Review

Betrokken kroniek van een lastige stad

Het vierde en laatste deel van de Geschiedenis van Amsterdam is al even mooi als de vorige delen. Met een opmerkelijke bijdrage van een Groningse historicus.

Jan Kuijk

Over de nieuwe grote geschiedenis van Amsterdam is al veel goeds gezegd en geschreven en nu het vierde en laatste deel over de twintigste eeuw verschenen is, kan de lof uit voorgaande afleveringen worden herhaald. Naar inhoud en vormgeving een prachtig werk, dat vooral mag putten uit de onvoorstelbaar grote kennis die in Amsterdam met zijn twee universiteiten, zijn gigantisch grote gemeentearchief en zijn historisch museum ligt opgeslagen en wordt bewaard.

Maar de verrassing van dit deel is dat er opeens versterking blijkt te zijn aangerukt uit het verre Twente en Groningen door de medewerking van Guus Meershoek en Doeko Bosscher. Meershoek is in 1999 gepromoveerd op de Amsterdamse politie in de oorlogsjaren. Dat juist hij die dramatische jaren (heel terughoudend) voor zijn rekening neemt is dus niet zo verrassend.

Bosscher daarentegen legitimeert zich in de korte karakteristieken van alle auteurs achter in het boek met zijn publicaties over de Nederlandse politieke geschiedenis en de Amerikaanse buitenlandse politiek, plus acht jaar ervaring als bestuurder aan de Groningse universiteit. De vrije tijd uit die jaren heeft hij kennelijk goed gebruikt, want hij levert hier een opmerkelijke prestatie door het leeuwendeel van dit uiterst Amsterdamse boek (in feite de hele periode na 1945 en de uitlopers na 2000) voor zijn rekening te nemen.

Hij toont zich daarbij een voortvarend verteller als het gaat om de aanvankelijke moeizame naoorlogse opbouw van de stad, waarbij zich ook nog even waagt aan een vergelijking met Rotterdam. Maar als eenmaal de jaren zestig en zeventig zijn aangebroken, laat hij merken dat hij als historicus zijn mooiste uur beleeft. Hij is er echt voor gaan zitten om verslag te doen van de gebeurtenissen die Amsterdam – naar de woorden van burgemeester Van Hall – deden kennen als ‘een lastige stad’.

Dat doet hij even innemend als betrokken. Hij laat zijn lezers niet in het ongewisse dat het allemaal reuze spannend is. Maar het is even duidelijk: zijn betrokkenheid geldt in de eerste plaats de geplaagde stadsbestuurders, waarbij hij – zonder de fouten te verdoezelen – het vooral opneemt voor burgemeester Polak. Toen het er echt op aankwam (al of niet gebruik maken van vuurwapens door de politie?) liet Hans Wiegel, de minister van binnenlandse zaken, hem in de kou staan om zich daarna, toen alles achter de rug was, als Polaks criticus te kunnen opstellen.

Tussen neus en lippen schetst Bosscher ook nog Amsterdam als sporthoofdstad en roemt hij Van Bastens ‘omhaal’ op 9 november 1986 in Ajax’ wedstrijd tegen Den Bosch als ’het doelpunt van de eeuw’.

Amsterdammers hebben de naam chauvinistisch te zijn en menigmaal is aan de Amstel de sceptische vraag te horen ’kan er uit Groningen iets goed komen?’ Bosscher heeft met zijn bijdragen aan dit boek daar voorgoed een einde aan gemaakt. Het antwoord is een ondubbelzinnig ’ja’.

De enige teleurstelling, die dit deel de lezer biedt, is de lijst met aanvullingen en correcties op de eerder verschenen delen, helemaal aan het einde van de lectuur. Zo’n lijst getuigt van grote ernst. Maar wat moeten toekomstige geslachten (want ook voor hen is dit boek zeker bedoeld) met de kleine ongerechtigheden die in dit deel worden aangetroffen en nooit meer gecorrigeerd zullen worden? ’t Is te hopen dat er gauw een tweede oplage moet verschijnen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden