 overleden kunstenaar Erik Pott. Tjepkema is een bewonderaar van diens werk en gebruikte het teken als hommage, tegelijk werkt het ook als bliksemafleider bij alle perfectie.

De échte Marlene heeft geen tatoeage op haar arm, en lijkt dus ook nog maar lichtjes op het schilderij. Op één punt komt ze wel dicht bij de historische voorbeelden van Tjepkema: Van der Velden studeert geschiedenis en heeft zich inmiddels gespecialiseerd in de Middeleeuwen, precies de pe­riode waarvan Tjepkema de portretten zo bewondert.

Beeld -

Van belang is contact met de geportretteerde

Erica Nussbaum Kewerkopf
schilderij ‘Seeing the future’
van haar man Manfred

Al voordat ze op de kunstacademie zat, vond Erica Nussbaum het prettig mensen uit haar omgeving vast te leggen op papier en doek. Inmiddels geeft ze al zo’n dertig jaar schilder- en tekenles, zelf schildert en tekent ze ook. Nog steeds is het portret haar dierbaar. “Het blijft zo verrassend wat je allemaal kunt zien in een gezicht. Iedereen heeft twee ogen, een neus en een mond en toch is ieder gezicht anders.”

“Bij het schilderen van mensen kom je dichterbij, ook als je ze al goed kent. Ik wil niet m’n eigen ruiten ingooien, maar ik geloof wel dat een heel goede fotograaf hetzelfde kan bereiken met een foto. Wat heel belangrijk is voor een goed portret, is de wisselwerking tussen geportretteerde en portrettist. Ik heb ook wel eens een opdracht gekregen een overleden persoon te portretteren, dat vond ik erg lastig; het leggen van contact was immers niet meer mogelijk.”

De persoon op het schilderij dat geselecteerd werd voor de Portretprijs kent ze goed, hij is ‘het best van allemaal’, haar man Manfred. Die vertelt: “Ze tekent en schildert me al heel lang. ‘Heb je niets beters te doen?’, zei ik als ze me weer in een onbewaakt moment fotografeerde of tekende. Pas later begreep ik dat het veel meer betekent dan alleen het plaatje vastleggen. Wat ik heel knap vind, is dat ik aan het portret kan zien waaraan ik dacht. Er zit leven in, gevoel, en dat is essentieel in een goed portret. De techniek is aan te leren, maar daar gaat het uiteindelijk niet om, het gaat om het gevoel dat erin wordt overgebracht.”

Dat Nussbaum aan de portretwedstrijd deelnam wist de geportretteerde al een tijdje. Later ontdekte hij pas dat het zíjn portret was waarmee ze bij de selectie was gekomen. Grinnikend: “Dat had ze me ook wel wat eerder mogen vertellen!” De kunstenaar lacht ook, maar is tegelijk onverbiddelijk: “Ik hoorde het een cabaretier eens zeggen over het gebruik van zijn gezin in zijn sketches: familie is werkmateriaal. Ik zal ze heus niet in vervelende situaties vastleggen, maar de mensen die dicht bij je staan zijn de beste modellen, of ze dat nu willen of niet.”

Beeld -

De kunst van het weglaten, de poëzie van het portret

Fulco de Vos
schilderij ‘De fysicus’
van zijn vader Jacques de Vos

Anders dan de meeste andere finalisten van de Portretprijs is Fulco de Vos geen traditionele professionele kunstenaar, hij heeft geen kunstacademie gevolgd. De Vos heeft een fulltime baan bij een Amerikaans telecombedrijf, schilderen is zijn hobby.

Toch kun je hem moeilijk een amateur noemen, zo veel energie, overdenking en tijd steekt hij in het schilderen. Het begon met twee geschilderde portretten van zijn dochters, die hij kreeg voor zijn veertigste verjaardag. Hij schreef zichzelf in voor een introductiecursus schilderen en toen ging het ‘van kwaad tot erger’, vindt hij zelf. Hij volgde meerdere cursussen in Nederland en in Engeland en stortte zich op het kopiëren van portretten van oude meesters: Rembrandt, Gustave Courbet, John Singer Sargent. “Door na te schilderen hoef je de stap van driedimensionaal naar tweedimensionaal niet meer te maken”, vertelt De Vos.

Hij werkt met oude pigmenten, olieverf dus, een sober palet. Toen vroeg hij zijn vader model te zitten. “We hebben zo veel beeldmateriaal van elkaar op onze smartphones, maar ik wilde geen momentopname, geen grote glimlach. Ik wilde hem afbeelden als wetenschapper.” Vader Jacques de Vos is inmiddels 82 jaar oud. Geschoold in de theoretische natuurkunde werkte hij tot zijn pen­sioen als onderzoeker voor de industrie. Pas twee jaar geleden pakte hij, aanvankelijk wat onzeker, zijn grote passie weer op: het theoretisch onderzoek naar de allerkleinste deeltjes. “Ik bleek het nog te kunnen”, vertelt hij. “Fulco zag mijn enthou­siasme, dát wilde hij vastleggen.”

De Vos junior werkte anderhalf jaar aan het portret, maakte foto’s, schetsen, en toen het uiteindelijke doek. “Tijd is volkomen onbelangrijk bij het schilderen”, vindt hij. Eerst was het doek groter, er stond nog een stoel op de achtergrond, ‘die trok te veel aandacht’. “Het is de kunst van het weglaten, zoeken naar de poëzie van het portret. Mijn vader lijkt nors te kijken, maar als je goed kijkt, zie je een ingehouden glimlach om zijn mond.”

Vader De Vos was bij de opening van de tentoonstelling in Slot Zeist, begin deze maand. Een ‘gigantische ervaring’ vond hij het. “Ik kwam met Fulco de zaal binnen en zag het schilderij hangen. Dat werd me even te veel. Opeens keek ik recht in de ogen van de fysicus die Fulco had zien opleven – mijn eigen gezicht.”

Lees ook:

De blik in de ogen is de essentie van een portret

Beeldend kunstenaar Iris Kensmil schildert altijd eerst de ogen. ‘Die zijn de essentie van een portret en moeten er goed op staan. Daarom schilder ik ze als ik nog fris ben.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden