Review

Angst voor de politiestaat, sympathie voor de RAF

Dertig jaar geleden zaaide de RAF dood en verderf in Duitsland. Ze was ook in Nederland actief. In zijn spannende boek legt Jacco Pekelder uit waarom deze terroristische groep in ons land op steun kon rekenen.

Beatrice de Graaf

Zou er in Nederland een solidariteitsbeweging voor Mohammed B. of Samir A. kunnen ontstaan? Een groep van mensen die uit sympathie voor de gevangenen en hun idealen optochten organiseren, petities uitdelen en hun tenten voor de bijzondere beveiligde instelling in Vught opslaan?

Het is nauwelijks voor te stellen. Het gevangenisregime in Vught is strenger dan dat in het Duitse Stammheim, en toch horen we er weinig over, laat staan dat het – voor grote delen van de (linkse) bevolking – net zo’n internationaal symbool van repressie wordt. Dat was in de jaren zeventig wel anders.

In ’Sympathie voor de RAF’ schetst de Utrechtse historicus Jacco Pekelderder een indringend beeld van de acties en de invloed die de Duitse linksrevolutionaire terroristische organisatie Rote Armee Fraktion in Nederland had. Niet alleen Duitsland was in de ban van deze ’stadsguerrillero’s’, ook Nederland kreeg een klap mee van de RAF-campagnes. De RAF beschouwde Nederland als achterland en logistieke uitvalsbasis. Op meerdere plaatsen beschikte ze over veilige schuilplaatsen en auto’s. In september 1977 werd Hanns Martin Schleyer, de voorzitter van de Duitse werkgeversorganisatie die door de RAF ontvoerd was, kort in Den Haag vastgehouden.

Erg lang ging dat niet goed. Op 22 september leverden het RAF-lid Knut Folkerts en de Utrechtse politie een vuurgevecht, waarbij brigadier Arie Kranenburg werd neergeschoten. Ruim een maand later was het weer raak, dit keer ontstond er een schietpartij tussen Christof Wackernagel en Gert Schneider en de Amsterdamse politie. En in 1978 werden twee grensambtenaren, Dionysius de Jong en Johannes Goemans, bij Kerkrade door voortvluchtige RAF-leden neergeschoten.

Nederlandse media en politici hadden tot eind 1977 het West-Duitse contraterrorismebeleid nogal eens als te hardvochtig, of zelfs als een voorafschaduwing van een politiestaat bekritiseerd. Die kritiek verstomde na deze reeks van tragische incidenten.

Pekelder laat echter zien dat het Nederlandse verhaal over de RAF met de arrestatie van Folkerts, Wackernagel en Schneider niet afgelopen was. De onderstroom van Nederlandse sympathisanten, die al vanaf de oprichting van de RAF in 1970 gecharmeerd waren geraakt door de onverzettelijkheid en doeltreffendheid van hun Duitse collega’s, bleef bestaan. Met de aanwezigheid van drie RAF-leden in de Nederlandse gevangenissen kwamen er zelfs twee nieuwe elementen bij: geëngageerde advocaten en artsen/psychiaters die zich voor de gevangenen inzetten en hun uitlevering aan Duitsland (tevergeefs) probeerden te verhinderen.

Binnen deze solidariteitsbeweging bestond er nog wel verschil in de mate van ideologische vooringenomenheid. De activisten van het ’Rood Verzetsfront’ identificeerden zich volledig met de anti-imperialistische strijd, zij het dat ze zelf in Nederland de weg van het geweld niet durfden of wilden inslaan. De onlangs overleden Pieter Bakker Schut behoorde vervolgens tot de categorie van activistische advocaten, die zich op juridisch gebied vereenzelvigden en zelfs ondergeschikt maakten aan de strijd van hun cliënten – iets wat die gevangenen overigens zelf helemaal niet nodig vonden, zoals Pekelder fijntjes aanstipt.

De advocaten Willem van Bennekom en Josephine Dubois hielden er een minder agressieve stijl op na. Zij draaiden weliswaar volop mee in de werkgroep van activisten en artsen die de RAF ook politiek wilden verdedigen. Maar hun sympathie betrof alleen de gevangen RAF-leden, niet de gewapende strijd.

Uiteindelijk was het vooral het ’leed’ en niet de ’gewapende strijd’ van de RAF die de meeste Nederlanders mobiliseerde. „Ik dacht eigenlijk meteen: die jongens zijn, al zijn ze dan geboren na de oorlog, een soort slachtoffers van het nazisme”, aldus de psychiater Frank van Ree over de gevangen RAF-leden.

Aan het eind van het boek stelt Pekelder vast dat dit sympathienetwerk maar een klein groepje Nederlanders omvatte. Dat werpt wel de vraag op hoe invloedrijk de sympathiebeweging voor de RAF in Nederland, toch het overkoepelende thema van een lijvig boekwerk, dan daadwerkelijk was. Leedvermaak richting de oosterburen, anti-West-Duitse sentimenten en bijdehante Nederlandse verslaggevers zijn nog geen bewijs voor omvangrijke RAF-sympathieën.

Dat suggereert Pekelder ook niet, maar hij vermeldt evenmin dat bijvoorbeeld de CPN en andere linkse partijen zich heel duidelijk van de terroristische acties – zij het van de Molukkers, zij het van de RAF – distantieerden. De ’Rode Hulp/Rode Jeugd’ en later het ’Rood Verzetsfront’ bleven verstotelingen binnen de Nederlandse buitenparlementaire linkse familie.

Waarom krijgt het handjevol Nederlandse RAF-sympathisanten dan toch zoveel aandacht? Daar heeft Pekelder wel argumenten voor. Hij portretteert ze tegen de achtergrond van de jaren zeventig, die hij in nogal sombere kleuren schildert. Geen discomuziek, zelfverwerkelijking of ludieke acties domineren het beeld, maar zorg voor het milieu, afkeer van overregulering van het maatschappelijke leven in rechtse kringen en angst voor het opkomen van een Orwelliaanse controlestaat in linkse.

Binnen die context joeg het door kanselier Helmut Schmidt gelanceerde ’Modell Deutschland’ veel Nederlanders de stuipen op het lijf. Zelfs in een KRO-programma werd geconstateerd dat de Bondsrepubliek ’steeds meer op een politiestaat’ ging lijken. De bezorgdheid om de ontwikkeling van de rechtsstaat in Duitsland had dus in bredere kringen post gevat dan alleen binnen het kleine netwerk van RAF-sympathisanten. Zij vormden slechts de seismografen van die onderhuidse angsten.

Pekelder merkt op dat dit soort gevoelens de omslag van de jaren zestig naar de jaren zeventig markeerden: werd in het hippiedecennium de natiestaat nog als bron van vooruitgang beschouwd, „nu was hij in veler ogen de bron van het boze [] de Leviathan”. Historiografisch vult Pekelder met dit boek al een belangrijke lacune: die van de omgang met de RAF in Nederland. Maar die analyse van de RAF-sympathisanten als graadmeter voor het denken over de natiestaat in de jaren zeventig tilt dit boek nog verder uit boven eerder in Nederland en Duitsland verschenen (autobiografische) studies naar het ’rode decennium’.

Dit spannend geschreven boek is ten slotte niet alleen historisch interessant, het heeft ook actualiteitswaarde. Was het toentertijd de angst voor de Orwelliaanse controlestaat die in brede kringen leefde, nu heeft de angst voor het terrorisme de overhand genomen en lijkt het vertrouwen in een repressief optreden van de overheid wel ongebreideld te zijn. Maar ’Reflexmatige stoerheid’ ten aanzien van terrorisme, zo maakt Pekelder duidelijk, wakkert de onrust alleen maar aan.

Met deze studie houdt de schrijver de Nederlandse samenleving van nu – die steeds strengere wetten en een harde aanpak van terrorisme verlangt – daarom een interessante spiegel voor.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden