Archief: Willem Breuker en zijn mensenmuziek

Je ne sais pas si j'ai une carriere musicale mais c'est une tres longue histoire parce que, depuis que j'ai conscience d'exister, la musique a toujours ete ma principale preoccupation. (Fevrier 1984).

Waarom hier nou in het Frans moet staan dat de Nederlandse muzikant Willem Breuker sinds z'n eigen mensenheugenis al van muziek bezeten is? Omdat het boek 'Willem Breuker', dat Francoise en Jean Buzelin over hem schreven en dat vorig jaar in Frankrijk verscheen, nog in het Nederlands moet uitkomen. Een vreemde omweg misschien, maar ach, ook Rembrandt werd in z'n moederland pas alom gerespecteerd nadat de Fransen en Duitsers hem hadden herontdekt.

Van tevoren wil hij weten waar het interview eigenlijk over gaat. “Toch niet over spruitjes he! En ook niet over Sarajevo!” Hij is pas gerustgesteld als hij hoort dat het gesprek maar over muziek zou moeten gaan. Alhoewel, het socialisme speelt daarin meteen een niet onaanzienlijke rol. Dus eerst maar: gaat hij stemmen?

Breuker veert op, hij is zichtbaar verstoord en vertoornd door zo'n peilloos domme vraag. “Ja allicht. PvdA natuurlijk. Er is, voor zover mijn verstand reikt, geen alternatief. Ook in moeilijke tijden moet je de partij steunen, misschien juist dan.”

Breuker komt uit een Amsterdams en socialistisch gezin, waarin hij al vroeg van muziek ging houden. Voor acht tientjes bemachtigde hij ooit een alt-sax, waarmee hij zijn optocht van instrumenten opende. Al snel volgden een sopraan-sax, een klarinet en een piano van 200 gulden. Als jongen blies hij mee in de harmonie van Tuindorp-Oostzaan, niet omdat hij verzot op harmonie-orkesten was, maar doordat hij zo gemakkelijk aan een basklarinet kon komen. Het was eigenlijk heel ondankbaar werk, dat meespelen in een harmonie, zeker voor een basklarinettist. “Je hoort 'm niet goed en hij dubbelt vaak met andere instrumenten. Het was elke 5 mei, elke Koninginnedag, elke 5 december soppen van het Centraal Station naar het Olympisch Stadion. Dat hele klere-end, minstens anderhalf uur, door wind en regen en in zo'n apepakkie. Je kon natuurlijk niet te vaak je snor drukken he, maar goed, ik had een basklarinet tot m'n beschikking.”

Als hij op de lagere school vertelde componist te willen worden, werd hij uitgelachen. “O, net zo iemand als Beethoven zeker! Ach, ze kenden maar een componist en ze wilden allemaal piloot, stewardess of verkoopster bij de HEMA worden.”

Tot z'n eigen verbazing trokken 'die kromme noten van mij' aandacht, werden zijn composities uitgevoerd en won hij er zelfs prijzen mee. Hij sprong van instrument naar instrument en trad in binnen- en buitenland op. Op verzoek van z'n ouders volgde hij tussendoor de avondkweekschool, maar dat hij ooit nog eens onderwijzer zou worden, daar heeft niemand veel geloof aan gehecht. Even had hij ook nog een administratieve betrekking bij het gemeentelijk Centraal Bureau Herhuisvesting, die hij opzegde op de gedenkwaardige dag waarop bleek dat hij van muziek kon leven. Er waren maanden dat hij meer verdiende dan z'n eigen vader, daar schaamde hij zich destijds voor.

Breuker is niet bepaald een mensentype dat met een stille trom binnenkomt of vertrekt. In 1966 tetterde hij op het jazzconcours van Loosdrecht Nederland in de oren dat hij bestond en dat daar met ingang van heden rekening mee gehouden diende te worden. “We kwamen daar met een zootje schorem van 24 blazers aanzetten. Een enorme stampei werd het, met juryleden die elkaar aanvlogen, hoe wij het waagden om politiek met muziek te verbinden. Muzikanten declameerden kranteartikelen in mijn compositie 'Litanie van de 14e juni 1966' naar aanleiding van het bouwvakoproer. Het was in zo'n botenloods, met zogenaamde swingmuziek en cocktailvolk van het type Pim Jacobs. Vanaf dat moment wist iedereen wie ik was; het enfant terrible van de Nederlandse muziek. Nog steeds kan Drs P. bloedheet van woede op me worden. In elk interview zegt dat fossiel opnieuw dat hij aan drie mensen een bloedhekel heeft: Freek de Jonge, Jan Blokker en aan mij. Aangezien ik op de knipseldienst geabonneerd ben, krijg ik dat elke keer weer onder ogen. Het is niet te geloven, jaar in jaar uit. Hij heeft een keer ergens een klok horen luiden en begint dan zijn aderverkalkte woede weer te spuien.”

Kom maar niet aan met een classificatie van zijn muziek. Vanaf den beginne had hij nou eenmaal 'volkomen andere ideeen' over muziek dan de gangbare, en het valt hem nog steeds moeilijk die uit te leggen. Als er dan al een typering gezocht moet worden, houdt hij het op 'mensenmuziek', dat schiet ten minste op. “Naar Gerard Reve ja, die het over 'weer van alle mensen' heeft. Dat is trouwens grappig: mijn moeder is over de tachtig, en ze verslindt Reve. Ze gaat daar in een bloedvaart doorheen en heeft helemaal geen moeite met de homoerotische passages. Het is ook met zo veel liefde en overtuiging geschreven he, dan mag het ook best provocerend zijn. Iedereen zal wel met die fantasieen rondlopen.”

De muziek van Breuker heeft ook een zekere verwantschap met het werk van Reve. Beide kunstenaars vinden elkaar in oprechtheid, fierheid, eigenhandig bevochten en gedeeltelijk gespeelde onverschrokkenheid, puurheid, vaart & gedrevenheid en bovenal: lichtheid en dus humor. De typering 'mensenmuziek' kon wel eens heel trefzeker uit de lucht zijn geplukt. Moest je zien en horen hoe Breuker met zijn gelijknamige Kollektief op het traditionele Sinterklaasconcert in de Amsterdamse Stadsschouwburg al binnen de eerste zes minuten het publiek op de knieen kreeg! Klein en groot, jong en oud, geen gezeik: iedereen tijdelijk verlicht en verrijkt. Breuker staat daar op het podium, het linkerbeen - waarmee hij stampvoetend dirigeert - iets voor het rechterbeen, als een levende versie van Mari Andriessens Dokwerker. Degeen die zich niet door Breukers blazers laat meeslepen moet wel uit houtwol zijn samengesteld. En dus brulde de hele schouwburg die vijfde december met Albert Mol (die ziek maar telefonisch aanwezig was) het in g mineur getoonzette Loflied op de Knakworst mee:

Knakworst, oh knakworst,

geef me nog een stukkie knakworst

knakworst, dat zijn toch van die heerlijke dingen

ik wou dat de bomen vol met knakworsten hingen.

Temidden van het vakmanschap en de discipline die hij van zichzelf en van zijn Kollektief eist, weet Breuker de kunst der relativering goed te verstaan. “Ik weet niet of ik streng voor het Kollektief ben, ik hoef niks te controleren, ik geef iedereen vrijheid. Wat inspraak betreft ben ik heel erg bereid om te luisteren, maar ik heb toch bijna altijd gelijk. Dan trek ik even een sprintje door m'n hoofd: ik denk nog aan vorige week en meteen ook aan volgende week en volgend jaar. Ik heb een bedrijf, en moet zorgen dat iedereen z'n geld steeds krijgt.”

“Op het moment dat m'n muziek kunst dreigt te worden moet je oppassen. Dan ga je jezelf serieus nemen en wordt de muziek niet meer om te pruimen.” In mei ontvangt hij de Boy Edgarprijs. “Gemeentelijke en rijksinstituten moeten natuurlijk voortdurend op hun sodemieter krijgen omdat ze niks voor moderne muziek doen, maar je moet ook niet de eeuwige kankeraar spelen. De prijs is leuk voor het orkest en de poen is leuk voor het nieuwe dak op ons kantoor. De jonge generatie muzikanten, tja, dat is over het algemeen wel een kunstzinnig piemelvolkje he? Ze drinken hun anderhalve biertje, gaan keurig op tijd naar huis met hun vriendin op de bagagedrager. Hun gezapige tevredenheid vind ik angstaanjagend. Ik reed als ik dat nodig vond 's nachts met m'n auto over de stoep naar huis of begon om vier uur 's nachts nog een partijtje voetbal in de huiskamer. Daar hoef je je niet voor op de borst te kloppen natuurlijk, maar wij waren eind jaren zestig, begin jaren zeventig nog heel boos, schopten overal tegenaan en schudden die duffe troep wakker. Leeftijdgenoten refereren er vaak aan en willen de romantiek van die tijd terug. Nou, daar heb ik absoluut geen zin in, het verleden is gelukkig voorbij. Elk concert is als het goed is nieuw, daar ga ik van uit. Je moet steeds wat anders verzinnen, je moet niet inslapen.”

Daar krijgt hij doorgaans ook weinig kans toe. De opdrachten voor film (Johan van der Keuken) of theater, zoals nu voor de Stichting Kunstwerk bij Theo Thijssens 'Kees de Jongen', verhinderen indutten bij voorbaat al. Zet 'de zwembadpas' van Kees de Jongen maar eens muzikaal om, en ook nog eens in de wetenschap dat iedere tiener die 'Kees de Jongen' las er subiet z'n allereigenste Zwembadpas op nahield. “Ik ging 20 minuten naar de repetities kijken en was meteen weer weg. De volgende dag kwam ik met m'n noten af. De musici konden het ter plekke spelen en er was meteen de mogelijkheid om te zien of de muziek goed op z'n plaats zat in de voorstelling. Met dat sociaalrealisme van Thijssen en Heijermans heb ik nou eenmaal een binding en ik geef daar een heel keurig, tonaal antwoord op. Vaak gaat ook dat al weer te ver, maar ach, we leven in 1993.”

Niet helemaal toevallig heet zijn produktiebedrijf 'BV Haast'. We moeten voort, de trein rijdt al, zeikerdjes of andere uitslapers kunnen we niet gebruiken, we zijn op weg en zien wel waar we belanden. In Breukers staccato: 'Niet lullen, doen!'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden