InterviewBibi Dumon Tak

Bibi Dumon Tak kwam in conflict met de ex van haar overleden zus. ‘Moge een reiger zich ontlasten boven zijn hoofd’

Bibi Dumon Tak: ‘Als ik het boek niet had geschreven, zou ik hebben gebogen voor die man’.Beeld Patrick Post

Woede en rouw gaan niet samen, merkte schrijfster Bibi Dumon Tak. Ze belandde in een verterend conflict met de ex van haar overleden zus. Het resulteerde in een prachtboek. ‘Iedereen die kwaad is, raad ik aan: laat de bijl in de schuur liggen, zoek de lichtheid op.’

De honden Toffie en Ravi hebben zich neergevlijd in de zonovergoten tuin. In de wijde omtrek etaleren weilanden hun sappige groen. Een eend kwaakt in de sloot. Vredigheid alom, maar we moeten toch de ellende in. “Ik probeer het altijd klein te maken door het te vergelijken met dingen die nog veel erger zijn”, begint schijfster Bibi Dumon Tak. “Maar het ís natuurlijk wel erg. Anders zou ik het ook niet hebben opgeschreven.”

Begin 2016 verloor Dumon Tak haar zus Saar, 43 jaar oud. De kankercellen bleken sterker dan welke behandeling ook. De zussen hadden een hechte band. Saar was van jongs af aan zwaar slechthorend. Bibi, zeven jaar ouder, vervulde de natuurlijke rol van beschermer, ook nog op het laatst, tijdens de vele sessies in de kliniek.

Van rouwen kwam niet veel terecht, want er laaide onmiddellijk een familievete op. Het conflict draaide om de twee zoontjes van Saar en haar ex-man. Toen de zus nog leefde, bestond er al een complexe omgangsregeling waarbij de kinderen – in de basisschoolleeftijd – de ouders om beurten zagen. Na Saars dood wilde de ex niet dat Dumon Tak en haar moeder ooit nog contact met de jongens zouden hebben; de vrouwen hadden te veel aan Saars kant gestaan. Ontzettend wreed, vond Dumon Tak, te meer omdat haar eigen vader, broer en oom de kinderen wél mochten blijven zien. “Dat had iets pesterigs.”

Dumon Tak was razend op de ex. Tegelijk voelde ze zich verraden door de mannelijke tak van haar familie. Zozeer dat ze haar achternaam van zich af wilde werpen. Ziedaar de basis voor de roman ‘De dag dat ik mijn naam veranderde’. Non-fictie, zoals bij haar gebruikelijk, want het zou onecht voelen om er fictie van te maken.

Het is een ontroerend boek geworden. Over verdriet, maar vooral over woede. De schrijfster slingert haar vijand op papier de vurigste verwensingen naar het hoofd. De vervloekingen zijn van bijbelse allure. Ze bevatten een scala aan gruwelijke straffen, zoals ‘moge zijn ziel branden zolang de aarde draait’ of ‘moge de as van alle vulkanen zich verzamelen in zijn longen’. Soms zijn ze juist ook grappig, zoals ‘moge een reiger zich ontlasten boven zijn hoofd’ of ‘mogen de hoofdluizen van alle werelddelen zich vermenigvuldigen op zijn kruin’. De schrijfster vond zo de perfecte formule voor haar razernij.

Dit boek leest als een noodzaak, als iets waar u van af moest.

“Klopt. Het voelde alsof ik in een huis woonde vol meubels die in de weg stonden; ik kon de voordeur niet meer in of uit. Deze geschiedenis blokkeerde mijn andere schrijven. Ik schrijf non-fictie, dus ik ben altijd op zoek naar verhalen van anderen. Maar voordat ik andere dingen echt weer interessant kon vinden, moest eerst de chaos in mijn brein weg. Ik moest die meubels wegdoen, verschuiven of wat dan ook. Zo nood­zakelijk was het.”

Heeft u getwijfeld of u het allemaal wel moest opschrijven?

“O ja, elke keer stelde ik mezelf die vraag opnieuw. Want wat haal je overhoop, bij jezelf en bij anderen? Is het überhaupt een boek dat bestaansrecht heeft? Is het niet te particulier, te veel míjn verhaal, iets voor in de la? Maar telkens begon ik toch weer, want ik moest van die puinhoop af. Toen ik eenmaal de toon had gevonden, heb ik besloten: nu ga ik dit schrijven, zonder voorbehoud. De twijfel zette ik voor­lopig aan de kant.”

De ex van uw zus zal u dit boek niet in dank afnemen.

“Het boek zal in slechte aarde vallen. Ik richt iets aan. Maar de kloof kon toch al niet dieper, dus het maakt eigenlijk niet meer uit. Ik heb er geen geloof in dat de kinderen ooit nog terugkomen. Mensen zeggen vaak: ach, over twintig jaar zie je ze heus wel terug. Dat vind ik moeilijk, want ik wil die jongens zien opgroeien in plaats van ineens volwassen mannen aan mijn deur te hebben. Ik wil hun moeder voor hen levendig houden. Ik leef nú. Iets over twintig jaar, daar heb ik niets aan, hoezeer ik hen dan ook alsnog welkom zou heten. Als ik het boek niet had geschreven, zou ik trouwens hebben gebogen voor die man, net als alle anderen. Dan zouden de kinderen me achteraf kunnen verwijten dat ik niets voor hen heb gedaan. Daarom kies ik voor wél iets doen. Het is een risico, maar ik ben de jongens toch al kwijt.”

Wat maakte dat het zo uit de hand liep?

“Het zat al niet goed tijdens het huwelijk van mijn zus. Ze werd fysiek belaagd. In de maanden voor haar dood wist ze ook al dat haar ex de kinderen zou wegtrekken bij mijn moeder en mij. Dát lijden vond ik het pijnlijkst om te zien, erger dan het lichamelijke. De wetenschap dat je niet in vertrouwen dood kunt gaan... We zeiden tegen haar ‘Het komt goed’, maar we wisten dat het niet waar was. En dat is ook gebleken.

“Ik weet niet waarom die man zich zo gedraagt. Hij lijdt ergens aan, iets passief-agressiefs, iets waar we geen grip op hebben. Toch vraag ik me nog elke dag af of ik zelf ook geen steken heb laten vallen. Had ik de situatie nog kunnen ombuigen? Want dan had ik het gedaan. Al had ik twintig knievallen moeten maken. Ik heb echt geprobeerd ook zíjn kant te begrijpen. Dat levert een interessanter boek op, maar echte antwoorden heb ik niet gekregen.”

Hoe heeft u al die heftige gevoelens ­omgezet in literatuur?

“Mijn zus is in januari 2016 overleden. Die zomer heb ik mijn eerste woorden in een schriftje geschreven. Dat was echt uit woede. Die woorden zijn nergens terug te vinden in het boek. Ze hadden niet de goede toon. Te boos nog. Je moet niet vanuit boosheid schrijven. Je mag best boos zijn, maar dan wel gecontroleerd. Als schrijver moet je het kunnen regisseren, anders wordt het een pamflet, geen roman.

“De hoofdpersoon Anna – mijn tweede naam – is in gedachten voortdurend bezig om de ex koud te maken. Ze wil hem uit de weg ruimen met alle mogelijke wapens. Ik had dat na Saars dood zelf ook. Er kwam een ongekende woede in mij naar boven. Het is goed om zulke gedachten toe te laten, zolang je ze maar niet uitvoert. Woede moet eruit, dat is helend. Het probleem was alleen dat ik erin bleef hangen.”

Maar uiteindelijk kreeg u toch vat op uw woede.

“Op een gegeven moment dacht ik: er moet wat luchtigheid in komen. En toen kwam ik op die vervloekingen. Daar zat ik echt om te gniffelen. Weg­lachen, dat bleek voor mij de perfecte manier om ermee om te gaan. Als je lacht, maak je je tegenstander totaal onbeduidend. Het wordt dan een schertsfiguur.

“Ik laat hem allerlei natuurlijke rampen of plagen overkomen: regen, wolken, wind, plaagdieren, alles wat ons kan teisteren mag hem raken. Ik heb enorm veel plezier beleefd aan het bedenken. Ik raad iedereen aan die met woede zit: ga niet tot actie over, laat die bijl in de schuur liggen en roep ook niet ‘die klootzak’ of ‘die trut’, want dat helpt niet. Zoek de lichtheid. Zo maak je het leed klein en hanteerbaar. Heel therapeutisch. Soms denk ik erover om workshops te gaan geven. Niet: hoe schrijf je een leuk verhaal, waarvoor ze me weleens vragen, maar hoe beteugel ik mijn woede.”

Sommige hoofdstukken schrijft u rechtstreeks aan uw zus. Hielp dat ook?

“Zeker. Voor kinderen schrijf ik altijd al heel los, vrolijk en licht. Dat miste ik nu. Ik merkte dat ik tijdens het schrijven soms ineens opstond en hardop tegen mijn zus zei: ‘Je moest eens weten!’ Op zo’n moment ga je automatisch in de vertelstand. Dat geeft zóveel lucht. Je kunt dan af en toe ook eens een grap maken. Dan zei ik bijvoorbeeld tegen haar: ‘Jij had meteen die ovenschaal door zijn ruit geflikkerd’, of zoiets. Daarna kon ik verder.”

Het boek is af. Kunt u nu weer door de deur?

“Ja, alles is opgeruimd. Dit boek heeft onvoorstelbaar goed geholpen. Alleen al daarom was het de moeite van het schrijven waard. Ik kan nu weer aan een nieuw boek beginnen, met veel plezier: het kinderboek voor de Maand van de Filosofie. Voor volgend jaar.”

Bibi Dumon Tak, ‘De dag dat ik mijn naam veranderde’, uitgeverij De Geus, 272 blz., 21,50 euro.

Wie is Bibi Dumon Tak?

Bibi Dumon Tak (55) schrijft voornamelijk literaire non-fictie voor kinderen. In 2001 debuteerde ze met ‘Het koeienboek’ en later volgde ‘Het koeienparadijs’ (2017), over het waargebeurde verhaal van koeien die uit een slachthuis zijn ontsnapt. Haar werk, dat veel over dieren gaat, werd bekroond met zes Zilveren Griffels en één Gouden Griffel. In 2018 kreeg ze de prestigieuze Theo Thijssenprijs voor kinder- en jeugdliteratuur. In 2007 verscheen haar eerste niet-kinderboek, ‘Rotjongens’, over het leven in de jeugdgevangenis.

Lees ook:

Bibi Dumon Tak introduceert een nieuw genre: non-fictie poëzie over beesten

Na non-fictieverhalen over dieren, introduceert Bibi Dumon Tak, die in 2018 de Theo Thijssenprijs (€ 60.000) voor haar oeuvre ontving, een geweldig, nieuw genre: non-fictiepoëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden