Wolfgang Mattheuer, ‘Die Flucht des Sisyphos’, 1972

DDR-kunst

Arbeiderskunst uit de DDR grauw? Niet volgens deze tentoonstelling

Wolfgang Mattheuer, ‘Die Flucht des Sisyphos’, 1972 Beeld bpk | Staatliche Kunstsammlungen

De reputatie van DDR-kunst hield in het Westen lang niet over. Ten onrechte, blijkt op de grote tentoonstelling van DDR-kunst in Düsseldorf. Ook achter de Muur was er nuance.

 Een man zit op één knie, reikt naar voren maar lijkt door een onzichtbare kracht vast te zitten aan de grote ronde steen achter hem. Het is een schilderij van de Oost-Duitse kunstenaar Wolfgang Mattheuer, het heet ‘De vlucht van Sisyphus’ en hij maakte het in 1972. Met de ingetogen kleuren, het mythische onderwerp, de ontblote, gespierde armen schilderde Mattheuer zoals de Oost-Duitse socialistische partij, de SED, dat graag wilde.

Mythologische verhalen zouden de arbeiders steunen in het geloof in de vooruitgang, ver weg van de ‘decadente’ abstractie die aan de andere kant van de muur in zwang bleef. Dus naast de metersgrote mozaïeken op openbare gebouwen en de standbeelden van Lenin en Marx ontstonden er in de DDR vooral schilderijen van zware, realistische thema’s. Tenminste, zo dacht de gemiddelde West-Duitser erover toen in 1989 de Berlijnse Muur viel.

De reputatie van DDR-kunst hield in het Westen lang niet over. Er waren DDR-kunsttentoonstellingen in het voormalige Oosten, twee jaar geleden was er een grote, goedbezochte expositie in Potsdam, met kunst van 89 kunstenaars. Maar pas nu, dertig jaar na de val van de Muur, heeft voor het eerst een voormalig West-Duits museum een grote tentoonstelling van DDR-kunst gemaakt: het museum Kunstpalast in Düsseldorf.

Van uiterst gedwee tot volledig underground

‘Utopie und Untergang’ tornt op allerlei manieren aan het cliché van de grauwe arbeiderskunst. Was de kunst wel zo donker en beperkt? De presentatie is een bonte verzameling van dertien kunstenaars, van uiterst gedwee tot volledig underground, abstract tot figuratief, van (inmiddels) bekend (A.R. Penck, Werner Tübke) tot vergeten, en alles daartussen. Werkend van 1945 tot 1993, een periode waarbinnen ook aan de oostkant van de Muur grote ontwikkelingen in de kunst waren, én waar ook de veranderingen uit het Westen doorsijpelden.

Elisabeth Voigt, ‘Der rote Stier’, 1944-1961 Beeld bpk / Museum der bildenden Künst / Nachlass Elisabeth Voigt

De tentoonstelling begint en eindigt, verrassend, met een vrouwelijke kunstenaar. Elisabeth Voigt schilderde een rode stier die probeert uit te breken, het lijkt de boerin niet te lukken hem tegen te houden. Is dit het ‘Rode monster’ dat ze zelf probeerde te temmen? In de DDR werd ze eerst lid van de staatskunstvereniging, de VBK, later weigerde ze nog langer mee te doen met het staatskunstcircus en leefde ze een teruggetrokken bestaan.

Cornelia Schleime brak wel los. In de bibliotheek van de kunstacademie vond ze kleine catalogi van ‘dwarse’ kunstenaars als Paula Modersohn-Becker, Francis Bacon en Pablo Picasso. Ze werkte niet met de traditionele olieverf, maar koos voor inkt op linnen of op oprolbare kaarten. Ze schreef er teksten bij die je zonder veel moeite als kritiek op het systeem begrijpt en vanaf 1981 kreeg ze een tentoonstellingsverbod, haar naam werd simpelweg van de affiches verwijderd. Om geld te verdienen beschilderde ze keramiek, daarnaast bleef ze dwarse kunst maken: ze deed performances, begon een punkband, en ze gebruikte bondage, niet als seksueel of feministisch statement, maar om te laten zien hoe geïsoleerd en vastgebonden ze zich voelde. 

Cornelia Schleime, o.T., 1986, Tusche auf Japanpapier, kaschiert auf Vlies Beeld Cornelia Schleime

In de tentoonstelling hangen foto’s van Schleime met een hoofd gewikkeld in rubberband, een werk uit 1982 met de titel ‘Mond open, ogen dicht’. “De DDR liet niets van mij over”, zei ze later. In 1984 mocht ze de DDR verlaten, ze kreeg 24 uur om haar spullen te pakken. Amusant, maar met bittere ondertoon, zijn de werken die Schleime in de jaren negentig maakte op basis van haar surveillancerapporten die ze na de val van de Muur kon inzien. Bij wereldvreemde uitspraken, zoals dat Schleime ‘in haar beroep heel goed zou verdienen’ en ‘ook vaak West-kleding draagt’, plakt ze een foto waarop ze telefonerend en rokend languit in bed ligt.

Ossikunst in het Westen

Musea in het Westen konden niet zomaar Oost-Duitse kunst kopen, de DDR-regering moest daar toestemming voor geven. Toen in 1977 vier DDR-kunstenaars waren uitgenodigd voor de (West-Duitse) Documenta, ontstond daar ophef over. Ze deden mee onder strenge supervisie van de partij. Intussen begon kunstverzamelaar Peter Ludwig uit Aken met het verzamelen van kunst uit de DDR. In 1986 was er in Bonn een grote tentoonstelling met de titel ‘Menschenbilder. Kunst aus der DDR’. Bij de opening van die tentoonstelling bleek dat oud-bondskanselier Helmut Schmidt het officiële portret van zichzelf had laten maken door de Oost-Duitse schilder Bernhard Heisig. Zijn keuze voor een DDR-kunstenaar zorgde aan beide kanten van de Muur voor verbazing.

Willi Sitte, ‘Nach der Schicht im Salzbergwerk’, 1982. Beeld Willi Sitte / VG Bild-Kunst Bonn

Toch waren niet alle kunstenaars zo negatief over het leven in de DDR. Het bekendste, beruchtste voorbeeld daarvan is Willi Sitte, die in eerste instantie behoorlijk Picasso-achtige en dus in de DDR als decadent bestempelde schilderijen maakte. Dat veranderde vanaf begin jaren zestig, toen hij steeds actiever werd bij de SED, de socialistische partij: hij werd voorzitter van de commissie die kunst goed- of afkeurde. Na de val van de Muur werd hem verweten stasi-medewerker te zijn geweest, een museum in Nürnberg zegde daarom in 2001 een tentoonstelling op het laatste moment af. De selectie van zijn werk die nu in Düsseldorf is te zien, maakt duidelijk dat zo’n dikke streep door een dergelijk ‘besmet’ oeuvre ook niet terecht is. Het zijn wonderlijke schilderijen, met veel naakt, van hardwerkende mijnwerkers én van geliefden.

Het werk van A.R. Penck (pseudoniem van Ralf Winkler) is dan weer van een hele andere categorie. Een poppetje, niet meer dan een paar strepen, loopt over een dunne lijn van de ene naar de andere kant van een kloof, van het donker naar het licht. ‘Der Über-gang’ (1963) werd al snel het symbool van de vlucht van Oost naar West, de stap die de kunstenaar zelf ook in 1980 maakte. Met de uitleg was Penck het zelf overigens niet eens: voor hem was het symbool voor de algehele twijfel en universele onzekerheid over de toekomst.

A.R. Penck, ‘Der Übergang’, 1963 Beeld A.R. Penck / VG Bild-Kunst Bonn

Je zou kunnen zeggen dat West-Duitsland de DDR-kunst als die van een vroegere kolonie heeft behandeld. Bij de Wiedervereinigung waren het de rijke, van nature arrogante westerlingen die de mensen uit het Oosten bij hen ontvingen. Volgens recent onderzoek zijn de verschillen tussen voormalig Oost en West nog steeds duidelijk voelbaar en zichtbaar op alle niveaus. Een tentoonstelling als deze laat zien dat de situatie in de DDR niet zo kleurloos was als vaak gedacht, dat ook de West-Duitse blik was vertroebeld door propaganda en politiek. En dat het de hoogste tijd is bepaalde vooroordelen over die ‘andere Duitsers’ op z’n minst ter discussie te stellen.

‘Utopie und Untergang. Kunst in der DDR’, tot 5 januari 2020 in Museum Kunstpalast in Düsseldorf, www.kunstpalast.de

Lees ook:

Bij Design van het Derde Rijk ontbreekt het verhaal

Een tentoonstelling in Den Bosch probeert de logica en stijl van nazi-propaganda te ontrafelen. Dat blijkt een te ingewikkelde opgave.

Raadselachtige narren en marionetten

De meningen over Werner Tübke zijn verdeeld. Was hij een propagandist of nam hij in zijn schilderijen ook afstand van het DDR-regime?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden