Beeld uit Pierre Audi’s productie van Berlioz’ ‘Les Troyens’ uit 2010 bij De Nationale Opera. Het is een van de 27 sleutelwerken in het boek van Benjamin Rous.

Interview Benjamin Rous

Benjamin Rous geeft de beginnende opera-liefhebber 27 sleutelwerken ter introductie

Beeld uit Pierre Audi’s productie van Berlioz’ ‘Les Troyens’ uit 2010 bij De Nationale Opera. Het is een van de 27 sleutelwerken in het boek van Benjamin Rous. Beeld Baus/DNO

Opera kan voor de beginnende liefhebber een behoorlijke drempel zijn. Benjamin Rous probeert in een nieuw boek de kunstvorm wat toegankelijker te maken. 350 jaar operageschiedenis in 27 opera’s.

Opera kan enorm groots, meeslepend en overweldigend zijn. Een kleurrijke dramatische of ­komische handeling met muziek, zang, opwindende solisten, koren, extravagante kostuums en decors, spectaculaire theatertechniek. Omdat er zoveel beeld, geluid en beweging tegelijk om aandacht vraagt, raakt het zicht op de meer subtiele details gauw verloren. Juist die veelzeggende details eruit lichten, om daarmee aan te tonen hoe veel rijker geschakeerd het genre ­eigenlijk is, dat was de belangrijkste reden van Benjamin Rous om er een boek over te schrijven. Deze week ligt ‘Opera – Een geschiedenis in 27 sleutelwerken’ in de winkel.

“Opera is een kunstvorm die zijn geheimen niet meteen allemaal prijsgeeft”, zegt Rous. “Maar hoe meer je over een bepaald werk te ­weten komt, hoe meer het gaat spreken. En die meerwaarde kan heel prettig zijn. Ik merk het in mijn werk als reisleider van operareizen.

Het publiek bij die reizen heeft veel aan al die ­onvermoede details. Ze genieten dan meer van de opera’s die ze zien. Natuurlijk kun je ook zonder voorkennis voor de eerste keer naar een opera gaan en je totaal laten overdonderen. Zo werkt opera nou eenmaal ook.”

Volledig betoverd en ontroerd

Op die manier is Rous er zelf ingerold, ­beschrijft hij in de proloog van zijn boek. Als vijftienjarige namen zijn ouders hem mee naar een voorstelling van Verdi’s ‘Aida’, in een routine-enscenering van een gezelschap uit Oost-Europa. Totaal onvoorbereid, met alleen een ­bezoek aan de musical ‘Les Misérables’ als vergelijkbare ervaring, raakte Rous volledig betoverd en ontroerd door wat hij zag en hoorde.

Het was het begin van een levenslange liefde voor het genre in het algemeen en bewondering voor componist Giuseppe Verdi in het bijzonder. Die bewondering is zo groot dat Rous zelfs denkt aan een volgend boek dat helemaal over Verdi moet gaan.

Maar dat is vooralsnog toekomstmuziek. Eerst dit boek maar eens presenteren. Als het goed is, neemt bariton Thomas Oliemans het eerste exemplaar symbolisch in ontvangst tijdens een feestelijke lancering. In zijn allereerste boek probeert Rous uit te leggen wat nou toch precies de fascinatie van die hybride kunstvorm opera is. Hij roept daarbij de hulp in van Arrigo Boito, de Italiaanse componist en tekstdichter van Verdi’s laatste twee opera’s ‘Otello’ en ‘Falstaff’.

In een brief aan Verdi schrijft Boito: ‘... een opera is geen toneelstuk; onze kunst leeft van elementen die de gesproken tragedie niet kent. [...] Acht maten volstaan om een gevoel opnieuw op te wekken, een ritme kan een personage terugbrengen: muziek is de almachtigste van de kunsten, ze heeft een eigen logica, sneller en vrijer dan de logica van gesproken gedachten en veel welsprekender.’

Lijstjes zijn altijd voer voor discussie

Het citaat komt uit de briefwisseling tussen Boito en Verdi ten tijde van het maakproces van Otello. Die opera is een van de 27 sleutelwerken die Rous in zijn boek beschrijft, sleutelwerken die de geschiedenis van de opera veranderden en bepaalden. Rous neemt zijn lezers op een openhartige en persoonlijke ­manier mee langs die opera’s, waarbij hij de ­ik-vorm niet schuwt. In het hoofdstuk over Otello doet Rous de ontboezeming dat dit wat hem betreft de beste opera ooit is. Over die keuze: “Ik voelde me wel als een moeder die haar favoriete kind moet aanwijzen.”

De 27 sleutelopera's volgens Benjamin Rous

L’ Orfeo (Monteverdi), Dido and Aeneas (Purcell), Giulio Cesare in Egitto (Händel), Hippolyte et Aricie (Rameau), ­Orfeo ed Euridice (Gluck), Così fan tutte (Mozart), Fidelio (Beethoven), La Cenerentola (Rossini), Der Freischütz (Weber), Lucia di Lammermoor (Donizetti), Les Huguenots (Meyerbeer), Les Troyens (Berlioz), Tristan und Isolde (Wagner), Boris Godoenov (Moessorgski), Carmen (Bizet), Jevgeni Onjegin (Tsjaikovski), Otello (Verdi), Cavalleria rusticana (Mascagni), Pagliacci (Leoncavallo), Pelléas et Mélisande (Debussy), Der Rosenkavalier (Strauss), Katja Kabanová (Janácek) Wozzeck (Berg), Turandot (Puccini), ­Peter Grimes (Britten) The Rake’s ­Progress (Stravinsky), Dialogues des Carmélites (Poulenc).

Voer voor discussie, dat beseft de schrijver terdege. Lijstjes leveren altijd tegenlijstjes op, ­zeker bij operaliefhebbers. Die hebben een ­zeker fanatisme, en maken van hun hart geen moordkuil. Rous begint zijn relaas bij Monteverdi’s ‘L’ Orfeo’ uit 1607 en stopt bij Poulencs ‘Dialogues des Carmélites’ uit 1957. Dat is een periode van precies 350 jaar. Dat was hem niet eerder opgevallen. Puur toeval dus. Maar ­omdat Poulenc in een vocale stijl schrijft die ­teruggrijpt op Monteverdi, is er een mooie ­cirkel ontstaan.

“De opera’s die ik heb gekozen, zijn bijna allemaal favorieten van mij. Behalve Beethovens ‘Fidelio’, maar ik schrijf in dat hoofdstuk ook heel eerlijk op wat de struikelblokken in dat werk voor mij zijn. Fidelio is wel een sleutelwerk, dus moest die erbij. Ik had eerst meer opera’s op de lijst, maar dan zou het boek te veel uitdijen. Dus heb ik wel zo’n vijf titels, waaronder ‘Norma’ en ‘Werther’ moeten schrappen. Al met al heb ik er zo’n twee jaar intensief aan gewerkt. Je schat het vooraf ­altijd optimistischer in, maar niet iedere opera ontvouwde zijn geheimen even makkelijk.

“Ik heb het boek geschreven als operaliefhebber, die zelf ook heeft moeten ontdekken wat er allemaal is. Niet elke opera is meteen een lievelingswerk, en ook dat beschrijf ik. Als een ervaringsdeskundige. Soms moet je best moeite doen om een werk te begrijpen, het is en blijft nou eenmaal een complexe kunstvorm. Maar dat is niet erg of verkeerd. En soms blijf je moeite houden met een bepaald werk.

“In de epiloog van mijn boek stip ik wel de allernieuwste ontwikkelingen aan, maar ik vond Poulenc mooi als sluitsteen. Ik denk dat de atonale opera’s die daarna komen de kunstvorm niet per se in een heel andere richting hebben gestuurd. Die zijn eigenlijk allemaal te herleiden tot Wozzeck. Geen sleutelwerken dus, in dat opzicht.

“Maar het is zeker gezond en nodig om nieuwe opera’s te produceren. Het operabedrijf mag nooit verworden tot een museumcarrousel van alleen maar veilige titels. Het wordt trouwens onderschat hoe gewaardeerd moderne opera’s worden. ‘Written on Skin’ van George Benjamin en ‘A Dog’s Heart’ van Alexander Raskatov waren heel succesvol in Amsterdam en elders. De zalen zaten vol.

Een beetje moeite doen om iets te doorgronden, is prima

“Dat laatste is natuurlijk heel belangrijk voor operadirecties. Het vullen van zalen is steeds lastiger geworden, en toch moet je de durf hebben om iets nieuws te brengen, en niet te varen op veilige titels. Zo’n hondsmoeilijk te doorgronden werk als ‘Die Soldaten’ van Zimmermann sloeg hier enorm aan. Dat komt omdat er iets in dat werk zit dat intrigeert, een haakje dat je erbij houdt.

“Opera kan iets zeggen over onze tijd, ­omdat het je uitnodigt je te verplaatsen in personages die soms ver van je af staan. Een ­onsympathiek iemand kan plotseling sympathiek worden. Regisseurs kunnen daar een ­belangrijke rol in spelen door een andere draai aan een opera te geven. Een regie waarop je moet kauwen, kan heel goed werken, maar je moet het publiek wel een soort van houvast geven.

“Als een regie zo ver gaat dat je weinig meer herkent van het oorspronkelijke werk, dan haak ik af. Dan wordt het voor mij te veel een persoonlijke biografie van de regisseur zelf. Maar een beetje moeite doen om iets te doorgronden, is prima. Als je bij een schilderij van Rembrandt wat langer en gedetailleerder kijkt, levert dat vaak ook een andere dimensie op.

“Maar zoals gezegd, het regieconcept moet niet belangrijker worden dan het werk zelf. Als je een werk alleen nog maar kunt zien door het filter van een regisseur, dan ligt het gevaar van clichés op de loer. Je ziet het nu al dat de kracht van bepaalde beelden verloren gaat, omdat het een herhaling is. De regisseur als held, dat beeld stoort mij wel wat ja. Maar in ieder geval blijven al die regisseurs in het ­medium geïnteresseerd. Dat is winst.”

Benjamin Rous: Opera – Een geschiedenis in 27 sleutelwerken. Van Oorschot, 300 pagina’s, € 25,00. 

Lees ook:

Willem Bruls: Eigenlijk werd de opera in Venetië geboren

‘Venetiaanse zangen’ gaat niet alleen over opera, maar ook over de maatschappij waarin die ontstond. De libertijnse achtergrond van Venetië definieerde wat opera zou gaan worden, heeft de signatuur ervan bepaald. Zo groeide het genre uit tot een discours van liefde en lust. Vooral dat laatste trouwens.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden