Review

Bejaarde pest uit moreel instinct

Mensen op hoge leeftijd wijs en tolerant? Nee, ze pesten elkaar evenzeer als anderen. Maar niet uit gebrek aan moraal, vindt de Vlaamse ethicus Jan Verplaetse.

Peter Henk Steenhuis

Ouders vrezen dat hun kinderen gepest worden, maar dat ze nu ook moeten vrezen dat hun óuders in het verzorgingstehuis eveneens worden gepest – dat is nieuw. Vorige week kopte deze krant: ’Pesten door ouderen onderschat’. Uit een eerste, verkennende studie blijkt dat een op de vijf bewoners van verzorgingstehuizen wel eens wordt gepest door medebewoners. Het bericht trok de aandacht, vooral omdat uit het onderzoek blijkt dat de bewoners niet massaal lijden aan Alzheimer, maar een representatieve groep vormen. Wat is er met die bejaarden aan de hand? Kleuters kun je nog normen en waarden bijbrengen, maar ouden van dagen? Hebben zij geen moreel instinct?

„Deze ouderen hebben zeker wel een moreel instinct”, zegt de Belgische moraalfilosoof Jan Verplaetse, „en het zou wel eens zo kunnen zijn, dat deze bejaarden juist vanwege dat instinct anderen uitsluiten of negeren”. Verplaetse publiceerde vorig jaar ’Het morele instinct’, onlangs bekroond met de NWO Eureka Boekenprijs voor het beste wetenschappelijke boek. Hierin buigt Verplaetse zich uitvoerig over de vraag naar goed en kwaad. Hij onderscheidt vijf morele systemen, vier ervan berusten op intuïties of emoties, en slechts één ervan is rationeel.

Verplaetse: „Het is gangbaar te denken dat moraal alleen rationeel is, goed gedrag betreft, en ook uniek zou zijn voor de menselijke soort. De moraal huist in ons geweten, dat is de klassieke visie. Maar naar mijn idee is het zinnig moraal ruimer te interpreteren. Moraal betreft namelijk een diversiteit aan gedragingen, die gemeenschappelijk hebben dat ze ons eigenbelang op het eerste gezicht onderdrukken.”

Geldt dat voor de bejaarden die elkaar pesten?

„Lang niet altijd. Pesten komt vaak voort uit egocentrische motieven. Omdat bewoners bang zijn sociale privileges te verliezen, negeert men een nieuwkomer in het tehuis, of probeert hem uit te sluiten. Maar pesten, zo weten we, is ook vaak gericht tegen iemand die geen bedreiging vormt. Pesten is dan een spel: degene die pest toont aan de groep waartoe hij in staat is. Is dat het geval, dan schaar ik pesten onder een van mijn vijf morele systemen, en wel onder de geweldsmoraal.”

Waar komt zo’n geweldsmoraal vandaan?

„Deze morele systemen danken we aan de evolutie. We hebben honderdduizenden jaren onder grote bedreigingen geleefd. Het was kill or be killed. We konden ten prooi vallen aan wilde beesten, we konden slachtoffer worden van wilde mannen, die op onze grond en onze vrouwen aasden. Een levensbedreigende situatie gaat gepaard met grote angst. Pols maar eens bij de Nederlandse soldaten in Afghanistan, de eerste keer dat zij in zo’n situatie terechtkomen doen ze het in hun broek van angst.”

Waarom zou je met geweld op zulke angstreacties reageren?

„Geweld is een uitstekend middel om angst te bestrijden. Wie gewelddadig wordt, onderdrukt zijn angst en wekt angst bij de vijand op, maar laat ook aan de anderen van de gemeenschap zien dat hij zijn mannetje kan staan. Op hem of haar kun je je vertrouwen stellen.

Jongeren beheersen dit spel tot in de puntjes. Vandalisme, en allerlei ander normoverschrijdend gedrag, zou je kunnen zien als een spel waarin leden van jeugdgroepen leren omgaan met een angstreactie, en een signaal geven aan de rest: als we echt bedreigd worden, kun je op mij rekenen.

Het zou interessant zijn te weten om wat voor soort pesten het nu gaat in de verpleegtehuizen. Wat valt onder egocentrisch gedrag, en wat valt onder het spel dat past binnen de geweldsmoraal, en kennelijk ook gespeeld wordt door ouderen in de derde leeftijd?”

Als kinderen elkaar pesten zeggen we: ’Ze zijn ook keihard’. Moeten we dat dan nu ook over bejaarden zeggen?

„Pesten is een eigenaardig verschijnsel. Wij mensen vinden het aanvankelijk moeilijk om elkaar te kwetsen. Wij zijn weerloze wezens, als kinderen zijn we volkomen afhankelijk van onze verzorgers. Ons brein is zelfs tot ons twintigste jaar onvolgroeid. Om de zorg die wij behoeven, te garanderen, moeten wij ons aan onze verzorgers hechten. En omgekeerd. Dit vermogen ons te hechten, schaar ik in mijn boek onder de hechtingsmoraal.

We kunnen ons hechten dankzij onze empathische vermogens. Daardoor kunnen we ons inleven in de gevoelens en de gedachtenwereld van anderen, en die gevoelens en opvattingen zelfs overnemen. We ontwikkelen zulke empathische vermogens van heel jongs af aan. Kinderen van vier jaar oud beschikken over alle vermogens die nodig zijn om iemand in nood te helpen.”

En toch keihard pesten.

„Klopt. Empathie blijkt makkelijk te filteren, ons emotionele systeem is eenvoudig buiten spel te zetten. Morele processen spelen zich niet alleen af op het psychologische vlak. Het zijn onze hersenen die deze processen dragen. Daarbij spelen allerlei hormonen een belangrijke rol, bijvoorbeeld neuropeptide oxytocine, wat je echt een hechtingshormoon kunt noemen. Maar het is bekend dat de productie van dit hormoon sterk afneemt zodra we kwaad worden of ruzie maken. Dat maakt het mogelijk anderen te pijnigen, te dehumaniseren.

Bij pesten is het niet zo dat we onze empathische gevoelens buiten spel zetten. Zo simpel is het niet. Bij pesten kan empathie zich omkeren: degene die pest leeft zich niet in de ander in om te kunnen meeleven, maar leeft zich cognitief en emotioneel in om zijn zwakke plek te kunnen vinden, en uit te buiten.

We zeggen vaak dat psychopaten geen empathie kennen. Maar uit mijn contacten met deze mensen weet ik dat zij dikwijls erg empathisch zijn. Juist hun vermogen zich in hun slachtoffers in te leven maakt ze zo gevaarlijk.”

Maar we weten toch dat pesten anderen kwetst, pijnigt. Die wetenschap zou ons er toch van moeten doen afzien.

„Nu spreekt u over wat wij traditioneel gezien onder moraal verstaan. Ons geweten zegt ons dat pesten kwetst, dat kwetsen slecht is en dus afkeurenswaardig. Deze gedachtengang zou ons ervan moeten weerhouden anderen te kwetsen. Doen we dit, dan handelen we volgens de beginselenmoraal, ons enige morele systeem dat zeer rationeel is.”

Moet deze beginselenmoraal de andere moraalsystemen niet overheersen?

„Het is naïef te denken dat dit altijd mogelijk is. We kunnen bijvoorbeeld hopen en verwachten dat rechters zich zonder uitzondering laten leiden door beginselen en niet door emoties. Een van die beginselen luidt: behandel iedereen gelijk. Maar geldt dit ook voor een pedofiel van wie je weet dat hij een vijfjarige kleuter heeft aangerand?

Denken we maar aan artsen die moeten omgaan met gedetineerden. Zijn zij eenmaal op de hoogte van ernstige feiten uit de dossiers dan is het niet makkelijk een gedetineerde zuiver professioneel te benaderen. Het valt hen soms al moeilijk zo’n gedetineerde een hand te geven.”

Kan me voorstellen. Ik zou ook een zekere afkeer moeten overwinnen.

„Ik spreek van morele walging, dat is een zeer sterke emotie, die niets met de beginselenmoraal van doen heeft maar thuishoort in een ander emotioneel moreel systeem: de reinigingsmoraal. Willen wij de jas dragen van Josef Fritzl, de man die zijn dochter vierentwintig jaar misbruikte? Zouden we een gezellige wijnkelder van zijn gruwelkelder kunnen maken? Een reinigingsmoraal ontstaat wanneer gevoelens van walging gekoppeld worden aan culturele opvattingen over goed en kwaad.

In België hebben we de reinigingsmoraal aan het werk gezien ten tijde van de Dutrouxzaak, de witte marsen waren een symbool van zuivering. Maar nazi-Duitsland toonde ons de duistere kant van deze reinigingsmoraal, doordat de nazi’s erin slaagden hygiëne te koppelen aan de Joden, met alle bekende zuiveringsmaatregelen als gevolg. Al vrij vroeg mochten ariërs het zwembad niet meer delen met Joden. We weten allen hoe het geëindigd is. Maar ook de zuiveringswetten van ná de Tweede Wereldoorlog passen binnen deze moraal. Een reinigingsmoraal schrijft voor dat er eerst een zuivering moet plaatsvinden voordat het oude leven weer kan worden voortgezet.”

Wat moeten we met al deze morele systemen?

„Ik heb het in mijn boek niet zozeer over de geest van de ethiek, over de vraag hoe we zouden moeten handelen, maar over het vlees van de moraal. Wie daarnaar kijkt, ziet dat ons morele handelen vaak berust op biologische, automatische en emotionele processen. Pas als je je bewust wordt hoe diep die verschillende morele systemen in ons verankerd zitten, kun je begrijpen waarom het zo moeilijk is ons te houden aan allerlei morele beginselen.

Wanneer we onze emotiemoralen niet loochenen maar begrijpen, zal de ethiek van de toekomst een beter evenwicht vinden tussen emotie en rede. Alleen door een beter begrip van onze buikmoraal zijn we in staat om voorrang te verlenen aan onze hoofdmoraal. En misschien weten we dan onze neiging om te pesten te onderdrukken. Maar beweer niet dat ouderen geen moreel besef hebben. Dat hebben we allemaal.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden