Review

Beekman geeft knappe aanvulling op Nieuwenhuys

Wie in ons land geïnformeerd wil worden over de Nederlands-Indische bellettrie komt als vanzelf uit bij het werk van Rob Nieuwenhuys, en dan in het bijzonder bij zijn handboek, getiteld 'Oost-Indische Spiegel', waarin een overzicht wordt gegeven van de duizenden boeken, die er over Nederlands-Oost-Indië in de loop der tijden zijn verschenen.

JOOP VAN DEN BERG

Het is nog steeds enig in zijn soort, maar niet meer leverbaar en het moet antiquarisch nog altijd zo'n 175 gulden opbrengen. Dat de Indische letterkunde, die vreemde loot aan de Nederlandse literaire stam, zich een plaats van betekenis verwierf is grotendeels de verdienste van Nieuwenhuys.

Omdat een mens nu eenmaal zijn eigen oordeel in de regel graag wil toetsen aan dat van anderen, werd de roep om een andere of nieuwe 'Oost-Indische Spiegel' steeds luider. Welnu, die is er nu. De auteur is professor dr E. M. Beekman. Hij was jarenlang docent aan de Amerikaanse universiteit van Massachusetts.

Beekman, van oorsprong een 'Indische' jongen, werd in 1979 de initiator van een 12-delige reeks, de 'Library of the Indies', waarin de twaalf belangrijkste werken in een Engelse vertaling verschenen. Ieder deel kreeg van Beekman een inleiding mee, die destijds al opviel door de grote kennis van zaken en helderheid.

In 1996 publiceerde Beekman in Amerika een overkoepelende studie, getiteld 'Troubled pleasures', een zeer lijvig boek waarin de zestien belangrijkste Indische auteurs in een vergelijkend kader werden geplaatst. Onlangs verscheen daarvan de Nederlandse vertaling, getiteld 'Paradijzen van weleer - koloniale literatuur uit Nederlands-Indië 1600-1950' voor een prijs die ongeveer een derde bedraagt van de Oxford-editie.

Het boek, 735 pagina's groot, voorbeeldig uitgegeven, in soepel Nederlands vertaald, werd opgedragen aan die andere kenner: Rob Nieuwenhuys. In de inleiding schetst Beekman meteen al de verschillen en overeenkomsten met de 'Oost-Indische Spiegel'. Nieuwenhuys, zo betoogt Beekman, had een publiek dat een aantal literaire, sociale en historische feiten kende, en dus kon hij zich bepalen tot een Nederlands referentiekader.

Hijzelf moest die stof verklaren voor Amerikaanse studenten, zonder die genoemde voorkennis, en had het dus aanzienlijk moeilijker maar hij had tevens, zo zegt hij, 'meer speelruimte', omdat hij kon terugvallen op de rijke Angelsaksische literatuur en de wereldliteratuur om een aantal ideeën van hem toe te lichten. Beekman doet dat dan ook gretig en uitgebreid, wat voor de Nederlandse lezer weer een minpuntje is, omdat in de regel onze kennis van Angelsaksische koloniale literatuur meestal niet verder gaat dan Kipling, Conrad of Stevenson. Als Beekman de schrijver Rumphius een 'tropische Thoreau' noemt “wiens geestdrift werd getemperd door een emmersoniaans geduld” veronderstelt dat bij de lezer een grondige kennis van de westerse literatuur.

Maar Beekman vraagt zelfs nog meer van de lezer. Zo is hij een groot aanhanger van de Russische literatuurwetenschapper Mikhail Bakhtin, die dan ook het meest geciteerd wordt. Hoewel hij toegeeft dat bepaalde theorieën van Bakhtin 'verbijsterend ingewikkeld' zijn, verwijst hij veelvuldig naar hem.

'Paradijzen van weleer', het kan niet anders gezegd worden, veronderstelt ook een grondige kennis van de literatuurwetenschap, al moet ik daarbij aantekenen dat de toepassing aan Angelsaksische schrijvers en wetenschappers gaandeweg steeds minder wordt en bij de behandeling van de schrijvers van de 20ste eeuw niet meer zo'n prominente rol speelt, veel minder althans dan bij het werk van Valentijn, Rumphius en Junghuhn. Bij Friedericy bijvoorbeeld in het geheel niet, bij Kartini slechts een keer.

Natuurlijk vergelijkt Beekman het werk van Daum en Tjalie Robinson wel met de Amerikaanse auteurs van het Diepe Zuiden, Faulkner, Carson McCullers, Tennessee Williams, maar dat is wat anders, en het doet je als Nederlandse lezer goed te vernemen dat Didi, een vrouwenfiguur uit een verhaal van Tjalie Robinson genoeg gewicht heeft om te worden vergeleken met Caddy uit Faulkners 'The sound and the fury'.

Dat Beekman een, weliswaar geleerd, maar ook een verhelderend en komeetachtig spoor trekt door het werk van veel Indische auteurs is zonneklaar. Hij wijst ons op tal van aspecten die niet eerder zo duidelijk werden belicht: bijvoorbeeld, het veelvuldig duelleren bij Daum, Du Perrons hang naar zijn 'huizen van weleer', Walravens unieke talent bij de beschrijving van 'dode' stadjes.

Jammer is wel dat de oorspronkelijke titel 'Troubled pleasures', waarvan 'troubled'/'verstoord' het kenwoord is, is vervangen door het wat gladde 'Paradijzen van weleer'. Al met al een indrukwekkend werk dat waarmaakt wat Beekman in zijn voorwoord schrijft, namelijk dat de 'Nederlandse koloniale literatuur veel vernieuwender was dan men tot nu toe vermoedde'.

De 'Oost-Indische Spiegel' van Rob Nieuwenhuys heeft na een kwart eeuw een waardige tegenspiegel gevonden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden