Review

Behalve een warmbloedige kameraad was Gorter ook een scherpslijper

Herman de Liagre Böhl: Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd. Herman Gorter 1864-1927. Balans, Amsterdam; 560 blz. ¿ 85.

Ook Herman Gorter, de begaafdste dichter onder de Tachtigers, heeft zo'n onvergetelijke versregel op zijn naam staan; 'Een nieuwe lente en een nieuw geluid'. Het is de overbekende beginregel van de 'Mei', het sprankelende epische gedicht over natuur, jeugd en liefde waarmee hij in 1889 debuteerde. Ruim een eeuw nadat Gorter ze aaneenzong, is dit handjevol woorden zo totaal ingeburgerd dat wij dagelijks op de Ster-reclame een nieuw lentebiertje krijgen aangeprezen met de spiritiueuze variant: “Een nieuwe lente, een nieuwe Grolsch.”

Het is tekenend voor Gorters ontwikkeling en nawerking dat nota bene de eerste dichtregel die hij ooit publiceerde zijn bekendste geworden is. Zijn roem als dichter is immers in hoofdzaak gebaseerd op zijn magistrale jeugdwerk, waartoe behalve de 'Mei' ook de één jaar later verschenen bundel 'Verzen' gerekend moet worden. Alles wat Gorter tot Gorter maakt - het jeugdige en vitale, het ontvankelijke en geëxtalteerde, zijn natuurmystiek, zijn estheticisme en linguïstische non-conformisme - ligt in deze beide bundels in perfect samenspel besloten.

Na 1890 keerde hij zich af, net als zijn bentgenoten Frederik van Eeden en Albert Verwey trouwens, van de individualistische kunstopvattingen van de Tachtigers. Op zoek naar een hechter levensbeschouwelijk fundament en een nieuwe inspiratiebron zocht hij zijn heil aanvankelijk in de rationalistische dogma's van Spinoza en daarna in de theorieën van Karl Marx. Vanaf zijn toetreding tot de SDAP in 1897 tot aan zijn dood in 1927 zou hij als radicaal en orthodox marxist een eminente rol spelen in het Europese socialisme.

Zijn poëzie uit deze latere levensfase draagt daar de sporen van. Zij handelt, in steeds mystieker bewoordingen, over proletariaat en klassenstrijd, de 'gouden Menschheid' der toekomst en de vaak als geliefde gepersonifieerde 'Geest der Nieuwe Muziek'. Zowel tijdgenoten als latere generaties zijn het er over eens dat dit latere, zeg maar doctrinaire werk, al zijn er wel degelijk nog parels uit te vissen, de bundelbrede spankracht en perfectie van 'Mei' en 'Verzen' ontbeert.

Van de historicus en politicoloog Herman de Liagre Böhl verscheen deze week een biografie van Gorter, getiteld: 'Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd. Herman Gorter 1864-1927'. Het boek werd niet ontoepasselijk eergisteren, op de dag van de arbeid dus, gepresenteerd. Laat ik maar direct zeggen dat ik het een voorbeeldig, vakbekwaam geconcipieerd en glashelder boek vind. Böhl beschikt over een aangenaam rustige, nergens zweverig wordende betoogtrant en weet daarmee het geëxalteerde leven en dichterschap van Gorter mijns inziens precies de juiste contouren mee te geven.

Gorter was zes toen zijn vader, een doopsgezind predikant die om gezondheidsredenen overstapte naar de journalistiek, aan tbc overleed. Hij heeft deze evenwichtige man zijn leven lang vereerd, niet in de laatste plaats, zo mag men aannemen, omdat hij zelf met zijn regelmatig terugkerende depressies, zo evenwichtig niet was. Zijn moeder, die hij zo mogelijk nog meer adoreerde, vestigde zich als pensionhoudster op de Amsterdamse Amsteldijk en wist haar drie kinderen ondanks haar beperkte middelen een uitstekende opvoeding en opleiding te geven. Als gymnasiast ontwikkelde Gorter een levenslange voorliefde voor sporten als cricket, voetbal en tennis. Hij was aartsfanatiek en kon slecht tegen zijn verlies. Volgens Henriëtte Roland Holst was hij voor elke belangrijke cricketmatch dan ook zo nerveus dat hij altijd wat kalmerende drankjes of Valeriaan bij de hand hield.

In 1883 schreef hij zich in als student klassieke talen. Tijdens zijn studie raakte hij zeer onder de indruk van de Tachtigers, die net in die jaren groots en meeslepend aan het doorbreken waren. Met hun werk en idealen voor ogen werkte hij gedurende twee jaar als bezeten aan de 'Mei'. Later zou hij over die periode verklaren: “Nooit heb ik daarna die zelfde felle scheppingsdrift, die mij tot voortdurend doorwerken aan dat gedicht dwong, weer gekend.”

Gorter werd jubelend de kring van Tachtig binnengehaald en met een fanaticiteit en volgzaamheid die hem zijn leven lang is blijven kenmerken maakt hij zich nu het radicale estheticisme en sensitivisme van met name Van Deyssel eigen. Dit leidt vrijwel direct tot een nieuwe bundel: 'Verzen'. In een tot de uiterste toppen opgevoerde zintuigelijkheid verklankt hij hierin de gefragmenteerde indrukken die de hem omringende werkelijkheid op hem maakt. Dat leidde in extreme gevallen tot een ware woord- en lichtrazernij:

Teeder beginnen en glimlachend blinken, lichtkens verrijzen, weigren te versterven, zekerlijk lachen en lichtblijde blinken, wenken en vlieden, vliedend omziend, wimprend wilgen van licht, linten van licht, wit zilvren wateren licht, fleemlicht, zichten rillicht, scheeden en bajonnetten licht,- lichtarmee.

In dit fascinerende, maar bandeloze geassocieer, deze in extatische woordlinten vervatte, diep verinnerlijkte uiterlijkheden moest Gorter wel vastlopen. Zelf karakteriseerde hij zijn sensitieve periode later aldus: “Ik liep een jaar rond met een licht hoofd en rare oogen (. . .). Mijn gezondheid leed er diep onder. Het was een litteratuurziekte in me.”

Gorter kende in dit crisisjaar ook twijfels ten aanzien van zijn voorgenomen huwelijk met Wies Cnoop Koopmans en was alvast maar een verhouding begonnen met een nicht van haar. Door kordaat ingrijpen van zijn moeder vond het huwelijk toch doorgang. Wies overleed in 1916; het huwelijk bleef kinderloos. De escapade met Wies' nicht stond niet op zichzelf. Gorter bleef zijn leven lang een onverbeterlijke rokkenjager. Hij had bovendien tot aan zijn dood twee langdurige relaties met voormalige bijlesleerlingen: Ada Prins en Jenne Clinge Doorenbos. De verhouding met Ada begon in 1900, die met Jenne in 1911. Jenne was zonder twijfel Gorters grote liefde. Ada heeft nooit iets van hun relatie geweten. Zij kwam er pas achter toen zij Jenne ontmoette op Gorters crematie; de waarheid kwam voor haar extra hard aan toen bleek dat Gorter Jenne tot zijn enige erfgename had benoemd.

Gorter bezwoer de crisis van 1890 door zich te storten op Spinoza. Het gaf hem rust en inzicht, maar leverde onmogelijke, geforceerd wijsgerige poëzie op, zoals de bundel 'De School der Poëzie' uit 1897 bewijst. Hij besefte dit zelf ook en belandde opnieuw in een crisis: 'O God! ik sta aan den verkeerden kant./ ik ga te gronde./ Mijn liefde gaat verloren.' Een overmaat aan liefde: voor de vrouw, de natuur, de gemeenschap, heeft hem in zijn leven talloze geluksmomenten, maar evenzovele depressies bezorgd.

Gorters bekering tot Marx sloot nauw aan bij zijn behoefte aan leerstelligheid en wereldomvattende liefde. Gedurende dertig jaar betoonde hij zich een gedreven propagandist, journalist, spreker en financier van de socialistische beweging. Hij schreef talrijke brochures en pamfletten en onderhield persoonlijke contacten met topfiguren als Victor Adler, August Bebel, Jean Jaurès, Rosa Luxemburg, Karl Liebknecht, Karl Kautsky en anderen. Hij heeft zelfs Lenin enkele malen ontmoet.

Hij groeide dan ook uit tot een algemeen gerespecteerde, maar toch ook controversiële publieke figuur. Want behalve een warmbloedige kameraad was Gorter in ideologische kwesties ook een bikkelharde scherpslijper. Zijn radicalisme leverde hem talrijke conflicten op en kostte hem zijn beste vrienden. Na eindeloos gekrakeel met de 'revisionist' Troelstra en diens aanhang verliet hij in 1909 de SDAP en sloot zich aan bij de veel radicalere SDP. Tien jaar later, na alweer een reeks publiekelijk uitgevochten ruzies, werd hij lid van de KAPN, een splinterpartijtje waarin enkele honderden Nederlandse 'radencommunisten' de gebedsmolen draaiden boven de meest orthodoxe stellingen van hun leermeester Marx.

Er schuilt een enorme tragiek in Gorters politieke en dichterlijke handel en wandel in de tweede helft van zijn leven. Met tomeloze inzet zocht hij het heil van een mondiaal in goud gevatte mensheid om ten slotte in de duistere spelonken van het sektarisme uit te komen. Als dichter droomde hij van een visionair socialistisch epos van wereldomvattende allure, maar het leverde hem slechts het gortdroge en uit zijn krachten gegroeide gedicht 'Pan' op.

Ook zijn andere socialistische epische gedichten zijn, Gorters kosmische ambities en oprecht idealisme ten spijt, poëtisch gezien goeddeels mislukt. Wat dat betreft moet je wel concluderen dat Gorter als dichter gaandeweg hopeloos is versteend. Deze mening wordt door Böhl overigens niet, of in elk geval niet voluit onderschreven. Hij erkent dat Gorters ambitieuze epische gedichten 'vaak futloos en clichématig' zijn, maar hij breekt nadrukkelijk een lans voor de korte lyrische gedichten die Gorter ook is blijven schrijven, waaronder de pal voor zijn dood voltooide bundel 'Sonnetten'.

Als bewonderaar van de 'Sonnetten' bevindt Böhl zich in het goede gezelschap van A. Roland Holst, die ze als 'prachtige flonkerende brokken ruw erts' typeerde. Voor deze gelegenheid echter wil ik toch ook even Vestdijk aanhalen, die diezelfde 'Sonnetten' 'lomp als onbehouwen graniet' noemde. Ik geef graag toe dat er onder Gorters latere lyrische gedichten nog heel wat moois schuilt, maar toch weer niet zo veel dat dat Böhls slotconclusie: Gorter is 'zijn leven lang een eminent dichter gebleven', geheel rechtvaardigt. Maar hierover wil ik verder niet redetwisten, daarvoor vind ik Böhls boek veel te goed. Ik wil ook nog wel toegeven dat ik het fragment waaraan Böhl de titel van zijn boek heeft ontleend, nota bene een passage uit 'Pan', net als hij heel ontroerend en prachtig vind. Hier komt het, als slotwoord:

Met al mijn bloed heb ik voor u geleefd, O poëzie, en, nu het sterven nader komt, Nu wil ik het u nog eens eenmaal zeggen. Als kind voelde ik u reeds, o poëzie, Niets kan ik mij herinn'ren of gij waart Er in. De wederschijn van mijn gedachten, Die ik bewust werd in alle, waart gij. Het zoete zeegefluister, Moeder's stem, De gang van mijne kameraden, 't licht Der wereld. 't Loopen der menschen. De nacht. Alles was mij alleenig iets om u. - 't Was ook om u, dat ik heb liefgehad. - Niets was mij liefde zelve dan om u. Niets was mij het diepste genot van 't lijf, Niets was mij der vrouwen donkere schoot, Niets het vergetend offren van mij zelf, Dan omdat ik diep daar in haren schoot, Diep in het eindeloos vergeten zijn Niets vond dan u, - u, u, o poëzie.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden