Review

Barbaren en hun menslievendheid

“Theologisch is het helemaal niet vreemd dat een barbaar - een vreemdeling bij uitstek - aan schipbreukelingen buitengewone menslievendheid bewijst. Dat zou wel eens kunnen betekenen dat voor de moraal wij het van de vreemdeling moeten hebben.” Afgelopen vrijdag nam hoogleraar ethiek Gerrit Manenschijn afscheid van de Theologische Universiteit Kampen met een rede, die hier verkort is weergegeven. Gerrit Manenschijn, 'Barbaren en hun buitengewone menslievendheid'; Uitg. Kok, 144 blz., ¿ 29,50. 'Niet onder stoelen of banken'. In discussie met de ethicus Gerrit Manenschijn; Uitg. Ten Have, ¿ 34,90.

Dat geldt zeker van de vertaling van Handelingen 28,2, want hoe die ook luidt, altijd verraadt de vertaling de interpretatie. Dat is mede het gevolg van de bijzondere betekenis van 'barbaar'. Dat woord heeft bij ons een ongunstige klank. De Grote Van Dale geeft als eerste betekenis: buitenlander, vreemdeling, en voegt er aan toe dat dit de betekenis is die Grieken en Romeinen aan 'barbaar' gaven.

De tweede, hedendaagse betekenis is: woest, onbeschaafd mens, iemand zonder besef van zedelijke waarden, dan wel zonder smaak of gevoel. Als we vertalen met 'en de barbaren bewezen ons buitengewone menslievendheid', lijken we te stuiten op een contradictio in terminis, want hoe kunnen nu mensen zonder besef van zedelijke waarden hoogzedelijk gedrag aan de dag leggen, namelijk door anderen buitengewone menslievendheid te bewijzen? Wie een hedendaagse vertaling wil leveren lijkt aangewezen te zijn op zoiets als 'en de inlanders bewezen ons buitengewone menslievendheid'.

Toch staat er in het Grieks 'barbaren' en ook tóen reeds was dat een term die gemengde gevoelens opriep. Is wellicht de uitspraak paradoxaal bedoeld?

Die mogelijkheid wordt ondersteund door de aloude Statenvertaling: 'Ende de Barbaren bewesen ons geen gemeyne vriendelickheyt' met daarbij de aantekening: 'Alsoo noemden de Griecken ende Romeynen alle andere natien, die van de hare niet en waren, van wegen hare vreemde zeden ende onbekende talen die sy spraken'. De aantekening getuigt van kennis van zaken, want die spreekt van 'vreemde zeden' en niet van 'zonder besef van zedelijke waarden'. Wie 'vreemde zeden' beoordeelt vanuit de eigen, vertrouwde zeden, komt gemakkelijk tot het vooroordeel dat vreemde zeden van een lager niveau zijn. Als echter gezegd wordt dat mensen met 'vreemde zeden' aan buitenlanders buitengewone menslievendheid bewijzen, komen die 'vreemde zeden' in een heel ander daglicht te staan. Dan zijn ze misschien wel humaner dan de onze.

Ik zou mij hier in het bijzonder willen richten op de morele positie die in Handelingen 28,1-6 tegenover barbaren wordt ingenomen. Mijn voorstel daarbij is om Handelingen 28,2 te lezen in het grotere geheel van Handelingen 27,1 tot 28,10 en daarbij Paulus' zeeavontuur te interpreteren als een gevaarlijke Odyssee in het Middellandse-Zeegebied. Wie immers in de Oudheid in een zeestorm terecht kwam en schipbreuk leed, moest maar afwachten hoe hij werd opgenomen als hij op een onbekend eiland aanspoelde, menslievend of meedogenloos, meestal meedogenloos.

Zwerftocht

Dat wij een zwerftocht met onzekere bestemming een Odyssee noemen is te danken aan de Griekse volksheld Odysseus van Homerus. Telkens wanneer Odysseus op zijn zwerftocht door het Middellandse-Zeegebied in nood geraakt en voor zijn behoud aangewezen is op de hulp van vreemde mensen op onbekende eilanden, is zijn bange vraag 'of het een wild en onbeschaafd volk is dat god noch gebod kent,/ dan wel zijn gasten behoorlijk ontvangt en godvrezend van aard is'.

Op de komst van de vreemdeling blijken twee soorten reacties mogelijk te zijn: éé vol genereuze gastvrijheid en één vol vreemdelingenhaat. Degenen die jegens vreemdelingen haat koesteren blijken ook de goden te verachten en zich aan geen moraal te storen, en dát is precies hun onmenselijkheid. Mens-zijn wordt beschreven in religieus-zedelijke termen. God en gebod zijn niet los van elkaar verkrijgbaar.

Het zeeavontuur van Paulus vertoont overeenkomst met de Odyssee van Homerus. Behalve de realistische schildering van een zeeavontuur is de overeenkomst dat zowel in de Odyssee als in Handelingen 27 het gebod tot gastvriendschap een goddelijk gebod is. De oppergod Zeus beschermt de vreemdeling. Dat herinnert aan de bijbelse uitdrukking dat de Eeuwige de God is van de vreemdeling, de weduwe en de wees. Daarmee krijgt het gebod de vreemdeling lief te hebben goddelijk gezag. Aan dit goddelijk gebod houden zich de barbaren van Malta met hun vreemde zeden.

Zij worden zelfs getekend als ongeciviliseerde mensen vol bijgeloof. Ze zien in een slang een instrument van de wraakgodin Dikè en in Paulus eerst een moordenaar maar later, als hij immuun blijkt te zijn voor de slangebeet, een god. En Paulus doet daar niets tegen!

De kern van dit verhaal is dat het stereotiep dat vreemde volken ruwe zeden hebben en niet tot menslievendheid in staat zijn, als een hooghartig vooroordeel wordt aangemerkt. Hoe bijgelovig ook, hoe heidens ook, hoe ruw van zeden ook, hoe onbekwaam ook zich uit de drukken in de lingua franca van die tijd, barbaren zijn toch maar in staat tot het allereerste gebod van elke moraal: ieder mens als een naaste te zien die men behoort lief te hebben. Zij beroven de schipbreukelingen niet van hun schamele bezittingen, maar bieden hun de verzorging die zij op dat moment hard nodig hebben.

Paulus spreekt over heidenen, die niet de thora hebben, maar wel doen wat de thora gebiedt. Dat doen ze 'van nature'; zij zijn zichzelf tot wet. Met deze constatering verwijst Paulus naar de traditie van de morele natuurwet, de lex naturalis. Er is maar één morele wet, die op twee verschillende manieren is bekend gemaakt, aan de Joden in de vorm van een geschreven wet (de thora), aan de heidenen in de vorm van een ongeschreven wet (de natuurwet). Paulus heeft die verwijzing naar de natuurwet nodig om de heidenen, evenzeer als de Joden, schuldig te kunnen verklaren voor God. Dit beroep op de natuurwet is echter geplaatst in een kader van schuld vóór en gericht dóór God, welk kader ten enenmale ontbreekt in het Griekse denken over de natuurwet. Dat is een principieel verschil.

Aan de andere kant staat Paulus' redenering er garant voor dat ware kennis van goed en kwaad niet aan gelovigen is voorbehouden, maar toegankelijk is voor alle mensen. Theologisch is het helemaal niet vreemd dat een barbaar - een vreemdeling bij uitstek - aan schipbreukelingen buitengewone menslievendheid bewijst. Dat zou wel eens kunnen betekenen dat voor de moraal wij het van de vreemdeling moeten hebben.

In Amsterdam is onlangs een multi-culturele kerkendag gehouden, en als ik gebruik maak van het Amsterdamse openbaar vervoer vang ik tal van talen op die ik wel herken maar niet versta: Russisch, Arabisch, Papiamento, Japans, Koreaans, Chinees, Indonesisch en vooral verschillende Afrikaanse talen.

Onverstaanbare taal

Dat is het barbarendom in zijn oorspronkelijke betekenis: een vreemde, onverstaanbare taal sprekend. Maar ook in de latere betekenis: vreemd, anders, andere zeden en gewoonten hebbend. De 'barbaar' van Handelingen 28,2 bevindt zich niet meer aan de rand van de westerse beschaving, maar zit er midden in.

De GPV-senator Kars Veling heeft onlangs gezegd dat iemand die in de hoofdstroom van de cultuur staat - en dat is in Nederland een neoliberale hoofdstroom - gevaar loopt de waarde van subculturen te meten met maatstaven die in de hoofdstroom als vanzelfsprekend gelden. Ik meen dat Veling gelijk heeft. Allochtonen worden onwillekeurig gezien als vreemdelingen die zo snel mogelijk moeten worden ingepast in de liberale hoofdstroom van onze cultuur.

Ik denk dat het goed is daar een andere opvatting tegenover te zetten, namelijk dat vreemdelingen vreemd mogen blijven. De oproep om de vreemdeling in ons midden in zijn anders-zijn te accepteren, gaat altijd uit naar de dominante cultuur, en wel omdat die de mogelijkheden en de middelen heeft om vreemdelingen aan de overmacht van haar eigen waarden en normen te onderwerpen. Die kunnen in eigen ogen voortreffelijk zijn, maar juist daarin schuilt een gevaar, namelijk dat voor een geciviliseerde samenleving, die anti-discriminatie hoog in het vaandel voert, het probleem is dat zij, in haar morele gedrevenheid, geen recht doet aan de normen en waarden van subculturen.

Wij kunnen niet de pretentie hebben dat ónze normen en waarden de beste zijn. Het is niet vanzelfsprekend dat de in onze publieke moraal vastgelegde normen over euthanasie, abortus en drugsbeleid beter zijn dan die van andere culturen. De opvatting dat waarden en normen superieur zouden zijn omdat ze 'progressief' zijn en 'bij de tijd', getuigt van zowel politieke naïviteit als morele arrogantie. Of die normen superieur zijn zal in de toekomst moeten blijken. In de tussentijd kan van orthodoxe Joden, moslims en christenen niet worden verwacht dat zij een homohuwelijk gelijk stellen aan een heterohuwelijk of staan te juichen bij het Nederlandse drugsbeleid, hoe 'paars' zich daarop ook laat voorstaan.

Als voor een geciviliseerd land iets een verleiding is, dan wel de gedachte dat het moreel gidsland zou moeten zijn. Want dan is de moraal van de anderen per definitie van een lager niveau.

De theologie, met name de reformatorische theologie, deelt met realistische antropologen en filosofen het inzicht dat de mogelijkheden van de mens om moreel te handelen niet moeten worden overschat.

Gelovigen blijven te vaak beneden de maat van het radicale principe dat voor God alle mensen gelijk zijn. Hij doet het regenen op rechtvaardigen en onrechtvaardigen en vraagt van ons dat wij in het betonen van naastenliefde zelfs voor vijanden geen uitzondering maken.

Maar op de vraag: 'Waarom zou ik het goede doen jegens allen?' is het antwoord niet: 'Omdat dat goed of voordelig is voor mij', ook niet: 'Omdat ik dat zelf wel kan uitmaken', of nog trivialer: 'Omdat de politiek dat uitmaakt', maar: 'Omdat een norm die boven alle berekening, overlegging en ervaring uitgaat en waarvan ik geloof dat die van God komt, mij dat gebiedt'.

Het hoogste gezag van de moraal valt niet te funderen, maar fundeert, omgekeerd, mijn morele verhouding tot alle mensen. Enkel op dit punt levert de theologie een unieke bijdrage aan de ethiek. Hierin en alleen hierin onderscheidt een ethiek van christenen zich principieel van een ethiek van humanisten en atheïsten.

Over de inhoud van de moraal en over de morele praktijk hoeft met hen geen dispuut te ontstaan, want één van de dingen die de bijbel ons telkens weer voorhoudt is dat in menslievendheid niet-christenen bepaald niet onderdoen voor christenen. Zelfs barbaren zijn ons ten voorbeeld gesteld in het betonen van buitengewone menslievendheid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden