Review

Beter een dappere sterveling, dan een mislukte god

In korte tijd kwam een reeks boeken uit over de klassieke Oudheid. Wat de schrijvers bindt, is de onverwoestbare liefde voor de verhalen uit de klassieke mythologie.

Zeven van de tien jaar dat Odysseus na de val van Troje rondzwierf, voordat hij zijn vaderland Ithaca bereikte, was hij de gevangene van de nimf Calypso. Al zijn schepen met hun bemanningen waren vergaan. Alleen kwijnde hij weg, verlangend naar huis. Toen grepen de goden in: hun boodschapper Hermes kwam Calypso vertellen dat zij op last van Zeus de drenkeling moest laten gaan. Calypso, die Odysseus heftig beminde, speelde haar laatste troef uit: zij beloofde hem de onsterfelijkheid en eeuwigdurende jeugdige schoonheid, als hij bij haar zou blijven. Odysseus sloeg haar aanbod af. Hij koos ervoor terug te keren naar huis, met zijn vrouw oud te worden en de dood te aanvaarden.

Met deze mythe opent de Franse filosoof Luc Ferry een fascinerende tocht langs de Griekse goden en helden van de Oudheid. In het verhaal van Calypso en Odysseus leest hij de meest diepgaande en verstrekkende boodschap van de Griekse mythologie, die daarna in haar ’verwereldlijkte’ vorm wordt overgenomen door de filosofie en die hij in een prikkelende vorm formuleert: „Het doel van het menselijke leven is niet om met alle middelen [] het eeuwige heil te verwerven en onsterfelijkheid te verkrijgen, zoals de christenen enige tijd later zullen denken, want een geslaagd leven van een sterveling valt te verkiezen boven een mislukt leven van een onsterfelijke god.”

Ferry volgt in zijn tocht de drie kernbegrippen van de Griekse mythologie. In de eerste plaats is dat de kosmos, de wereld(orde) die in een reeks gruwelverhalen uit de chaos tot stand wordt gebracht door de jongste generatie goden onder leiding van de oppergod Zeus. Maar de harmonie die in de kosmos heerst wordt telkens weer bedreigd door het tweede kernbegrip: hybris, het gebrek aan wijsheid.

Ferry wijst er terecht op dat de twee bekende spreuken op de tempel van Apollo in Delphi, ’Ken jezelf’ en ’Niets te veel’, niets van doen hebben met een on-Griekse oproep tot introspectie, maar de mens manen zich aan de juiste maat te houden in de kosmische orde, en zich te onthouden van hybris. Maar paradoxaal genoeg betoogt Ferry, kunnen kosmos en hybris niet zonder elkaar: louter kosmos zou verstarren, louter hybris zou de chaos van de oertijd terugbrengen. Daarom is er een derde kernbegrip: dikè, gerechtigheid of rechtvaardigheid. Veel van de mythen over helden (Heracles, Theseus, Perseus, Jason) hebben als leidraad hoe een held de kosmische orde beschermt tegen de terugkeer van de chaos.

Dat beschermen van de kosmische orde kan rampzalig voor de held uitpakken, zoals we zien in de mythen van Oedipus en Antigone, die naar onze notie van rechtvaardigheid onverdiend ten onder gaan. Tussen de levenswijsheid (die Ferry minimalistisch noemt) dat je van het leven moet profiteren wanneer het goed is en zolang het goed gaat en de ’maximalistische’, het onvermijdelijke niet alleen verdragen, maar er ook van houden, zoekt hij een tussenweg in de mogelijkheid van de mens tot verzet tegen de orde van de wereld. Dat noemt hij humanisme, de opvatting dat de mensheid een onbeperkt subversief potentieel heeft.

Tot deze subversieve helden had Ferry wat mij betreft ook Pentheus mogen rekenen, de jonge koning van Thebe die zich verzet tegen de chaos die Dionysus, een god vol hybris, in zijn stad aanricht. Aan deze god besteedt Ferry zijn laatste hoofdstuk, waarin hij Dionysus ziet als het symbool van de mythen die, anders dan een religie, rekening houden met de werkelijkheid van de menselijke eindigheid en van de waanzin, waarvan de goden zich hebben bevrijd en die ze volledig naar de mensen en de zintuiglijk waarneembare wereld hebben verbannen.

Deze verbanning luidt, als ik Ferry goed begrijp, de opkomst in van de Griekse filosofie, die hij een ’verwereldlijking’ van de mythologie noemt. Met de Griekse filosofen begint een wereldlijke spiritualiteit die tot vandaag toe voortduurt en waarmee wij het vraagstuk van het heil alléén moeten oplossen door middel van onszelf en onze rede, niet met behulp van het geloof en de onsterfelijke goden.

Ook over mythen gaat ’De Griekse mythen’, naverteld door Ilja Leonard Pfeijffer. Didactische motieven die Ferry drijven, zijn Pfeijffer geheel vreemd. Hij amuseert de lezer met zijn versie van een aantal mythen en hij wil daarbij als een historicus te werk gaan. We moeten de Griekse mythen beschouwen als geschiedenis, was een stelling bij zijn proefschrift, en de feiten geven het houvast. De precieze manier waarop de feiten zich hebben voorgedaan, is in vele varianten overgeleverd. Pfeijffer vraagt de lezer: „Sta mij toe te vertellen hoe het volgens mij echt is gegaan.”

Wat volgt is een inderdaad amusante, soms zelfs ontroerende navertelling. Maar het virus van het ouwe-jongens-krentenbrood ligt natuurlijk op de loer, getuige deze passage over de vrouwen van Thebe die de god Dionysus de bergen indrijft in Euripides’ tragedie ’Bacchen’: „Dionysos had ze de wereld gegeven, de extase van knetterzat rennen op blote voeten door de bergen in gescheurde kleren met tamboerijnen en takken met wijnranken terwijl de nachtwind speelde met hun blote tieten. Ze werden Bacchanten genoemd, deze vrouwelijke groupies van Dionysos.”

Hoeveel Ferry en Pfeijffer ook scheidt van elkaar, wat hen en velen van ons bindt is de liefde voor de verhalen van de klassieke mythologie. Maar wat is ’klassiek’? Voor de een is dat de bloeitijd van de Atheense stadsstaat in de vijfde eeuw voor Christus, voor de ander de gehele Oudheid. En we spreken van klassieke muziek zonder de gedachte aan Grieken en Romeinen. Bij de Romeinen zelf is het woord classicus een fiscale term voor de aanduiding van vermogensklassen.

Over het begrip klassiek publiceerde de Italiaanse archeoloog Salvatore Settis een schitterend opstel (zoals hij het zelf noemt): ’De toekomst van het ’klassieke’’. Bewogen door de teloorgang van de kennis van de Griekse en Latijnse talen en culturen in het moderne Europa, herinnert Settis aan hun vele wedergeboorten, en niet alleen aan die van de grote Renaissance in de vijftiende en zestiende eeuw. Zo is de gotiek een renaissance van de laatromeinse architectuur.

Op deze wijze is het ’klassieke’ een eeuwige cyclus van ondergang en wedergeboorte, die wordt bepaald door een ’ritmische vorm’. Daarmee bevrijdt Settis zich van een zinloze nostalgie naar vervlogen tijden, en kijkt hij vol goede moed uit naar het moment dat we het ’klassieke’ niet langer beschouwen als een dode erfenis, maar als iets intens verrassends en vreemds, wat iedere dag opnieuw heroverd moet worden. Een scherpzinnig en troostrijk boek.

Van onze ’populairste classicus’ Fik Meijer verscheen alweer een nieuw boek: ’De Middellandse Zee. Een persoonlijke geschiedenis’. Op zijn negentiende, toen hij als eerstejaars student met zijn duikclub het eiland Ibiza bezocht en voor de eerste keer met het licht van de Middellandse Zee werd geconfronteerd, vatte Meijer een hartstochtelijke liefde op voor mare nostrum, onze zee, zoals de Romeinen die met hun arrogantie graag noemden.

Zo iemand, dan volgt Meijer wel het adagium van Settis die voorstelt het ’klassieke’ als iets intens verrassends en vreemds te beschouwen. Als onderwaterarcheoloog heeft hij gedoken naar vele scheepswrakken uit de Oudheid, en hij doet daar, inderdaad vaak heel persoonlijk, op meeslepende wijze verslag van. Hij plaatst die opgravingen onder water meesterlijk in het kader van de tijd: de piraterij, de slavernij, het abjecte gesleep met wilde dieren voor de amfitheaters, de olie-, graan- en wijnhandel, de rooftochten met producten van kunst en nijverheid.

Wat ik miste in het boek was een kaart met de locaties van de vergane schepen waarover Meijer schrijft. Grote indruk maakte op mij als niet-zwemmer de tomeloze energie waarmee Meijer de in het zand verdwenen amforen daar diep onder de zeespiegel naar boven haalde. Dit is echt een boek dat je op een lange winteravond laat erkeren met de olijfbomen, de cicaden en die verraderlijk kalme, blauwe zee.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden