Review

APULEIUS, 'TOVERKUNSTEN'Vermakelijke kloppartij door vrome mysticus en schalkse libertijn

Apuleius, 'Toverkunsten', vertaald door Vincent Hunink, Amsterdam Polak & Van Gennep 1992, geb. f 45 " ing. f 29,50.

Degene die deze woorden heeft uitgesproken, heette Apuleius, een Afrikaan die een van de meest interessante figuren is uit de Latijnse letterkunde van de tweede eeuw na Christus. Zijn voornaamste werk is een roman, de 'Metamorfosen', die meer bekend is onder de titel 'De gouden ezel'.

Het werd een aantal jaren geleden door Polak & Van Gennep in vertaling uitgegeven. In diezelfde, typografisch zo prachtig verzorgde serie, is nu zijn 'Apologia' verschenen, een rede waarin Apuleius zich voor de gouverneur van de Romeinse provincie Africa, Claudius Maximus, verdedigt tegen de aantijging van zijn schoonfamilie dat hij door magische praktijken zich listig het vermogen heeft toegeeigend van zijn vrouw, de weduwe Pudentilla. Het boek is door Vincent Hunink vertaald onder de titel 'Toverkunsten'.

Apuleius werd omstreeks het jaar 125 geboren in Madaura, Algerije. Zijn pleitrede is de enige compleet bewaarde procesrede uit de keizertijd, en daarom al bijzonder. Maar in feite was Apuleius geen advocaat, maar filosoof, schrijver, redenaar, die in Carthago, waar hij waarschijnlijk het grootste deel van zijn leven heeft gewoond, een al tijdens zijn leven met standbeelden geeerd, maar ambtenloos burger is geweest.

In zijn jonge jaren studeerde hij filosofie aan de school van Plato in Athene en bereisde Griekenland. Ook in Rome heeft hij gewoond, en wellicht van daaruit overkwam hem het avontuur dat we uit zijn 'Apologia' kunnen reconstrueren.

Op reis naar Alexandrie strandde Apuleius door ziekte in de stad Oea, het tegenwoordige Tripoli. Daar besloot hij tot een huwelijk met Pudentilla, een weduwe die een jaar of acht ouder was dan hijzelf (een zeer ongebruikelijke leeftijdsverhouding bij de Romeinen), volgens hemzelf op aandringen van haar zoon Pontianus, met wie hij samen in Athene had gestudeerd.

Maar de broer van Pudentilla's overleden echtgenoot, Aemilianus, en vooral de schoonvader van de inmiddels ook getrouwde Pontianus, een zekere Rufinus tegen wie de hierboven aangehaalde scheldpassage is gericht, zagen de landerijen en andere bezittingen van Pudentilla aan de neus van de familie voorbijgaan, en begonnen een lastercampagne.

Apuleius zou zich laten voorstaan op zijn knappe uiterlijk, poetste zijn tanden en droeg altijd een zakspiegeltje bij zich, schreef liefdesgedichtjes over jongetjes. Maar deze armoedzaaier had als gevaarlijkste trek, dat hij bedreven was in toverkunsten en daarmee Pudentilla haar verstand had doen verliezen, zodat ze zich aan hem had uitgeleverd.

Van het een kwam het ander, en binnen enkele dagen moest de toen al vermaarde redenaar zich voor zijn levenswandel bij de hoogste rechtbank in de provincie verdedigen.

De rede van Apuleius voor de rechtbank die we lezen, is waarschijnlijk een verfraaide en uitgewerkte versie van die, welke Apuleius veel meer a l'improviste in 158 heeft uitgesproken. De beschuldigingen van de tegenpartij blijken zulke volstrekte, bij elkaar geraapte onzin te zijn, dat je je bij het lezen afvraagt of de gouverneur werkelijk tijd had om een paar uur lang zo'n schertsproces voor te zitten. De rede van Apuleius is dan ook veel meer een pronkrede, waarin de redenaar een klein beetje ernst (de waardigheid van de Platonische filosofie en het recht op vrije wetenschapsbeoefening in de geest van Aristoteles) overstelpt met geestige anecdoten, prikkelende dichtercitaten, voor een deel uit de pederastische hoek, komische scheldkanonades tegen de twee voornaaamste tegenstanders, en heel veel kostelijke onzin over magie, vooral over het gebruik van vissen voor seksuele doeleinden zoals de 'paalvis' en de 'spleetmossel', hoogstandjes van Huninks vertaalvaardigheid.

Het grote middenstuk van de rede, over toverkunsten, is het meest intrigerend. Speelt Apuleius hier niet hoog spel met zijn rechters en met de tegenpartij? Processen wegens magie waren niet ongebruikelijk in deze tijd, en Apuleius, die zelf opmerkt dat hij in vele mysterie-diensten was ingewijd, had een grote belangstelling voor occulte zaken. We weten niet welke uitspraak Maximus heeft gedaan, al wordt algemeen aangenomen dat Apuleius werd vrijgesproken.

Rudi van der Paardt, die een inleiding scheef bij Huninks vertaling, trekt een vergelijking tussen de fictieve avonturen van Lucius in 'De gouden ezel' en het werkelijke avontuur van Apuleius in Oea. Omdat Apuleius zelf een autobiografische inslag suggereert bij zijn romanfiguur Lucius, kunnen we zijn 'Toverkunsten' wellicht als een voorstudie van de roman beschouwen. De feitelijke gang van het proces blijft een mysterie.

Het stuk over toverkunsten wordt voorafgegaan door veel grappen over mondhygiene, spiegels en erotische gevoelens opwekkende knaapjes; het slot is een met veel brieven geillustreerde, verpletterende weerlegging van de verdachtmakingen over het financieel gewin dat Apuleius met zijn huwelijk gehad zou hebben. Maar welk onderwerp de redenaar ook bij de kop pakt, hij straalt een superioriteit en een belezenheid uit die op zich al iedereen platleggen. Tenminste, als rechter zul je toch wel moeten slikken wanneer de verdachte zich als volgt tot je richt:

"Gelukkig maar, geachte Claudius Maximus, dat dit proces bij u wordt gevoerd! Gezien uw belezenheid hebt u ongetwijfeld kennis genomen van Aristoteles' 'Over de voortplanting der dieren', 'Over de lichaamsdelen der dieren', en 'Over de geschiedenis der dieren', alledrie meerdelige werken, alsmede talloze kleinere studies van voornoemde auteur en andere auteurs uit dezelfde school."

De vertaling van Hunink begint wat stroef, maar gaandeweg wordt het puur genieten. Aan de klank- en stijlfiguren doet de vertaler heel mooi recht; vergelijk bijvoorbeeld de alliteraties op pagina 59:

"Wilde woede van een verzuurde ziel, kleingeestige gekte van een verbitterde bejaarde" met Apuleius' Latijn: "furor infelix acerbi animi et misera insania crudae senectutis" . Door het plaatsen van cursiefjes ('tot de aanklagers', 'tot de beambte', 'tot het publiek') onderstreept Hunink de levendigheid waarmee Apuleius de lezer van zijn pleitrede ook bij het proces betrekt.

Het vertoon van geleerdheid en belezenheid door de redenaar wordt in korte noten verklaard. Als toegift heeft Hunink ook een thriller-achtige 'Lijst van bij het proces betrokken personen' gemaakt - als lezer kom je met deze uitgave werkelijk niets tekort.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden