Review

Bezoek de goot met strontschrijver Berckmans

J. M. H. Berckmans: Taxi naar de Boerhaavestraat. Nijgh & Van Ditmar/Dedalus, Amsterdam; 160 blz. - ¿ 34,90.

“De kelner is niet geheel gezond”, zei ik tegen Phoebe. “Welnee”, zei ze, dat kan je zo zien. Volgens mij heeft hij het aan de darmen”. “Dat is zeer wel mogelijk”, zei ik, “minstens een zogenaamde verstopping waarbij doorgaand verkeer gestremd wordt en het afval zich ophoopt.” “Groen kakken, dat doet hij ook”, meende Phoebe” (Herman Brusselmans).

“Af en toe moet ik in avondbriesje een zakdoek door open broeknaad tegen hol betten om losflodderend sausje te ondervangen” (A. Moonen).

“Toen ik vanmiddag van het ziekenfonds weer naar De dorstige haan liep liet ik heimelijk een schuivertje van een scheet, er had de hele dag een blubberige massa vanuit m'n endeldarm op m'n sluitspier gedrukt maar ik had geen schijtpapier in huis en dus (. . .) was er met het heimelijk schuivertje een scheutje stront in m'n onderbroek geschoten” (J. M. H. Berckmans).

Wie op de redelijk gevulde markt voor scatologische literatuur wil opereren, ontmoet vooral een gelijkgestemd klimaat van faecale teksten. En alle worden ze gelanceerd met verwijzing naar de underground- en popliteratuur van de beat generations, het werk van Bukowski of dat van Céline.

Toch is de belangstelling van uitgevers voor het genre tamelijk groot en ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat men daar, bij zo'n overdaad aan schrijvers met wie je bij je schoonmoeder kunt aankomen, een groeiende burgerlijk-romantische belangstelling ontwikkelt voor de exotische outcast, ongeveer zoals de gebroeders Goncourt en Emile Zola zich met hun nette achtergronden over de rauwe werkelijkheid van hun tijd bogen. Een enkele drekdichter in het fonds geeft kennelijk kleur aan de zaak. Van nieuwe ingrediënten of visies moet ook de Antwerpse schrijver J. M. H. Berckmans het niet hebben; zijn werk kan grotendeels onder de vigerende praktijken van anderen ingedeeld worden. Hoogstens is het verhaal van deze in de Antwerpse goot verzeilde ex-miljonair (althans, zo wordt beweerd) nog wat rauw-realistischer, treuriger en minder ironisch dan dat van zijn lotgenoten. Centraal in zijn Taxi naar de Boerhaavestraat staat, evenals in voorgaande publicaties, het poepgat, waar men op onuitputtelijke wijze wordt rondgeleid. Komt er geen 'acajoukleurige drol' uit, dan zorgt het wel voor een onverdraaglijke stank die de bezitter (die zich onder diverse alter ego's in de verschillende verhalen voor volledig autobiografische duiding indekt) het gerief van een vrouwenlichaam ontzeggen. Meer maatschappelijke zelfkant dan door Berckmans beschreven kan er moeilijk zijn, het is een leven van schijten, zuipen, (niet-)neuken en over straat zwerven, zonder illusies.

Ergens in het boek leest men dat de auteur “de wanhoop en de eenzaamheid en de angst van de moderne mens een vorm wil geven”, maar dat klinkt louter voor de commercie; je krijgt meer de indruk dat hij uitsluitend zijn eigen wanhoop tot thema heeft genomen. Hoewel tussen neus en lippen de oorzaak van dit totale verval wordt aangegeven (het weglopen van een dwangneurotische vrouw) heeft het gootbestaan van Berckmans iets autonooms en zijn monotone gezangen erover krijgen bijna iets van flatulente lyriek, naar welks inhoud de lezer niet langer nieuwsgierig blijft:

“Ten einde gedoold, het hele straatje van de hopelozen uit, bijna te pletter gelopen op het donkerrode stukje bakstenen muur aan het eind van je steeg, bijna uitgesnikt en uitgeschuddebold zit je een kot in de nacht te wat, te wat eigenlijk, te wanhopen aan alles, aan alles en nog wat te twijfelen en niet in het minst aan jezelf en de kracht van je woord, te denken aan wie weet nu nog wat, die miezerige flikkerende amberkleurige lettertjes op je scherm te kijken en al die groene lampjes van die verschrikkelijke toestellen die op je werktafel staan en waarzonder het leven nu eenmaal totaal onmogelijk zou zijn. En misschien wel helemaal zinloos”.

Zeker, het is de taal van de Barakstad, zoals Antwerpen hier heet, maar het is vooral ook de taal van iemand die z'n uitzichtloosheid ook niet langer een literaire schijn wil geven. Van de 'wrange ironie en superieure sarcasme', die de uitgever erin wil zien, merk ik althans niks. En weet u, dat is in zekere zin maar goed ook; als het boek iets benauwends heeft dan is het omdat zelfs het laatste sap uit de scatologie lijkt te zijn gewrongen.

Misschien dat het enige waarmee Berckmans zich werkelijk van gelijkluidende schrijvers onderscheidt is, dat hij bij alle verklaringen van het tegendeel toch nog een beetje op zoek blijft, in woorden waaraan geen gram metafysica kleeft maar die toch verlangen naar iets hogers suggereren: “Maar nee, je weet het maar al te goed, alles is in woorden te vatten, alles is een verhaal, sommige verhalen zijn romans, sommige romans zijn wereldgeschiedenis, alles kan je zeggen, alleen dat wat jij wilt zeggen kan je niet zeggen. Op dat ene enkele beeld kom je nooit of nooit nog.”

Voor de rest is het vooral een verbijsterend slenteren, van het ene verhaal door naar het andere, alsof men op permanente kroegentocht inclusief stoelgang is. Een 'Kleine odyssee van waar je vertrekt naar waar je vertrokken bent', zoals een van die schetsen heet, waarin vrouwen 'dikke hangtieten' hebben, vader voor de buis naar Derrick zit te kijken en “Eberhard van Groenendaal een dampend stinkend worstje op het novilon van het woonkamertje” draait. Opdat we maar weten hoe het ook allemaal anders kan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden